Er zijn dichters die met weinig bundels een groot gebaar maken. Er zijn ook dichters die juist door hun volharding, door hun dagelijkse aanwezigheid, langzaam een eigen landschap aanleggen. Alja Spaan hoort bij die tweede soort, al is ‘tweede soort’ hier misleidend. Wie sinds 8 april 2006 elke ochtend een gedicht op haar website publiceert, doet iets wat veel verder gaat dan discipline. Het is een manier van leven geworden. Een vorm van waarnemen. Misschien zelfs een poging om de tijd, die alles meeneemt, elke dag heel even bij de mouw te pakken.

Spaan werd in 1957 geboren in Sint Pancras en schrijft, zo staat in haar biografie, vanaf haar elfde dagelijks. Dat ene woord — dagelijks — is bij haar belangrijk. Het klinkt eenvoudig, bijna huishoudelijk, maar het zegt veel over haar dichterschap. Poëzie is bij haar niet alleen het eindproduct dat in een bundel belandt. Het is ook het ritme waarmee ze naar de wereld kijkt. Ze schrijft alsof het leven anders te snel in losse stukken uiteenvalt. Alsof er elke ochtend iets gered moet worden: een zin, een herinnering, een beweging van iemand in een kamer, een moeder, een oude vrouw, een hond, een landschap, een tafel waaraan ooit mensen zaten.

Opmerkelijk is dat Spaan zelf liever het woord schrijver gebruikt dan dichter. Dat is geen koketterie, maar een aanwijzing. Haar poëzie heeft vaak iets verhalends. Ze mijdt het grote dichterlijke effect, het nadrukkelijke beeld, de versregel die zich op de borst klopt. Haar zinnen bewegen eerder als herinneringen: tastend, associatief, soms bijna pratend, maar ondertussen veel geraffineerder dan ze op het eerste gezicht lijken. Haar poëzie klinkt vaak alsof iemand zachtjes denkt terwijl ze spreekt. Juist daardoor komt de spanning langzaam binnen. De lezer wordt niet bij de hand genomen naar een afgeronde gedachte, maar een huis binnengeleid waar in elke kamer nog iets ligt dat niet is opgeruimd.

Dat huis is bij Spaan nooit alleen een metafoor geweest. Haar huis in Alkmaar werd Atelier9en40, een plek waar kunst- en poëzieprojecten ontstonden, waar ze anderen uitgaf en zichzelf. Daarin tekent zich al iets af wat haar werk en haar houding in het literaire veld kenmerkt: ze schrijft niet in afzondering om vervolgens af en toe naar buiten te treden. Ze bouwt ook plekken waar taal kan circuleren. In Alkmaar organiseert ze Reuring, een taalplatform dat dichters een podium geeft. Daarnaast is ze voorzitter, coördinator en hoofdredacteur van het literaire e-magazine Meander, verbonden aan het Dagboekarchief, bestuurslid en dichter bij de Eenzame Uitvaart Alkmaar en lid van het comité van aanbeveling van het Grafisch Atelier Alkmaar.

Dat is veel. Misschien te veel, zou je kunnen denken. Maar bij Spaan lijkt het niet los te staan van haar schrijven. Het gaat telkens om bewaren, doorgeven, aandacht geven aan wat anders gemakkelijk verdwijnt. Een dichter bij een eenzame uitvaart doet in wezen iets wat ook haar poëzie doet: aanwezig zijn namens de taal op het moment dat iemand anders dreigt te verdwijnen zonder getuige. Het gedicht is dan geen versiering. Het is een laatste vorm van menselijkheid.

Haar eigenlijke, volwaardige debuut als dichter kwam relatief laat, met Misschien moet alles eerst op tekening hersteld in 2017. Alleen die titel al klinkt als een programma. Eerst moet er iets op tekening hersteld worden. Niet in de werkelijkheid zelf, want die laat zich zelden herstellen, maar op papier, in taal, in de verbeelding. Daarna volgden Tegen het vergeten en voor de behoedzaamheid in 2018, Losse Honden in 2021, Het langzaam voorovervallen in 2023 en in 2025 Iets dat op een route leek en een kaart van die andere wereld. De titels vormen samen bijna een zelfportret. Tegen het vergeten. Voor de behoedzaamheid. Losse honden. Langzaam voorovervallen. Een route die misschien geen route was, maar wel een kaart opleverde van een andere wereld.

Wie haar bundels leest, merkt hoe vaak Spaan schrijft vanuit de rand van verlies. Niet met grote dramatiek, maar met een opmerkelijke aandacht voor kleine verschuivingen. In Het langzaam voorovervallen klinkt de ervaring door van het voorlezen aan ouderen in een zorginstelling. Dat onderwerp had gemakkelijk sentimenteel kunnen worden. Bij Spaan gebeurt iets anders. Ze schrijft over aftakeling, herinnering en nabijheid zonder de mensen over wie ze schrijft te verkleinen tot hun kwetsbaarheid. Ze kijkt goed. Soms genadeloos goed. Maar nooit zonder tederheid.

Ook haar meest recente bundel, Iets dat op een route leek en een kaart van die andere wereld, is nauw verbonden met herinnering en familie. De bundel is opgedragen aan haar moeder en beweegt tussen autobiografie en verbeelding. Juist daar ligt een kracht van Spaan: ze schrijft persoonlijk, maar niet particulier. Het eigen leven wordt niet uitgestald als bekentenis, maar onderzocht als materiaal. Wat is een herinnering? Van wie is een moeder nog, nadat zij gestorven is? Wat blijft er over van een route wanneer degene die meeliep er niet meer is? En hoe betrouwbaar is de kaart die we achteraf tekenen?

Daarom verdient Alja Spaan aandacht. Niet omdat ze zich nadrukkelijk presenteert als groot dichterlijk gebaar, maar omdat haar werk iets doet wat in deze tijd zeldzaam is: het houdt vol. Het blijft kijken. Het blijft noteren. Het blijft de wereld aanspreken, ook wanneer die wereld uit ouderdom, verdriet, vergeten, eenzaamheid of onhandige liefde bestaat.

Haar poëzie vraagt geen luide lezing, geen podiumlicht, geen plechtige stilte vooraf. Ze vraagt eerder een stoel aan een tafel. Iemand die gaat zitten. Iemand die bereid is de zinnen niet te snel te begrijpen. Want onder de gewone spreektoon van Alja Spaan ligt een dichterlijk terrein waarin het alledaagse telkens iets onrustbarends krijgt. Een keuken is nooit alleen een keuken. Een moeder nooit alleen een moeder. Een hond nooit alleen een hond. Een oude vrouw achter glas nooit alleen een beeld uit een coronajaar.

Misschien is dat de reden dat haar dagelijkse gedicht zo goed bij haar past. Elke dag opnieuw een poging. Niet om de wereld mooier te maken dan zij is, maar om haar behoedzaam te benaderen. Tegen het vergeten in. Tegen het achteloze in. En voor alles wat nog net kan worden opgetekend voordat het uit het zicht raakt.

 

© Pieter van Knippenberg, mei 2026
J.C. Bloemstichting