Midden in de nacht wist hij weer met hoeveel we waren, alleen
niet meer onze namen, wel de volgorde en hij

telde en zomaar waren we weer thuis waar zijn dromen dwars
door het rozenbehang ons wakker hielden,

tussen de klamme zomer en de tikkende kastanjetakken en de
zwarte koffie van mijn moeder en haar sieraden

en de koele witte tegeltjes beneden in de keuken, het kraken van
de laatste traptree en misschien ook wel de eerste,

nog met de stemmen van Simon & Garfunkel die hun lief uitzwaaiden
en waarbij hij de tranen in de ogen kreeg en wij

weg wilden rennen, alle deuren uit en dan ons verstoppen in de
tuin en van niets, helemaal niets, wilden weten,

onze voeten nat van het gras en de bloemen opzij gevallen en
stelen geknakt en kleuren uitgespreid en vlekkend.