Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: pappa (pagina 1 van 13)

het achterland het uitzicht

Strijkend langs de kleine groene blaadjes van mijn kruidentuin,
op zoek naar de gaten makende, gulzige onverlaat, houd

ik alleen de geur aan mijn vingers over en daarmee de herinnering
aan mijn mamma die op haar knieën in het groentebed lag,

haar klompjes onder haar rokken geschoven, en met het schilmesje
de ingrediënten afsneed voor de soep of de

gevulde vleestomaten die uit elkaar spatten in de oven alvorens ze
op ons bord kwamen, en ik huil zomaar omdat

naast deze heerlijkheden al het andere meekomt: zomers die in
de achtertuin gevierd werden, ver uit het zicht van

de dorpsbewoners, beesten die hun warmte aan ons afstonden en
met de bek in onze hand meeliepen, een vader die –

ach, alles was daar nog, en ik zelf, ik zelf, en het land onbegrensd
en voor altijd van ons, licht wuivend en geurend.

niemand mag er mee

In de beddensprei haakten zich gekleurde beesten van
allerlei vorm en grootte die langzaam zich

verspreidden richting zijn hoofd terwijl daarboven over
het plafond een gelatineachtige massa probeerde

zich los te laten, bijna drupte op zijn lijf, en de muren
nauwer om hem heen sloten, steeds dichterbij

kwamen alsof hij, bijna misselijk, zijn ogen stijf hield
terwijl hij zijn benen over de rand van het

enorme bed gooide maar nergens de vloer vond en met
heel lange poten zelf het dier leek waar hij

het bangst voor was, losgelaten door grijnzende engelen
met vorken hooggeheven langs gezichten

waarbinnen gaten al het redelijke vervingen, zijn vingers
opeens de klauwen van het nachtelijk monster.

Zoiets gebeurt, zei de zuster geruststellend in de ochtend,
en haalde twee van de vier pillen uit zijn bakje.

het gordijn omhoog

De tekst vergrotend die onder zijn handen ligt, turend
naar de tekeningen die hij rond de kantlijn

verzamelt, hem horen zuchten boven zijn werk, dan
opkijkend naar de verten ingeperkt door

de straat voor hem en hoe vaak zij langs fietste, zijn
vingers verschuivend vlekken makend van

de inkt, de inhoud van zijn heimwee want afwezigheid
bestond in al zijn handelingen maar ook

in de hare, zie ik eindelijk dat wat hij me echt zei en
dat wat hij verzweeg. Alleen al het handschrift

brengt me zijn vertrouwen en het antwoord op zijn
herhaalde vraag: of ik gelukkig was?

Voordat ik kon lezen draaide ik het om, de beesten op
papier immers half dood en uitgemergeld.

 

mijn vader schrijft en tekent in het gastenboek bij een expositie van mij in Purmerend, 2007, boven de tekst van mijn moeder en onder die van een andere bezoeker

 

de cirkels steeds wijder

Even ben ik terug in de koele keuken van het ouderlijk
huis waar mijn wangen tegen de tegeltjes rustten,

mijn handen gevouwen in mijn schoot, mijn ogen stijf
dicht, schimmen om me heen die de staat van

God door de ramen heen verklaarden, mijn vader die altijd
beweerde dat de bui reeds overgetrokken was

en mijn mamma die steevast telde en de maan ontwaarde
en ook als toen is de genade de vrede en stilte

achteraf, het ruisen van regen door de opengezette deur,
de geur van nieuwe zomers en herstel, de

zucht van hem, een boterham of alleen de kaas, en haar
theorieën of hoe luchten weer helder werden, leeg

totdat er opnieuw iets was dat ik verkeerd deed en waar
ik voor gestraft zou moeten, zo wist ik zeker.

per ongeluk met natte vinger

Zomaar is de avondlucht, dampend en kil, dezelfde die om
het oude huis hing waar ik deuren nog moest

afsluiten, in alle dromen hangen ze los in hun sponningen,
en waar je met toegeknepen ogen in het veld

rondom altijd ongewenste indringers ziet lopen, de was van
je moeder ziet wapperen, hem ziet als laatste

bezoeker en zomaar ook mijn hart vol tranen. Zo traag als
ik wegfiets, de treinen leeggestroomd, zo

snel neemt de heimwee bezit van me, benen zwaar en banden
bijna leeg. O om dat alles mee te kunnen nemen,

hen bij de hand, en van het ene land naar het andere te kunnen
gaan en door de flarden mist voorgoed de

contouren te herkennen van je eigen thuis, niemand onwelkom
en deuren altijd open, hij als eerste bewoner.

de figuur naast haar

Een vriendin die het laatste woord had, vindt hem daar.
Door de stad gesneld nadat hij

even niets meer zei. Zijn trap opgestormd, zijn deur los,
zijn lijf uitgewaaierd over tafel. Ik stel

me voor hoe verbaasd hij nog kijkt of misschien nog om
het laatste grapje lacht, hoe mooi eigenlijk

de afwezigheid is van pijn, op die ene minuut na, tergend
afscheid, langgerekt bedoeld om

ons te sparen. Zoals hij reisde, weinig bagage, opeens, de
dag van vandaag altijd morgen. Ook

zitten we weer naast elkaar, het hout donker, de geluiden
gonzend, het glas geheven en beweert hij,

stelliger dit keer, hoe mooi mijn ogen zijn en het leven en
mijn vader en alle keren dat we elkaar zien.

het uitzicht bewaren

Ik zag haar fietsen als een ooievaar op hoge poten, de
vriendin van mijn vader. Ik herkende de

manier waarop ze fietste, met lelijke kuiten in een te
korte rok en te modieuze laarzen. Pas

toen ze naar de zijkant keek, herkende ik haar gezicht.
Daarna zag ik de uitgroei van haar haar, bruin

en grijs te midden van rood en de oude, veel kleinere,
figuur naast haar. Ik vroeg me af hoe

oud zij was en ik vergat hoe oud ik zelf was, ik ging
tellen. Even zinspeelde ik erop het

mijn moeder te vragen maar ik deed niet. Ik noteerde
het in mijn dagboek zoals ik

elke keer dat ik haar min of meer ontwaarde, het lijf
van mijn vader van me wegduwde.

tussen ons en het gebaar

Ik bracht hem het hart in borstplaat, karton, handgeschreven,
reisde naar hem met alle kinderen voor me uit, bij

temperaturen onder nul, in auto’s met minzaam zwijgende
chauffeurs, bij jolige zusters, met verzwaarde

benen, overslaande stem, geïrriteerde bezorgdheid en hield
altijd de afstand bij, de veranderingen tussen

haar en hem, de overeenkomsten tussen ons, de hoeveelheid
boeken als het teveel aan eten op het

volgeladen bord, de diepte van de kloof; ik bracht hem mezelf
en soms keek hij met waterige ogen in mijn

richting en knikte en vaak ook legde hij zijn enorme hand en
ergens halverwege ook wel en pakte en vaak

ook wel miste ik hem enorm maar nooit zoveel als de laatste
tijd waarin het hart alleen op mij wacht en ondeelbaar.

 

(mijn vader zou vandaag 97 geworden zijn, een leeftijd die
hij acceptabel vond)

met flutterig handgebaar

 

Ze wonen tegenover elkaar, twee kamers waartussen
een witte hal waarin ze hun rollators kunnen

keren en mij laten draaien, linksom, rechtsom zodat
ik net nog hun handen kan houden om

ze tegelijk beet te pakken en te vertellen over toen.
Dat lijkt althans de taak en ik neem het

heel serieus, zoals alles. Ik zie hen beiden maar iets
zorgt ervoor dat ze elkaar niet ontwaren,

ik hoor hun beider stemmen maar ze luisteren niet
naar elkaar en ik voel hun handen die

ze zelf niet meer uitwisselen. In mijn vaders grote
verdwaal ik opnieuw terwijl mijn mamma

venijnig knijpt, ik ben ontzettend moe van het staan
daar maar kan ze niet loslaten, tot nu.

je fantasie

De zang juf van de lange richt rechtstreeks het woord
tot mij in de opnamen, ze kent me nu bij naam,

zelf wil hij zijn sessies niet terugluisteren, ik bedenk
me hoe ze eruitziet omdat ik geniet van haar

vrolijkheid, haar complimenten aan mijn kind. Soms
blijft iemand onbekend, een stem die

een heel personage schept en bijna een familielid van
je wordt terwijl je niet weet wie ze is. Dat

heb je met echte familie ook. Maar wat zingt hij dan,
vragen ze, zoals ze er van uitgaan dat ik niets

doe, nou ja, dat schrijven deed je vader ook en hij had
inderdaad geen broodtrommeltje achterop

zijn fiets zoals de rest en ook floot hij niet en wat zat
er eigenlijk in die schatkist in de schuur?

Lang verzonnen wij met hen een onbezorgde toekomst
en deuntjes die je nooit vergat.

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑