Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: herinnering (page 1 of 30)

symbolen uit een andere tijd

Met zijn bril op tafel huilt hij zonder geluid te maken, wrijft
in zijn ogen, laat het haar vallen, kijkt mij aan terwijl

mijn armen te kort blijven, mijn lijf keurig rechtop. Ik heb geleerd
niets te bevestigen, niet dit verdriet, niet dit zijn.

Chronologisch, zeg ik en dwing hem het verhaal af en het duurt
lang voordat hij bij haar uit bed valt, haar lijf

koud. Hij huilt niet om wat er gebeurde maar om wat hij niet deed.
Hij had nog, en dit en dat en hij heeft nooit en

niet voor haar is dit schuldgevoel maar voor zichzelf. Ik vertel hoe
ik bij mijn stervende mamma in bed kroop, een

vogeltje in een roze dekentje, dat helpt, of hoe ik nu veel vaker aan
mijn vader denk dan daarvoor. Later pas

herinner ik me welke mannen nog meer huilden en waarom en of
ik meer vormen van geruststelling kende dan dat ene.

een in beweging

Met de houten breinaaldenkokers van mijn moeder, versierd met
bloemen en bladeren en symbolen uit een andere tijd,

loop ik te sjouwen over de straten van een verpauperde stad, klim
over mensen, brandnetels, lappen, huisraad en straten

en kom uit in een betonnen en ondergronds station. Onduidelijk
is waar ik naar toe ga en waarom ik alle breinaalden

gekregen heb. Vroeger deden we het grapje dat we een breinaald
in onze mouw staken, precies onder onze oksel, alsof

we onszelf doorboorden; ook kon je mikado spelen met reuze
attributen. In ieder geval werd iedereen nerveus van

de snelheid waarmee mijn moeder en ik met de pennen tikten, ook
al zaten wij rustig op het leer in de huiskamer.

Misschien ben ik onderweg daar naar toe, naar haar koele wangen
en onverdroten ijver en dat zachte breigoed in haar schoot.

boven de rest van de wereld

Op een dag zat hij aan tafel en wees naar de kast er tegenover,
de deur piepte en ik liet de inhoud zien. Een van

de schriftjes nam ik uit de volgorde en hij las voor, jaartal niet
noemend, wel de onrust die ik ervoer. Zijn

grote hand lag op mijn woorden zoals die op mijn arm lag of
op mijn rug, licht duwend, en zijn mond bewoog

even traag als bij het afscheid nemen. Dan bladerde hij verder
en nam nog een zin en pakte ik uit de volgende rij

een ander exemplaar. Hij at nooit aan die tafel en nam nooit
plaats tussen anderen en ook zei hij nooit

of iets goed was of af, de stem bleef van eenzelfde diepte. Het
leek alsof hij samenvatte wat een leven lang

onzegbaar bleef. Dan stond hij op en leek groter dan anders,
bewoog die hand en die mond en liet de deur open.

vogels vallen

Allerlei dieren rollen zich in de sneeuw op de stookplaats van
mijn vader, het achterste stukje land dat

afbreekt boven de rest van de wereld. Ik breng ze water met de
kruiwagen, het pad vol as, mijn moeder die me

roept maar onzichtbaar is, de God uit mijn jeugd afwezig. Bijna
voel ik de warmte van het vuur, eigenlijk

ben ik bang voor de beesten. Die droom wordt gevolgd door
een andere, ik noteer ze maar kan ze terughalen

zonder die aantekeningen te lezen, het is als het geschreeuw
door de dunne wanden heen, bloemen van stof

die bewegen en in de nacht zich openen. In de ochtend een grauw
gelaat, soms de details van zijn avontuur, vaker

het stof van zijn dolen door de hel, niemand kon de dorst van mijn
vader lessen noch hem vertellen hoe hij lopen moest.

je moet je focussen

Dat moment, dat bijna te lang durend moment, voordat hij bij je
komt, het lijf dampend en hier en daar nog nat, slordig

bovenop je gaat liggen en adembenemend heet is en precies past
en dan net daarvoor: weten dat hij er is, zich wast

in de ruimte achter de deur, zich nauwelijks de tijd gunt zich af
te drogen, het raam vergeet te openen zodat

de stoom alvast je kant opkomt, nooit zingt maar proest en hoest
en hoe hoog de temperatuur is van het water, weten

dat hij er is en zich op je zal voegen maar niet zeker weten of het
gebeurt, dat ogenblik in de ruimte, de gang

leeg nog, vol van een verwachting die gniffelend in de lakens
schuilt, stil moet zijn voor de kinderen en tegelijk

zo uitnodigend mogelijk en altijd herhalend hoe gelijk onze lengtes
zijn, ons verlangen alvorens zij zich oplost in de nacht.

hoe ik mezelf moet terugvouwen

Dames de B. en Z. zitten in de hal al te wachten, handen in hun
schoot. Mevrouw de B. zou later zeggen dat ze geen

idee had waarop maar ‘zij daar’, wijzend op mevrouw Z., nam
haar zomaar mee en gelukkig ook maar, stralend heeft

ze het over gezelligheid en de enkele goede dag die ze heeft,
vandaag! Na een kwartier moet ze huilen, het

is allemaal niet meer zoals het was en dat gaat gepaard met lange
uithalen, open mond en wegzakken in haar stoel.

Je moet je focussen, zegt mevrouw K., op dat wat wel leuk is en
dat doet de hele groep, ogen bijna dicht of priemend

in mijn open boek en ik doe natuurlijk hetzelfde. Het zijn mijn
vrienden geworden, ze kennen mijn vader, de heer

T. weet zelfs hoe het huis eruit zag waarin ik woonde voordat
ik dat deed en mevrouw V. deelt met mij haar kind.

hij fluit wellicht

De temperatuur zal in die kamer het meest stijgen. De ramen
geblokkeerd door de automatische zonneschermen,

dicht vanwege dreigende tochtstromen, de deur afsluitend, de
hitte vanuit vestjes en vale bruine rokken, de

dikke wollen sokken van de heer B. die wel in sandalen steken
maar verder geen zomer betekenen, het kleur op

kleur verschijnen van mevrouw Z. die met één been onder tafel
schuift en altijd pijnlijk botst, het verband van

de heer T. dat van zijn plaats komt en jeukt en uit het decolleté
van A. die elke maandag zo lief is de koffie te doen.

Om dan te praten over vroeger, het hooiland te missen en het
donker bier, de ruimte om ons heen, het strootje tussen

de tanden en de armen onder ons hoofd of hoe we ontsnapten aan
een bui die reeds dagen over onze velden hing.

vingers in haar oren

Al voordat het begint, is ze terug in de keuken van het eerste
huis, leunt tegen de koele tegels, vingers in haar

oren. Ruim voor de eerste lichtflits, telt ze haar zegeningen want
dat moet, als ze dat doet, kan er niet iets ergers

gebeuren. Ze zegt haar mantra, kijkt soms stiekem tussen haar
oogleden door, wacht af. In alles hetzelfde

kleine meisje van toen. Lang voor de zinderende warmte, ergens
tussen het eerste wolkje in de lucht, soms

ook in elke regenbui, verwacht ze het onheil van boven want het
heeft altijd met iets van haar te maken. Vroeger

zeker, nu twijfelt ze soms. Nu probeert ze alles bij elkaar te houden,
bezittingen, liefde, zichzelf, muren, kunst, de

woorden, ze komt altijd armen te kort. In die keuken daar had ze
nog niet zoveel, dat scheelt. Ze wil weer terug.

een enorm zwart gat

De heer A., die naast me zit en van wie af en toe de hand op
mijn arm verschijnt, noemt een naam die mij

de huiskamer terugbrengt en mijn moeder die vlak op het
radiotoestel haar favoriete taal hoort, zwaar

christelijk en met bulderende stem, doorsneden met lijzig gezang,
dik als het pluche dat over de tafel liep. Daar

zitten ook de andere leden van de groep, de heer T. met zijn voet
in een teiltje, mevrouw V. met een ketting in de

knoop en mevrouw De H. met alle koekjes van het schaaltje. Als
mamma verdwijnt, komt mijn vader die nonchalant

ons achterin zijn auto stopt, de bochten neemt als een held, het
picknickkleed, zwart/wit geblokt, uitspreidt

langs de route en iedereen laat raden naar merk en kleur van de
voorbijganger. Mevrouw De H. voert de vogels.

het laatste licht vangend  

Daar waar mijn Friese familie afscheid nam alvorens weer de
oversteek te maken, dit keer met de witte weke

kadetten en het lichtroze vlees ertussen die de ober zo vriendelijk
in de servetten wikkelde en met meer geluid dan

in het dorp beneden, toeterend en een gesprek nog voerend onder
de raamposten, daar waar mijn zwangere buik in

ivoorwit omhuld omzichtig werd bewonderd, wij elkaar kussend
om de hals vlogen terwijl het toetje brandend

binnengedragen werd, daar waar ik mijn ouders nog had, mijn
minnaar achter een plant verscholen, daar waar ik later

alle dichters ontmoette en alle doden van deze stad en over een
vluchtroute nadacht dwars door het bosje, de

geiten al mekkerend en de ganzen snaterend, komt straks een
enorm zwart gat waarin dat alles verdwijnt.

 

(wand in het trapgat naar de eerste verdieping van Koekenbier,
beeld op de omslag van mijn laatste bundel)

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑