Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: liefde (pagina 1 van 25)

de gewenste positie

Het onderwerp is uitgesleten zoals de handeling, glad als
een steen die te lang onder een miezerend straaltje

water heeft gelegen, met eenzelfde lichte glooiing waarmee
de rug overgaat in de bilpartij. Om te strelen

zo mooi en toch niet meer de begeerte opwekkend die het
vroeger deed. Ze ligt daar maar. Anderen

zien haar eerder, niet dat hij niet kijkt maar op het netvlies
staan voorgangers en niet eens keurig op een

rijtje en wat doet buurvrouw K. daartussen, zijn moeder of
het meisje in de melkwinkel van D., die nu

natuurlijk allang dood is. Alleen die beelden blijven, hij
schat zichzelf veertig of misschien twintig, kijk

hij had nog die enorme krullen en let op dat nonchalante
waarmee hij op haar ligt alsof ze er altijd zou zijn.

op hoge lussen van een letter

Mevrouw K. die ook schrijven kon en in al haar roze
zachtheid is blijven steken, licht nasnikkend

en handen wrijvend, zal nooit meer bedanken voor mijn
stem. De plastic bloemen die aan de zijkanten

van haar rollator hingen, bungelen nu aan die van de heer
B. die niet gedacht had, zo zegt hij me,

zoveel van iemand te hebben kunnen houden, zo aan dit
einde van de rit. Ik mag gerust Kees zeggen

nu. Ik had zo geoefend op uw naam, zeg ik, ik op de
jouwe, zegt hij, en noemt me Sandra.

Vorig jaar stond ik op de zijkant van zijn hand; de pen
noteerde tevens de aantallen luisteraars terwijl

zij uit haar hoofd het versje uit haar jeugd citeerde: God
zou haar thuisbrengen, alleen wist ze niet wanneer.

een opstandige periode

Als hij mijn plaats in de tijd kwijt is en eigenlijk ook zijn
eigen markering in de tijdlijn en ik onbestemd

door zijn geschiedenis rol, is ook de toekomst een zwart
gat dat zonder knal weliswaar en al reeds

ontstaan een vorm van nadenken wordt, een meditatief
gebeuren als een muziekje onder wat tekst,

een juist woordje op hoge lussen van een letter, een wuivend
handje achter een gordijn als bij een ongeduldig

en nerveus optreden van een kind op een omgekeerde emmer
die voor een tijdelijk maar wiebelend

succes zorgt en waarvoor de knuffelbeesten in het gras hard
stampen, sissen en applaudisseren; nu

nog een koprol en een buiging en we zijn al klaar voor alle
dagen van week, jaar en leven.

ze weten zondermeer wat er speelt

Bij de huizen die ik passeer, zie ik mijn eigen adem nog kringelen
uit het badkamerraampje samen met de rook uit het

gestookte hout, de stoom van het troostende bad, de warmte van
een levenslange liefde; de geluiden uit de keuken

klinken nog, de geuren hangen blijvend in de voegen alsook de
misverstanden, verwijten, wensen, het speeksel, zaad,

het tranenvocht. Opgenomen door de tijd geeft ze nu pas betekenis
aan al die landverhuizingen, constructies, medestanders,

deze herinnering alsof het gisteren was. Tegelijk met het orgelspel
uit de kerk die ik passeer, hoor ik deuren slaan, het

getrippel van kattenpoten op de trap, de claxon van mijn vader als
teken van vertrek, vragen uit een naburig huis.

Er is een kind dat buiten wil spelen. Ook zie ik mezelf vergeefs
aanbellen bij mijn eigen voordeur om te smeken of zij mag.

stippen die sprongen

Mijn ergernis aan de geheimen komen uit een fluisterende
moeder die met rode wangen en vinger tegen

haar lippen haar ervaringen deelde in de hoop dat we vanaf
dan de allerbeste vriendjes zouden zijn. Mijn

vader deed hetzelfde maar dan hardop en het liefst tijdens
koude wandelingen met druipende neuzen.

Ik weet dat ik het ook doe. Mijn kinderen hoeven de bundel
niet eens uit het pakpapier te halen, de kast niet

uit te ruimen, ze weten zondermeer wat er speelt. Ook betrap
ik willekeurig anderen op dezelfde wens: smiespelend

willen ze bevriend zijn met de barista, de kunstenaar langszij,
de reiziger zonder bagage, de man van belang,

en alleen maar om die schijnbare gezamenlijkheid die oplost
zodra ze uit beeld zijn en de adem stolt.

kiekeboe

Nederland ligt maar een wijzend jongenshandje weg, net
onder het thuisland van de stinky mouse, de

gesprekken via Skype is televisie on demand, mijn tekeningen
die hij eerst zachtjes van mijn lijf af wil vegen

zijn stickers die hij later vanaf het raam trekt en op zijn armen
plakt en alles is een cadeautje dat hij deelt

met de slapende, fronsende broer die zich laat wiegen in de
voorbijkomende familieleden, ach het is –

zo zou de grootvader zeggen op de terugreis – typisch iets
voor jou dit zo te benoemen. Hij puft kleine

wolkjes stoom boven de toxic air uit terwijl we elkaar volgen,
een onverzettelijkheid die vanzelfsprekend is.

Echt iets voor jou, denk ik maar ik zeg het niet. We verdwalen
namelijk niet en rechtdoor is vooral vooruit.

die gouden toekomst

Verlegen zal hij zich verstoppen tussen deurpost en kapstok,
tussen speelgoed en boekjes, dierfiguren op het venster,

achter zijn broertje, zijn moeder, de wagen in de gang, zijn
handjes, ik zal vanuit het zwarte scherm

stappen en opeens kiekeboe roepen en pas op de grond, naast
de zojuist aangelegde spoorlijn, aanraakbaar zijn en

echt. Dan zal hij mijn naam noemen en combinaties maken
met banaan, baby en het mannelijk gezelschap dat

eveneens over de grond kruipt en stoomgeluiden maakt, de
trein vertrekt, er zijn heuvels waarover en tunnels

waaronder door en bij zekere aankomst wordt er gekust, lippen
tuitend, en gegiecheld, zeven plastic kippen

naast de overgang, broodkruimels op de wissel. Daarna lezen
we, verslaan monsters en meten onze neuzen.

(de komende dagen zijn wij overzee)

poses en posities

De vragen die hij heeft en het gebrek aan medestanders stuurt hij
mee met zijn laatste beelden waarbij het onduidelijk is

of ik moet inkleuren, bijstellen, het tempo vertragen of gewoon
plaatsnemen in het publiek, op het puntje van mijn stoel.

Beide zaken liggen in een onbeantwoord verleden, een kind moet
een ouder hebben dat hem bij de hand neemt en

geruststelt, met een vinger wijzend naar de lucht om ons heen en
daarboven en desnoods verzint dat er altijd over

en voor hem gewaakt wordt, niet dat hij dat geloven zou. Zoveel
is duidelijk: er was nooit een voorbeeld, nooit

die hand, niet die troostende uitkomst op een probleem en waar
zouden we allemaal blijven, tenslotte, uiteindelijk,

zoals een kind weet dat het nooit past, daarboven en met ons allen
en een tijger nooit toelaat ernaast te liggen en te slapen.

niet van het uitleggen

Scott die de s met hem associeert en mij met een opa en
elke keer dezelfde volgorde neemt in bomen,

foto’s, sterren en maan, auto’s en dan de koe, de eend in
het bootje en de poes, vergezeld van het ‘please’

waarmee hij ons ritueel een reden geeft. Twee letters die
hij nu leest op het toetsenbord onder onze

werelden, de r is voor zijn moeder zoals hij telt: twee rode
wagens, twee groene trekkers, drie mensen

in zijn kamer, zich krullend op de baby, kusjes gevend.
Zoals de ene taal hoort bij buiten en de ander

bij binnen, is er die vanzelfsprekendheid dat elk pluisje
in de prullenbak terecht komt, elk liedje

om te dansen is, elk boekje op je buik gelezen moet en
oma’s dus samenleven met afwezige grijze heren.

hoe oranje rood wordt

Ze hadden geen uitzonderlijke lijven, geen verblindende
schoonheid, ze waren niet jong en hun jurken

hingen doelloos om hen heen maar taal liet hen slingeren
om elkaars heupen, voeten wrijvend tegen

elkaar, haar dat glanzend omlaag viel, lippen stukgebeten,
herkennen tot het laatste moment. Niet

mee te kunnen daar en toen, spijt voor niet getoonde moed,
op de bank met een veldboeket waarvoor je

niet eens meer bukkend over de aarde naar haar toe kon.
Kamers die grenzend aan elkaar alleen

openden bij een klop op de deur, handen onder tafel, het
gesprek altijd afwendend, kijk hoe bijzonder die

ander is. De mooiste voor haar, altijd jong voor haar, het
laatste woord altijd voor haar, ook nu.

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑