Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: pijn (page 1 of 6)

op de tast

Omdat er altijd een keuze is, vond ze dat alles dat daarna kwam
haar eigen schuld was. En alles dat ervoor zat

ook. Ze had geleerd niet te treuzelen en dus kende ze soms niet
alle mogelijkheden voordat ze besloot en had

ze eenmaal besloten, dan wist ze later echt niet meer waarom.
Het was kortom een puinhoop in haar en

vaak dacht ze alleen maar daaraan of hoe ze dat in een keer kon
veranderen en voorgoed. Ze klom op

de toren van Z. maar had hoogtevrees en ze lag op de rails van
D. maar dat was bijzonder ongemakkelijk.

Toen kwam iemand die haar zou helpen en hartjes tekende op
haar ramen, daar koos ze echt niet voor, ze

was geen deler. Ze deed haar vingers in haar oren en liet het huis
ontploffen, alles dat daarna kwam was haar eigen schuld.

haar vaste plek

Het niet willen weten is een fase die verlengd zou moeten zijn
tot een ieder sterk genoeg is, bij elkaar zit,

handen houdt, elkaar aankijkt terwijl je weet dat sterk zijn geen
kwestie van tijd is en een waarheid, welke dan ook,

geen uitstel vraagt. Het is meer een momentopname waarbij de
zon in de kamer schijnt, een ieder overtuigd

van zijn eigen plek of rol, alvorens alles uit elkaar valt, want dat
gebeurt, natuurlijk. Bovendien willen we

alles weten. De hoed, de rand, de mate van pijn, de hoeveelheid
dagen, het waarom, de afmeting van

ellende, alleen zijn, de kortstondigheid van vreugde, terugkomst,
hoe lang hij blijft, de schaduw van de objecten,

een reden, de afkoopsom, of we nog terug kunnen naar toen en of
we werkelijk gelukkig zijn en liever niet willen weten.

vaak was het een combinatie

Je zit aan het ontbijt en twijfelt aan nog een eitje of iets met roze
vlokjes erin, het is warm en dampt, er past dat

broodje bij dat verloren nog in een mandje ligt, je kunt ook gerust
nog wat van dat versgeperste sap inschenken dat

even later tussen het bloed van de tafel drupt en op de grond zich
vermengt tot een ongewenste verfkleur waarmee

overigens niets te kleuren valt. Je zou geen honger meer hebben
en sowieso geen moeite willen doen al die

metalen scherfjes uit het gerecht te plukken of de vingerkootjes
willen tellen die zomaar rechtop in

de traktaties staan, het was een enorm kabaal net nadat je je keuze
had gemaakt, je ging voor de

havervlokken en de geitenmelk, dat was per slot van rekening een
stuk gezonder, je dacht dat je nog heel wat tijd had.

onder dat rechter borstzakje  

Vanuit de kant van het lijf gezucht, gekraak en gesteun, geen
voorjaar maar laatste winterdagen of overwegingen van andere
aard, het opzeggen van een huurcontract of

schuilgaan in een andere substantie. Dat allemaal nadat een
kind meldt dat het misselijk is, liggen blijft, ledematen heeft
die pijnlijk en gezwollen zijn en nee, hij

heeft niet gedronken. Ik fiets met soep en schone lakens dwars
door een opgeluchte mensenmassa die ijsjes likkend achter
elkaar aanhuppelt en foto’s maakt van het

krokusje naast de lantaarnpaal, de poes op het hek, zichzelf en
plant een kusje op een gloeiend voorhoofd. Zijn scherm brandt
nog na, de kamer is verder donker, hij draagt

beslist sokken nog en zijn joggingbroek, zijn krullen uitgezakt,
mijn vingers haken in onwillig gedrag en droefheid, zo moe kun
je worden, zegt hij, van al die sociale contacten.

hard rennend van de ene hoek naar de andere

Of hij het nu vertelt of niet, of het praatje stimulerend is of
dodelijk saai, of er een waarheid is of niet,

het zal niet anders zijn dan andere willekeurigheden, niets
zal echt het gedrag bepalen dan gewoonte,

discipline, aard en afkomst, omstandigheden die er al waren.
Voor of na die tijd blijf ik hetzelfde, het is

mijn manier natuurlijk om een belangrijke afspraak tot een
hanteerbare proportie te brengen. Graag

zeg ik op het laatste moment af, er zijn genoeg smoezen, om
dan een enorm gevoel van vrijheid te krijgen,

ik ben opeens eeuwig jong en reuze zelfstandig, dat soort
ruimte is mij het liefst. Degene die op mij wacht,

zijn agenda doorhaalt, mijn naam schrapt en al bladerend
pas maanden verder weer noteert, zucht.

lege natte velden

Er zou een foto moeten zijn waarop zij hem hoog houdt, een
stralende zon, een jurk met bloemen maar dat beeld

bestaat niet, hij heeft er lang naar gezocht omdat hij dacht zich
te herinneren hoe dicht hij bij die warmte was

geweest maar er is niets. Daarna ging hij andere bewijzen na:
er zou een flard film zijn waarin zij hem op schoot

heeft en tegen zich aanhoudt, hij kraait, maar ook dat half zingen
van hem had hij nooit gedaan of dat misschien

nog wel maar dan bij een boterham met stroop, een tomaatje met
suiker, een treintje over de rails, de staart van

een hond. Weer later is alles het tegendeel, zij heeft nooit bestaan,
hij was er nauwelijks, zij was er nu juist wel maar

hij was er niet, zij had hem omgebracht in al die stilte en van
bloemen had ze nooit gehouden, ook niet van zon.

een oneigenlijke taak

Soms zit er in de ochtend nog een klein stukje zwart van
de nacht dat trekt en scheurt aan het licht en

liever niet zichtbaar alsnog een droom wil verstoren. Het
jankt en klaagt, misselijk van de moeite om.

Soms ook laat het onverwacht los alsof het zuchtend van
opluchting vergeet waar het aan bezig was,

vaak ook graaft het zich dieper en kerft een teken in de
huid, slaat op het hart, schopt tegen weke

delen. Doen alsof het rood is of misschien een teer soort
groen, zich vergist in soort of noodzaak,

niet bij jou past en tegelijkertijd maar al te bekend is, je
omdraaiend, is haast onmogelijk. Erover

schrijven zou kunnen helpen maar dan moet je wachten
tot de dag bijna voorbij opnieuw schemerig wordt.

het kleinood

We hebben een getuige van het leven nodig, iemand
die alles heeft meegemaakt en er nog steeds is

zoals een boom die zwijgend zijn plek innam terwijl
de soldaten langs hem marcheerden, de man

het touw uit de garage over de tak gooide, de vrouw
haar rokken opschoof, het kind de poes

begroef, de hond zijn poot oplichtte. We hebben het
leven nodig als getuige van onze wanhoop,

ons twijfelen, die passanten, de uitkomst, de goudgele
stinkende klaterende stroom, het gras

geel, bruin, groen, kort, lang, de tuinman die in rondjes
om ons heen draait en elke keer onze rok

keurig naar beneden trekt, een kat die hoog klimt, een
man die hem redt, een kind dat beneden wacht.

tussen uitspraak en denkbeeld

Er zit bloed in mijn droom, teveel van dat lichte rode
dat wegsijpelt in sponsachtige onderdelen die

uit het lijf geperst dampend op een schaal voor me liggen.
Er zit te veel bloed in mijn droom, het

gesprek gaat achter gesloten deuren verder maar mijn
gedachten zijn elders, koortsachtig. Behoedzaam

leg ik mijn handen terug op mijn buik. Ik fiets langs de
straten van asfalt waarboven lichtgele bomen

zachtjes hun geur naar me toe wuiven, ik kan fietsen,
zie je wel, er is niets om ongerust over te zijn.

Mijn moeder zal op me wachten met twee plakken koek
bij de koffie en met een koud neusje ergens

in mijn hals, daar stopt mijn pijn. Ik zie wat bleek, zal ze
zeggen, en voor de grap prikt ze in mijn zij.

niemand mag er mee

In de beddensprei haakten zich gekleurde beesten van
allerlei vorm en grootte die langzaam zich

verspreidden richting zijn hoofd terwijl daarboven over
het plafond een gelatineachtige massa probeerde

zich los te laten, bijna drupte op zijn lijf, en de muren
nauwer om hem heen sloten, steeds dichterbij

kwamen alsof hij, bijna misselijk, zijn ogen stijf hield
terwijl hij zijn benen over de rand van het

enorme bed gooide maar nergens de vloer vond en met
heel lange poten zelf het dier leek waar hij

het bangst voor was, losgelaten door grijnzende engelen
met vorken hooggeheven langs gezichten

waarbinnen gaten al het redelijke vervingen, zijn vingers
opeens de klauwen van het nachtelijk monster.

Zoiets gebeurt, zei de zuster geruststellend in de ochtend,
en haalde twee van de vier pillen uit zijn bakje.

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑