Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: liefde (pagina 1 van 21)

gebedel aan zijn voeten

Je had liever de nacht, het donker dat langzaam alle kieren
opvulde, over je heen boog als een moeder die

je instopte, nog even trok aan je lakens en dan een kus op
je voorhoofd plaatste, ik liever de ochtend,

bang voor het zwart en de beesten nu onzichtbaar. Jij stelde
de komst van het licht uit, kroop onder

het kussen, ik zwaaide mijn benen meteen over de rand,
liever had je ze om je heen gehad alsof we

beiden dat moment van leven even konden uitstellen, ik
praatte, jij zei niets. Ook had je zoveel liever de

zeldzame bloemen tussen de rotswand en huppelde ik tussen
de madeliefjes in een wei, er waren er

veel te veel, je beweerde dat je geen moeder had gehad. Vaak
gleed ik terug onder de dekens en kuste je.

ver uit het zicht van

Ik ben altijd alleen, weet je dat en ik draag altijd alleen
jouw vertrek met me mee en ik kan het

opschrijven en je kunt het lezen en voelen, zeg je, ik kan
het bijna voelen want het was zo en niet anders,

maar niemand corrigeert die feiten en geen enkel persoon
komt ervoor in de plaats, mooi gevoel

schamper ik, fijn leeswerk, verzin nog eens wat. Het was
niet je bedoeling, zeg je. Ik ben gemaakt voor

dit alleen zijn, ik praat tegen het papier, ik kras tegen de
ruit, ik druk je weg zodra je kopjeduikelend je

kunsten vertoont, geen enkele moeite, zeg je. Het zou iets
zijn waarvoor ik je bedanken moest. Nee,

je hoeft niet te komen, je weet niet waar ik ben, oefen nog
maar wat in het je bewegen van hier naar daar.

niet rechtdoor maar plotseling linksaf

Ze had mijn vader verzocht naar mij toe te rijden, de
dorpsweg af, de stad in en met haar uit te stappen,

voor mijn deur te wachten en naast haar te blijven staan
zoals hij uit zichzelf altijd al deed, ze had

haar puntige vinger op mijn deurbel gelegd en nogmaals,
ze had zich gemeld door het rooster naast de bel,

ik was naar beneden gekomen, had hen daar zien staan
en ze niet uitgenodigd naar boven, ze had

een zomerjurkje gedragen en hij had zijn hemdsmouwen
naar beneden geduwd, ze had haar zonnebril in

haar tas gedaan, ze zei ‘ik heb zo’n verlangst naar jou
en ik had haar niet binnen gelaten en dus

staat ze daar nog altijd en na al die jaren klinkt nog dat
halve Fries en verlang ik niets meer dan

haar binnen te laten, omhoog te duwen mijn trappen op
en haar te zeggen hoeveel, hoeveel ik van haar hou.

hij voor mij

De dingen zijn zoals ze zijn, precies even groot als toen.
Hij paste in mijn hand, ik kon nog net een

huppeltje maken aan de stoeprand of met mijn ene vinger
los een kriebel binnen in de zijne. Ook

kleefde er snoep en ander zoetigheid, waarom los te laten,
geen rij voor de speeltoestellen, het gras

hoog tussen de roestige attributen. Opzij kijkend was hij
even groot. Ik lag zacht te wachten op

niemand, de sterren verbonden met potloodlijn, aan het
eind van de regenboog de emmer met goud.

Hij was iedereen. Vlinders op het topje van een neus, mieren
over een blote enkel, madeliefjes die met

een nagel in hun steel doorboord weer aan elkaar geregen
werden, zoemende bijen boven de heerlijkheden.

zelden werd je zo zacht gekriebeld

Het is geruststellend in haar keuken te beginnen
waar het gestolde beeld van mijn kleinzoon,

scharrelend tussen zijn autootjes en half lachend,
mij aankijkt vanaf het scherm. Het scheelt

te weten dat zij daar straks met haar dikke buik
tegen het aanrecht leunt voor de eerste

koffie en hem zijn ontbijt geeft, de geluiden bijna
hoorbaar van over zee en langs de vele

trappen, het tevreden murmelen en snoepen gevolgd
door de hectiek van aankleden, schoenen

zoeken, wagen naar beneden tillen, kind naar beneden
tillen, zichzelf, hakjes op de straatstenen, hand

in hand de eerste meters, omdat haar handje ooit de
mijne vasthield en ik dat nog voelen kan.

de inhoud van zijn heimwee

Er zijn opmerkingen over zomeravonden en de geur van
het weiland, aardbeien die ze stal die

vlekken maakten in haar handen, er zijn kreten over het
hete asfalt van zijn stad, haar schoenen klepperend

over de bruggen, ze is niet gebleven, zij zijn niet gebleven.
Er zijn versjes waarin hij terugkomt, hij

draait zich om en om, verwart zich in de dekens, haar, hen,
voelt hoe ze op hem klimt, wat heb je aan

liedjes als je ze niet kunt zingen, iemand neuriet, hij heeft
last van zoemende muggen die met

de warmte paren, ziet opeens het rood tussen haar vingers. Er
zijn vragen die hij zich nooit stelde, besluiten

die hij nooit nam, opeens is de tijd stil blijven staan op dat
ene beeld dat doorbrandt en ratelt, die hitte toen.

de verkeerde persoon

Ik probeer me te herinneren hoe vaak ik bij haar
kwam, de ongelukkige moeder van de een,

het rommelig huishouden, de ouderwetse wagen
waarin haar eveneens ongelukkig kind licht

schommelend aan haar voeten stond, en wanneer
ik haar voor het laatst zag. Later op

de avond meen ik dat ik haar een brief schreef nadat,
me schuldig voelde voor niet nog een bezoekje,

het ontbreken van de juiste woorden, het afslaan van
de wijn, het hoesten in haar rook, ik

google het kind. Zo zijn er meer die verdwenen van
het schoolplein. Vrouwen die voortijdig

en altijd het tekort wisten van die liefde die zo fel
en onbaatzuchtig door hun lijf trok.

een volgende aflevering

Hij heeft het over kwaliteit van leven en hoe een aantal
dingen die kunnen verhogen zoals hij

het heeft over het door mij afbreken van zinnen die hij
vervolgens dan niet kan lezen. Als ik nu maar

hem zou voorlezen, dan was er niets aan de hand. Er
waren altijd bepaalde voorwaarden tot dat

leven, zeg maar. Verlengsnoertjes van werkkamer naar
keuken, stopcontacten tegen de plint, prijsjes

op mijn producten, het veronachtzamen van kat, kind
en moeder, het bij elkaar houden van mijn

benen, het vergelijken van verten, luchten en contracten
en zeker het liefhebben van mezelf, niet dat van

boze mannetjes die probeerden het mij makkelijker te
maken en heus zonder enig noodzakelijk belang.

het logboek van zijn onderneming

Omdat we een moment lang dachten, nee, zeker
wisten dat de wereld stil zou blijven staan,

wij naar beneden vielen, hij in stukken, ik heel
er achteraan, krijsend, is de rest van

de tijd een andere, nieuw en vreemd en slecht
passend. Ik probeer een andere volgorde,

zoals op handen lopen met het haar slepend over
de grond, een toetje in de ochtend, een

streep door mijn overvolle agenda, de zon in de
nacht. Was je erg bang, zullen we

morgen niet vragen, wil je alsjeblieft nooit, zullen
we morgen niet noemen, ook niet heb je wel

mijn naam bovenaan staan, weet ik wat ik moet
doen, ga je asje alsjeblieft nooit, nooit?

per ongeluk met natte vinger

Zomaar is de avondlucht, dampend en kil, dezelfde die om
het oude huis hing waar ik deuren nog moest

afsluiten, in alle dromen hangen ze los in hun sponningen,
en waar je met toegeknepen ogen in het veld

rondom altijd ongewenste indringers ziet lopen, de was van
je moeder ziet wapperen, hem ziet als laatste

bezoeker en zomaar ook mijn hart vol tranen. Zo traag als
ik wegfiets, de treinen leeggestroomd, zo

snel neemt de heimwee bezit van me, benen zwaar en banden
bijna leeg. O om dat alles mee te kunnen nemen,

hen bij de hand, en van het ene land naar het andere te kunnen
gaan en door de flarden mist voorgoed de

contouren te herkennen van je eigen thuis, niemand onwelkom
en deuren altijd open, hij als eerste bewoner.

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑