Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: pappa (page 1 of 14)

alsof het echt maar heel even duurt

In de herhaling zit het ongemak, het verdriet ook. Terwijl hij
net als toen hij een kind was, de zelfgemaakte pizza’s

belegt met geduld en fantasie en vooral heel veel, vormt zich
de aanklacht die dezelfde is die ik mijn vader

oplegde. Wat moet je met een vriend als je een vader nodig hebt?
Een teveel aan liefde vergroot de schade eerst, dan

beperkt zij die. Goedmoedig slaat hij op mijn schouder zoals
hij zijn eten deelt maar ik word steeds kleiner

en niet alleen door zijn torenhoge lengte die hij overigens van
dezelfde man heeft. Gelukkig erft ook

nonchalance en afwezigheid over, een verkeren in de wolken
hierboven bij voorkeur of een honger die altijd

voorlopig weer gestild wordt. Bovendien vergeet hij alles zodra
hij het gedeeld heeft, alleen ik doe dat niet.

diepteonderzoek

Terwijl ik op de ene plek mijn vader beschrijf in een wel heel
bijzondere entourage van herinnering en verzinsel,

wens en eerbetoon, lees ik op een andere plaats zijn werk. Ik
sjouw boodschappentassen met mappen van leer,

de dure fotoalbums die mijn moeder altijd aanschafte, waarin
hij alle schrijfsels plakte, weliswaar met dezelfde

verkeerde lijm als waarmee ik mijn collages maakte dus met
vlekken van ouderdom en gele rare bobbels maar

op volgorde en alsnog voorzien van een haaltje, sterretje en als
overal met zijn naam, soms voluit, soms alleen Sp

en beginnend met alleen de S. U weet wel, zegt de redactie daar,
wie wij ermee bedoelen. We overdrijven wat, hij

en ik, en ik sla even hard op tafel en herzie een passage, een
tere omstandigheid dit onderkomen van ons.

de plek

Of het genoeg is, weten we niet. We kennen onze honger onderweg
maar we stappen zo stevig door dat we nauwelijks toekomen

aan de rijk belegde boterhammen, bovendien heeft alles zich van
plaats verwisselend door onze cadans, er is

alleen nog de knoop in het plastic zakje. Wellicht kijken we niet eens,
er hangt iets over onze rug dat vergroeid lijkt met ons

lijf. Zo schrijven we ook niets over dat wat we zien: we vinden een
kat terug, verwaarloosd en nat, er staat een paard zonder

benen in een omheind veld, de kinderen zijn er maar zijn ze allemaal
van ons en mijn vader wijst wapperend een bocht aan maar

blijft achter. Ik kom langs het ouderlijk huis en kan mijn ene been niet
voor het andere plaatsen, zet mijn eigen beeld stop, er

ratelt iets. Natuurlijk is het genoeg, het is van een hoeveelheid die
ontroert en minuten lang terugkomt, gistend in je buik.

nu natuurlijk allang dood

Aan het bureau van mijn vader waar de grote zilveren knoppen
de zware, diepe laden bewaakten waarin hij zijn

leven bewaarde samen met wat paperclips, een stempel met
zijn onmogelijke maar indrukwekkende en zeker

illustrerende handtekening, nooit zag ik meer zo’n reuze zwier
terug, een half bewaarde borstplaat, vermoedelijk

een te gulzig gebroken hart, zijn vulpen en potjes inkt, daaronder
de jaarcijfers, het kerkenblad en een getekend

grafiekje waarin iets helemaal bergafwaarts ging, vergezeld met
uitgemergelde koeien en een dwars konijn, wordt

niet aan zijn oeuvre gewerkt, nog niet, maar aan de nalatenschap
van mezelf blijkbaar. De webmaster van M. is zo

vriendelijk mij wegwijs te maken zoals hij dat jaren daarvoor
al deed in een ander grijs gebied, we komen thuis!

alleen een verzinsel

Er stond een witte fiets in de voortuin van het vorige huis,
onbeheerd, modern en simpel en pas toen

ik fietsen ging, merkte ik de stang tussen mijn benen. Ook
ik liet hem onbeheerd achter tot iemand me zei

dat dit de fiets van mijn vader was, dat hij met opzet daar
had gestaan en dat het een teken was dat ik

hem moest vinden, zoeken had ik niet eerder gedaan. Ik
wilde zeggen dat ik toch allang een vader had

gehad en hoe het dan met mijn moeder zat maar ik kocht
een ketting en legde het ding vast. De tuin

overigens veranderd in een fietsenstalling alsof het een
schoolplein was en iedereen met tegenzin

naar school, stiekem rokend en het verkeerde vriendje
knuffelend, de struiken uiteen geduwd.

in de kast

Pratend over ze zie ik hoe ze aan tafel schuiven alsof ze
niet al jaren geleden verdwenen. Zij heeft

rode wangen en een koud neusje, hij schuilt diep in zijn
kraag, verbaasd alsof we hem bevrijd hebben

zonder dat hij riep of klaagde over de omstandigheden.
Ze praten mee, proeven iets, gaan daarna weer,

we zien hen op de rug na en al zouden we willen, niets
haalt hen voorgoed terug, het lukt zelfs niet

te vragen om meer, vaker, langer. Het gesprek duurt een
jaar, op een afgesproken tijd komen we erin

terug, tot zo lang zijn het flarden die als mist boven het
weiland hangen. Hij drijft de beesten in de stal,

zij hangt ondanks alles de was buiten, wij durven bijna
niet van het erf af, er drijft een vlieg in de melk.

mezelf misschien

Omdat ik mijn vader heb horen gillen door het dunne behang,
de ramen klepperend door te tochtstroom, de takken

van de kastanjes roffelend het spookbeeld vergezellend, de
nacht het inktzwarte duister dat boven de velden

bleef hangen, mag ik zelf schreeuwen, mijn schoenen door
de kamer werpen, de bijbel vanonder het

kussen verliezen, de greep op hun handen met een botte bijl
doorklieven, de lakens bevuilen, het kind

kwijtraken. In de beklemmende stilte daarna vonden we alles
terug, hij kauwde traag zijn ontbijt, de kopjes

thee lauw maar recht in hun schoteltje, de gordijnen open, de
deur van het slot, de route langs het water van

hetzelfde aantal kilometers, wind tegen. Het duurde alleen wat
langer alvorens mijn moeder haar mantelpakje vond.

je wordt niet groter dan ooit

Dat pietluttige herkent hij, zegt hij, er is meer, zeg ik.
Dat weet hij wel. Nu wij samen aan

tafel zitten en elkaar niet echt aankijken, zien we hoe
onze vader opstaat, bruusk het laken

bij de punten pakt en het servies meeneemt, de scherven
bij de kruimels in de tuin. En nonchalant,

zeg ik. Dat ook, zegt hij. Soms hekel ik mezelf omdat
mijn manier van schrijven dezelfde is.

Dat overdrevene, weet je wel, dat vloeibare, dat gemak
waarmee. Hij knikt. Bij toeval had hij laatst

nog eens wat brieven gelezen, niemand is zo vlijtig met
zijn eigen administratie geweest. Pas

dan denk ik dat niemand een beter onderwerp is voor
een volgend boek. Precies, zegt hij.

een flard van de blauwe stof

Met wenkbrauwen die aan een staatshoofd uit dat onbegrijpelijke
land doen denken en aan mijn grote vader die,

hoewel hij nooit schreef in een verkeerde tijd geboren te zijn of
te liggen in een greppel zoals ik dat deed, zomaar

over de steppe jaagt alsof hij alsnog, en in een versje van troïka,
sneeuw, sporen van bloed en de naam Wladimir

zijn rol speelt, en hier aanwezig is, lijkt het alsof alles mij al is
verteld. Foto’s vanuit een vroeg Londen, de

jaren dertig, landelijke wijken met tuintjes die aflopen in een water
waar mijn dochter haar was spoelt, kinderen in wit

gesteven jurkjes en broeken tot op de knie en dichteressen met mijn
naam met lange gezichten en grote neuzen die zo

op de hoes van Sad Eyed Lady of the Lowlands voor mijn terugkeer
hadden kunnen zorgen, zwijgend zorg dragend voor.

(naar aanleiding van What you did not tell, Mark Mazower)

het achterland het uitzicht

Strijkend langs de kleine groene blaadjes van mijn kruidentuin,
op zoek naar de gaten makende, gulzige onverlaat, houd

ik alleen de geur aan mijn vingers over en daarmee de herinnering
aan mijn mamma die op haar knieën in het groentebed lag,

haar klompjes onder haar rokken geschoven, en met het schilmesje
de ingrediënten afsneed voor de soep of de

gevulde vleestomaten die uit elkaar spatten in de oven alvorens ze
op ons bord kwamen, en ik huil zomaar omdat

naast deze heerlijkheden al het andere meekomt: zomers die in
de achtertuin gevierd werden, ver uit het zicht van

de dorpsbewoners, beesten die hun warmte aan ons afstonden en
met de bek in onze hand meeliepen, een vader die –

ach, alles was daar nog, en ik zelf, ik zelf, en het land onbegrensd
en voor altijd van ons, licht wuivend en geurend.

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑