Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: liefde (page 1 of 26)

het bestaan van engelen

Niets erger dan de verbinding verliezen zonder dag te zeggen,
zonder te zwaaien en kusgeluiden te maken,

zonder bijna tranen in de ogen, zonder wegfloepen van het
beeld, alles naar het midden gezogen en tot

het laatste lichtpuntje even zichtbaar nog. Vergelijkbaar met
het beginnen zonder te schrijven of weg te gaan

zonder dit te melden, de dag leeg als de datum, geen tastbaar
bewijs van aanwezigheid, geen thuiskomst

ook. Het eerste is per ongeluk, te wijten aan de techniek die
elke afstand moet overbruggen, het tweede is

van minder belang zijn, een ochtend waarop je vergeten raakt,
een nonchalance waarmee je de hoek omvliegt,

niemand immers die je nazwaait, nog iets aanbrengt, achterop
springt, zelfs niet je wiel plagerig tegenhoudt.

als de nacht zich herhaalt

Als ik hem in de ochtend vasthoudt, mag ik niet loslaten, we
rijden in een trein, we zijn, zegt hij,

nog niet bij een station. Uit zijn oplichtend mobiel komt een
herhalende cadans van spoorgeluiden, zelfs

de fluit van een locomotief, het stampen van de wielen, nu,
zegt hij, gaan we over een brug. Er zijn wat

vage bijgeluiden die hij niet hoort maar ik wel. Ik denk aan
het controleren van de kaartjes en wat

etenswaar in een rieten mandje, drank en een halve worst die
je deelt met de buurman. Hij slaapt. Bij

elke beweging van mij omklemt hij mij, er is nog een hand over,
ik schrijf ermee terwijl ik op zijn rug de zon

teken die er later echt is. Ik zet koffie, doe de gordijnen open,
verover de wereld alvast, hij is nog onderweg.

morsend

Terwijl hij nog slaapt, vertel ik het u: er is niets veranderd aan
zijn lichaamstemperatuur, de hoeveelheid haar, de

bewegelijkheid van sommige ledematen, de inzet waarmee hij
zijn klus doet, de woordenstroom bij dat alles hoewel

dus nu nog even stil, noch de bedoeling van het een en ander.
Niemand heeft het over liefde overigens. Ik

serveer een beschuitje bij het kopje thee als de nacht zich herhaalt,
hij is altijd bang voor het donker terwijl de ochtend

dan al boven dit scherm uiteenvalt in licht en woorden, mijn haren
kleven aan het witte beeld en handen wapperen

voorbij de zwarte stammen buiten. Hij kreunt, draait zich, het is
nog lang geen tijd, hij vertrekt pas na de koffie, zo

ergens tussen middaguur en avond en ik hoef alleen maar terug
te rennen naar iets dat daar gisteren al lag.

de kras die tien bladzijden verder nog voelbaar is

Dat je een van die fragmenten eruit zou kunnen halen, vastzetten,
bevriezen, in langzame en herhaalde beweging zou

kunnen reproduceren, nu na al die jaren nog, en welke dat dan
zou zijn. Voor alle drie dezelfde intentie en goede

bedoeling, kinderen nog, hangend aan je benen, op je afrennend
als ze je zien, op je schoot slapend of met

knellende armen om je hals, kilometers lang. Bij de een op het
stoeltje voor het aanrecht, zijn tekening onder de

kraan zodat de pappa zou denken dat hij gehuild had, bij de ander
bij de honderdste vraag waaraan te denken zodat

ze slapen kon, op elke krakende traptree naar boven kijkend of
haar ogen al dicht waren, bij de laatste

gehurkt voor de wc pot, armen om zijn knieën, het ene grapje
na het andere, tot hij losliet, alles, zoals ik uiteindelijk.

iets over die bomen of hoe hoog we nu zitten vandaag

Soms verplaats je jezelf in zijn geheel, niet eens daadwerkelijk
maar in gedachten zoals dromend bij een muziekje

naar keuze, een man naar je hart, soep naar je smaak. Soms ook
neem je jezelf echt op en zit je pas weer

meters verder neer, te wakker om nog iets te wensen, gespitst op
bijgeluiden en vreemde geuren, kleverige handjes

in je nek, flemende stemmen die om ‘de allerlaatste vragen’, keer,
boek, kus, cadeautje. Als je je klein maakt, waai je zo

met ze de hoek om en misschien kom je in een land dat je niet
eerder kende, juist omdat je je ogen open hield.

Vaak ook doe je alsof, je denkt sneller dan je je verplaatst, er blijft
een been achter, een arm houdt vast, trekt zich

tergend langzaam uit, wist je dat ook kleine kevers moeders hebben
die hun pootjes tellen alvorens te slapen?

een belofte tot beterschap

De taalvaardigheid die een recensent noemt, is niets meer dan
de poging die ik jaren geleden deed zijn beste en

enige vriend te winnen voor het leven. Eindeloos lang berichtte
ik hem vanaf mijn buik en uit mijn bed de redenen

door te rijden, hij was er bijna, het lijk van zijn vrouw leek nog
op de leren achterbank te liggen van zijn bolide,

de kinderen ontroostbaar plaatjes plakkend op de zijramen, de
tegenliggers tellend, toeterend, ontwijkend, de

bergen hoog, de dalen gevaarlijk daarnaast. Uren praatte ik in
op zijn onwilligheid, zijn hardheid, blinde vlek

en blaffende hond, daar leer je van te schrijven, niets had te maken
met de vorm waarin. Ik was bloot en lag hem te

verlangen, hij was onderweg en wilde niets. Zo ontstond het rijm,
afwezig voor de lezer, slechts een behoefte van mezelf.

andere willekeurigheden

In de droom troost ik door zijn hand te houden, bang als hij
is, het is hetzelfde als tegen de kussens aan liggen

en doen alsof een lief daar slaapt of liever wakker nog. De
angstige vriend in de nacht met wie ik

rennend over pleinen en door straten ga, met wie ik me schuil
houd en verkleed een andere keer de deur openzet,

die huilt en die mijn vingers over zijn wang voelt glijden of
mijn tong likkend, ben ikzelf, het bed is

immers leeg. Het doen alsof, zowel de reddende engel zijn
als de belaagde, zowel het gevaar als de

geruststelling, is een dubbelrol die ik slapend en helder een
volgende morgen, gewend ben. Hij bedankt

me, daar, vannacht, ik zwaai mijn benen over de rand en ren
een nieuwe dag in, de dreiging blijft.

geven slechts door wat anderen winnen

Dat je thuis bent en in je stoel zit en denkt ‘was ik maar thuis’,
zegt hij, of ik dat ook wel eens heb? Ik zie

de kamers van weleer, de hoge witte wanden, maar ook mijn
moeder en haar breiwerk, mijn vader in zijn boeken,

een autotijdschrift, zegt hij nu, er lag altijd een nummer op de
tafel, zaten ze eigenlijk naast elkaar? Of hoe er

nu een witte hond zijn poten legt op onze vensterbank en blaft
naar de voorbijgangers, onze kat flirtte vaak,

er werd getikt tegen het glas, kinderen stonden stil. Dat ik alleen
maar thuis ben bij jou, denk ik dan en hij,

dat hij gerust niet alles zegt, maar in zijn handen tussen ons ligt
het onzegbare en ik heb immers zijn handen vast.

Ja, zeg ik. Zijn haar nog nat en achterover gestreken is hij zowel
mij als mijn ouders, jong en oud, daar en hier.

andere bewijzen

Het vers lijkt nooit leger dan nu de velden wit berijpt zijn,
aan elkaar grenzen zonder bedoeling, de mensen

thuishouden, de lijven huiverend van extra lagen voorzien.
Juist nu is het overzicht loos, strekt zich

van duin tot straat, rolt zich zonder begin en eind voor deze
voeten, mist zin en betekenis. Te koud zonder

jou. Waar het over ging, het warme plukje adem in een wolkje
boven je mond, de kleverige handpalm, de

gunstigste temperatuur net onder je krullen in je hals, is niet
meer te meten, ik haal de wintertruien uit

de kast. Het wachten is op gunstiger tijden. Morgen misschien
rijgen deze regels zich weer om jou zodat

een ieder zich kan warmen. Morgen misschien bereikt de zon
een hoger punt en vult de kamers van je hart.

lege natte velden

Er zou een foto moeten zijn waarop zij hem hoog houdt, een
stralende zon, een jurk met bloemen maar dat beeld

bestaat niet, hij heeft er lang naar gezocht omdat hij dacht zich
te herinneren hoe dicht hij bij die warmte was

geweest maar er is niets. Daarna ging hij andere bewijzen na:
er zou een flard film zijn waarin zij hem op schoot

heeft en tegen zich aanhoudt, hij kraait, maar ook dat half zingen
van hem had hij nooit gedaan of dat misschien

nog wel maar dan bij een boterham met stroop, een tomaatje met
suiker, een treintje over de rails, de staart van

een hond. Weer later is alles het tegendeel, zij heeft nooit bestaan,
hij was er nauwelijks, zij was er nu juist wel maar

hij was er niet, zij had hem omgebracht in al die stilte en van
bloemen had ze nooit gehouden, ook niet van zon.

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑