Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: herinnering (pagina 1 van 19)

het achterland het uitzicht

Strijkend langs de kleine groene blaadjes van mijn kruidentuin,
op zoek naar de gaten makende, gulzige onverlaat, houd

ik alleen de geur aan mijn vingers over en daarmee de herinnering
aan mijn mamma die op haar knieën in het groentebed lag,

haar klompjes onder haar rokken geschoven, en met het schilmesje
de ingrediënten afsneed voor de soep of de

gevulde vleestomaten die uit elkaar spatten in de oven alvorens ze
op ons bord kwamen, en ik huil zomaar omdat

naast deze heerlijkheden al het andere meekomt: zomers die in
de achtertuin gevierd werden, ver uit het zicht van

de dorpsbewoners, beesten die hun warmte aan ons afstonden en
met de bek in onze hand meeliepen, een vader die –

ach, alles was daar nog, en ik zelf, ik zelf, en het land onbegrensd
en voor altijd van ons, licht wuivend en geurend.

tussen uitspraak en denkbeeld

Er zit bloed in mijn droom, teveel van dat lichte rode
dat wegsijpelt in sponsachtige onderdelen die

uit het lijf geperst dampend op een schaal voor me liggen.
Er zit te veel bloed in mijn droom, het

gesprek gaat achter gesloten deuren verder maar mijn
gedachten zijn elders, koortsachtig. Behoedzaam

leg ik mijn handen terug op mijn buik. Ik fiets langs de
straten van asfalt waarboven lichtgele bomen

zachtjes hun geur naar me toe wuiven, ik kan fietsen,
zie je wel, er is niets om ongerust over te zijn.

Mijn moeder zal op me wachten met twee plakken koek
bij de koffie en met een koud neusje ergens

in mijn hals, daar stopt mijn pijn. Ik zie wat bleek, zal ze
zeggen, en voor de grap prikt ze in mijn zij.

een inventaris van de levende

De open ruimte is zichtbaar vanaf de zijweg, de
kale tuin loopt nu zomaar over de stoep, weg

zijn alle bloemen die ik op mijn fiets vervoerde,
struiken die in de fietsmand mijn zicht

belemmerden, zakgeld dat verdween in de aarde,
voorbij ook het geknaag van de beesten en

het schuilen dat ik beschreef. De grond van mijn
voorvaderen is omgeploegd en van haar

wortels ontdaan zoals ik verweesd ben geraakt,
een afvallige van mijn geloof, ik kijk zelfs

niet of de haan nog op de kerktoren staat. Het
huis een vierkant blok in een

vierkant veld waar geen kind meer speelt, geen
moeder zich bukt, geen vogel hurkt.

later kwamen daar de bijzonderheden bij

Als je hem lopend over straat tegen was gekomen, een
kleine jongen nog met uitpuilende broekzakken,

een pleister op de ene knie, losse veters en afzakkende
sokken, krullen ernstig in de war en ogen

van het waterblauwe, onpeilbaar diep water waarin
zwarte beesten allang verdronken waren, en

je afvroeg waar zijn moeder was en of hij geen vriendjes
had of wat het was dat hij verzamelde en

schatten noemde dat daar zo in zijn zijden gekoesterd
werd en of hij wel genoeg te eten kreeg, en op

gelijke hoogte met hem, zijn sproetjes tellend, bezorgd
hem dan staande hield, zei hij dat hij

uit Amsterdam kwam en vergat hij moedwillig de vier
straten achter hem en wist zeker zijn bestemming.

en dus staat ze daar nog altijd  

Beheerde ik eerst alleen maar zijn tijd en de personen
die erin voorkwamen, alsof ik bij de ingang van

de bus kinderen telde die later op de grond lagen en
deden alsof er geen thuiskomst was, pleisters

uitdelend met rode viltstift markeringen, giechels in
broeiende hitte, later kwamen daar de

bijzonderheden bij, de attracties als het ware. Ik zette
alles in een rij en maande tot geduld, er

waren ijsjes uit te delen met een dun laagje chocola,
op elke vraag een antwoord. Nu sta ik

aan de kant van de weg en tuur de route af, ik heb de
bomen verwijderd, rood-witte vlaggetjes

verhangen, de zon achter een wolkje verschoven, de
stenen geteld, het zwaaien begint.

terwijl hij zijn benen over de rand van het enorme bed gooide

Vroeger kon ik weglopen, met vaste tred en dansende
haren, en niet omkijken terwijl ik wist hoe

hij daar stond en keek tot ik opgelost was in de straat,
verdwenen met eenzelfde verlangen. Nu

ik hem niet meer bezoek, kan ik ook niet vertrekken,
geen grapjes over hoe de treinen niet

meer rijden, de kat van honger omgekomen, kinderen
verwaarloosd en een moeder reeds in

het andere land. Er zijn alleen nog berichten over de
andere route die ik kan nemen, tijden in de

toekomst of hoe hij een keer deze kant opkomt, heus,
en dat alles meeneemt dat ik vergeten ben,

vragen over dichte deuren, een optelsom van wat we
hadden kunnen doen, terwijl het bed al open ligt.

hij voor mij

De dingen zijn zoals ze zijn, precies even groot als toen.
Hij paste in mijn hand, ik kon nog net een

huppeltje maken aan de stoeprand of met mijn ene vinger
los een kriebel binnen in de zijne. Ook

kleefde er snoep en ander zoetigheid, waarom los te laten,
geen rij voor de speeltoestellen, het gras

hoog tussen de roestige attributen. Opzij kijkend was hij
even groot. Ik lag zacht te wachten op

niemand, de sterren verbonden met potloodlijn, aan het
eind van de regenboog de emmer met goud.

Hij was iedereen. Vlinders op het topje van een neus, mieren
over een blote enkel, madeliefjes die met

een nagel in hun steel doorboord weer aan elkaar geregen
werden, zoemende bijen boven de heerlijkheden.

de geluiden bijna hoorbaar

Duidelijker dan welk woord ook, is het gekras in de
agenda van toen. Dom genoeg deed ik het in

potlood en zacht terwijl zijn pen, vloeiend in een van
de vertrouwdste handschriften, door de

pagina’s heen drukte zoals alles dat we deden in mijn
ziel gekerfd werd of in dat lijf dat zoveel jonger

zoveel soepeler was. Na twee weken hap ik naar adem
terwijl ik maanden van mijn dagboeken

kan verslinden. Hier sta ik stil bij elk gerecht, elke
afspraak, elk gewerkt uur (hij telt ze op), elke

ontmoeting, ieder kind, elke huilbui, vrijpartij, fietstocht,
speeltuin, vriendje, koosnaam (hij voor

mij), elke uitgaaf (hij telt ze op). De streep onder elke
rekensom is van hem, het kruisje erdoor van mij.

je had je nuttig gemaakt

De nacht is voor slapen, niet voor eenarmige bandieten
die me natspuiten met schoonmaakmiddel nadat

ze van een motor afspringen, ik stak plotseling over, me
achtervolgen en later vrienden blijken die

me schuilruimte aanwijzen voor nog grotere boeven. De
nacht is voor slapen, niet voor verhalen die

zich in het verleden afspeelden, nog niet helemaal klaar
blijkbaar, kinderlijk handschrift dat vertelt

hoe klote het was dat hij nooit iets mocht. De nacht is voor
slapen, niet voor reprimandes in de ochtend naar

halve klusjes, lichtzinnigheden, vergeten boodschappen,
achterstalligheden in onderhoud, krampende

delen in het lijf die omkwamen door motorrijders die uit
de bocht vlogen omdat ik op dezelfde weg liep.

de inhoud van zijn heimwee

Er zijn opmerkingen over zomeravonden en de geur van
het weiland, aardbeien die ze stal die

vlekken maakten in haar handen, er zijn kreten over het
hete asfalt van zijn stad, haar schoenen klepperend

over de bruggen, ze is niet gebleven, zij zijn niet gebleven.
Er zijn versjes waarin hij terugkomt, hij

draait zich om en om, verwart zich in de dekens, haar, hen,
voelt hoe ze op hem klimt, wat heb je aan

liedjes als je ze niet kunt zingen, iemand neuriet, hij heeft
last van zoemende muggen die met

de warmte paren, ziet opeens het rood tussen haar vingers. Er
zijn vragen die hij zich nooit stelde, besluiten

die hij nooit nam, opeens is de tijd stil blijven staan op dat
ene beeld dat doorbrandt en ratelt, die hitte toen.

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑