(zoals geciteerd in Hier begint de victorie, Conserve, 2008)

Onder andere de jonge Italiaanse journalist Edmondo de Amicis (1846-1908) die Nederland in 1873 en 1874 bezocht. In 1876 verscheen zijn boek Olanda, later vertaald als Nederland en zijne bewoners.
Over Alkmaar schreef hij: “Gansche einden lang kan men over de straat gaan zonder iemand tegen te komen, en, wat vreemd is in een stad van meer dan tienduizend inwoners, de weinige menschen die men ontmoet of die aan de deur staan, niet alleen de mannen, maar ook de vrouwen en kinderen, groeten de vreemden beleefd.”
Over de vrouwen is hij niet erg vleiend. “Men ziet er vooral wangen met het schoonste rozenrood, dat de schuchterheid ooit over de kaken ener maagd gespreid heeft; maar de uitwerking van die bevalligheden wordt totaal vernietigd door die jammerlijke toetakeling van het hoofd en de nog jammerlijker manier van kleden. Bovendien hebben ze de heupen geweldig hoog, door de dikke onderrokken of wie weet wat, en het bovenlijf is het dikst bij de ceintuur en loopt spits toe tot aan de oksels, in tegenstelling van onze dames, die de borst groot en het middel dun maken. (…) Het is al heel mooi, wanneer de schoonsten, zoo gekapt, toegespitst en toegeknepen, nog op vrouwen gelijken; maar men kan zich voorstellen hoe het voorkomen is van de minder door de natuur bevoorrechten, die ook te Alkmaar het grootste gedeelte uitmaken.”

Marjorie Bowen, een van de pseudoniemen van Gabrielle Margaret Vere Campbell Long (1886-1952), schreef, “Alkmaar is één van de meest karakteristieke en aantrekkelijke Nederlandse steden; hoewel zoo dicht bij Amsterdam, schijnt het, in weerwil van enkele winkels met spiegelruiten en den bonten inhoud daarbinnen, tot een andere eeuw te behooren, bijna tot een andere wereld.”
Ze was opgetogen over de kwaliteit van de Alkmaarse feesten, zoals de kermis of Koninginnedag.

Trijntje Fop, een van de pseudoniemen van puntdichter Kees Stip (Veenendaal 1913-2001), werd geïnspireerd door Alkmaar tot het volgend gedicht:

Op twee mijten

Te Alkmaar zat een tweetal mijten
in een Edammer kaas te bijten.
‘Het treft mij,’ sprak de ene mijt,
‘hoe ongestoord men hier ontbijt,
want toen wij laatst in Frankrijk aten,
liepen wij telkens in de gaten.’

Alex Mol, pseudoniem van Wim Noordhoek, radiomaker, auteur en journalist (Steenwijk, 1943), schreef in de VPRO Gids van 19 september 1992: “In Alkmaar maakte ik een zondagswandeling. Een lang geleden uit de klei getrokken stad. Ik zag café de Lindeboom aan het Verdronkenoord, uitheemse hoeren aan de Achterdam. Mijn in Frankrijk gemaakte auto stond op de Dijk. De Kaasmarkt werkte niet. Het carillon speelde om 12 uur precies een riedel Valerius en gaf 12 slagen. Dat was goed. Orde moest er zijn, vooral in de tijd.“

Dichter, recensent en columnist (Meander) Hans Franse maakt bij een eerder bezoek het volgende gedicht:
ALCMARIA VICTRIX

Voor mijn nichtjes A. en B.

Alkmaar was het decor
waarin onze vaders hun jeugd speelden.
Ze kwamen op en af langs de singels,
genoten verkleed op 8 oktober als
de stad één ziel had: Alkmaars ontzet.
Het Gulden Vlies vervulde dromen,
de molen van Piet stond
waar hij nu voor eeuwig staat:
een zetstuk op de wallen van de bevrijde stad.

Onze vaders lieten toen foto’s maken
bij een fotograaf in de Langestraat nr. 82.
Statig stonden ze fier rechtop,
met stijve boord en horlogeketting,
leunend op een krukje dat toen
een etagère werd genoemd,
op afroep minzaam lachend
of neutraal kijkend naar het vogeltje
in de lens, waarachter
een steeds kleiner wordende wereld lag,
nog wel op zijn kop:
een wazige toekomst van een leven
dat niet verder leek te gaan
dan de Molen van Piet
op de wallen van de stad
die vrijdags naar kaas rook
en donderdags naar de tonnenman

Aan het eind van het feest
rook het Gulden vlies naar verschaald bier
en kaasdragers met kleurrijke hoeden
droegen na het oktoberfeest als apotheose,
voorzichtig lopend dat hij niet viel, op hun berries
de geïllumineerde molen van Piet,
en zetten hem
voor eeuwig op de wallen van de stad,
die draaide als een carrousel
in de wind van de tijd.

De molen van de familie Piet is voor elke Alkmaarder een begrip, hij staat stevig op de wallen verankerd. De zaal van het Gulden Vlies functioneerde als feestzaal voordat “de Vest” werd gebouwd. In sommige straten waren nog geen water gespoelde toiletten: eens in de week haalde de “tonnenman” de volle potten met excrementen op. Zij droegen ze op hun schouder die met een leren lap beschermd waren.

We komen Alkmaar tegen in de volgende citaten:

Op zeker moment was ze weer naar Nederland teruggegaan – er stond een adres bij van haar in Alkmaar. Ik zocht het op in mijn groene Michelingids. De kaashoofdstad van Nederland. Een waag. Grachten, oude huizen en een museum. Ach, waarom ook niet, dacht ik.
Geen e-mailadres natuurlijk. Ik herinnerde me nog dat EF het internet ooit met het spoor had vergeleken. Een aantrekkelijk gerief zonder enige intrinsieke morele waarde of effect. Dus schreef ik Anna een ouderwetse brief: zomaar inderdaad, was haar naam tegengekomen in het adresboekje van EF (liet haar zelf bedenken hoe dat zat), was van plan naar Amsterdam te gaan, misschien dat ik vandaar een bus of trein naar Alkmaar kon nemen. Samen lunchen, wat schilderijen bekijken als herinnering aan EF, wat kaas kopen…..zo niet, dan misschien als ze weer eens in Londen was.

(…………)

Ik verbleef een paar dagen in Amsterdam, nam toen halverwege de ochtend de trein naar Alkmaar. Ik had een hotel vlak buiten het centrum geboekt. Ik liep naar het museum en probeerde er niet enthousiast vroeg of irritant laat aan te komen – al kon je bij Anna ook irritant stipt zijn. Zij verscheen – als in een klucht – op precies hetzelfde moment.

(……)

Er was een speciale tentoonstelling van Caesar van Everdingen – de ‘Rembrandt van Alkmaar’, zoals hij te boek stond. De tentoonstelling omvatte verschillend reusachtige doeken van de oude Schutterij van Alkmaar, een portret van een aandoenlijk tweejarig jongetje met een goudvink op zijn hand (in bruikleen van Barnsley tot mijn grote verbazing), een zedenschets van ‘Diogenes op zoek naar een eerlijk mens’ in een decor uit die tijd, en een portret van een VOC-koopman met twee zwarte slaven. Die schilderijen kende ik allemaal omdat ik alvorens naar Alkmaar af te reizen een exemplaar van de catalogus had besteld.

(…….)

En dus vonden we het, toen we met een hartige kaasfondue en een glas wijn op een zonnig pleintje van kinderkopjes zaten, niet ongemakkelijk om bij elkaar te zijn. Anna werkte als vertaalster, ze wonde nu zes jaar in Alkmaar, nadat ze om niet nader genoemde redenen uit Amsterdam was weggegaan.

uit Elizabeth Finch, Julian Barnes (vertaald door Ronald Vlek), Atlas Contact, 2022

 

De tocht voert langs de stations van Alkmaar, Hoorn en Enkhuizen, maar ook vanaf station Schagen kun je makkelijk op de dijk komen. Over datzelfde Schagen wilde de schrijver Guus Luijters, inwoner van Schagerbrug, niet dichten. In zijn inleiding tot de verzamelbundel ‘Amsterdam, de stad in zijn gedichten’ (2001) gaf hij de reden aan: Niemand maakt versjes op Schagen, denk ik, behalve de zondagsdichter van het huis-aan-huisblad misschien. Schagen lijkt in dezen op Assen, Alkmaar of Arnhem. Stuk voor stuk prachtplekken, maar tot poëzie zullen ze niet gauw inspireren. Ze zijn te klein om goed te kennen. Om tot poëzie aan te zetten, heeft een stad een minimum-omvang nodig.

uit Noord-Holland, literaire reis langs het water, bijdrage Jos De Ley