Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: liefde (page 1 of 29)

zodat het leek alsof

De eerste vragen betreffen de nazaten die zo liefderijk en vaak
worden opgevangen, wat zijn ze toch leuk en

wat zal ik genieten nu ze in de buurt zijn, wat maakt het mij
jong en hoe goed staat het me. Als tweede

wordt bijna niet meer naar de staat van poëzie gevraagd, niet
meer naar de vanzelfsprekendheid van

het schrijven maar voetstoots wordt aangenomen dat het over
hen gaat nu, veel vaker althans. Een beetje

zoals ik de levens invul van de ouders die ik tegenkom in de
speeltuin en zeker weet welke pappa straks

vergeefs probeert een band met zijn zonen op te bouwen, welk
kind de schoolklas gaat terroriseren, welke

moeder promoveert op het moederschap alleen en welke oma
haar vocabulaire verkleint tot murmelende kooswoordjes.

een jengelend kind

Bovenop de schone, gestreken was twee gehaktballen, nog
dampend, in een plastic zakje met een knoop.

Tussen de overhemden een krantenartikel met opgewekte
strekking, ‘hoe er iets moois kan ontstaan in

een wasserette’, de sokken bij elkaar gezocht en verdeeld
over de hoeken, die met de gaten zal hij missen.

Bij de deur een glas water, geen zin in meer, even een lange
omhelzing, even quality time, even sharen.

Later een melding op het schermpje, iets van excuses en
houden van. Bij de ballen kocht hij iets

gezonds. Ik zeg hetzelfde, niet dat hij de eerste was in drie
dagen die iets tegen me zei of die ik

voelde, wel dat ik een dwaze vrouw geworden was die me
opdrong aan de eerste de beste. Niet, zei hij.

met mijn pen maak ik een opening

Zijn geur zit onder mijn huid, ik ruik hem als ik mijn hoofd
draai en het haar voor mijn neus valt, als ik

mijn shirts uittrek en het zweet afspoel, als ik over mijn lijf
strijk terwijl ik alleen achterblijf, het huis

vol van leegte, er is geen ontkomen aan. Soms is er een flard
van iets nieuws, een zoete walm van snoep in

een steegje, brandstof in een rij wachtende auto’s, een natte
hondenvacht in het voorbijgaan, soms ook

is er een maaltijd van thuis, een snufje parfum, de gladde kin
van een pas geschoren vader, de bloemen die

op uitkomen staan in een wijde vaas voor het venster. Er valt
niets weg te wassen. Niemand haalt

zijn neus op. Eerst na dagen merk ik mezelf weer op: een lichte
zweem van melkwit vel dat zich voegt in haar plooien.

wit nog

Wat is je haar lang geworden, zou ze zeggen en even trekken
aan de onderkant, en ze zou staren naar een bijna

fatale combinatie van rood en oranje of een diep uitgesneden
shirt dat achterstevoren nog iets bedekte, ze

zou ook daar aan gaan trekken, ze zou haar ogen dichtknijpen
en even peinzen en dan over de kinderen beginnen,

waren ze alleen thuis en moest ik reeds de terugweg nemen,
hadden ze zelf inmiddels kinderen, was de

tijd zo snel voorbij gegaan, waarom had ik haar niet eerder
gebeld of was ze hardhorend en had ze nooit

opgenomen. Maar lieverd, zou ik zeggen, en andere koosnamen,
je hebt geen bereik, je bent al jaren heel ver

weg van me, je ging zonder te groeten, de kinderen moesten
huilen, weet je nog, maar ze wist van niets.

 

(In 2014 voltooide ik de gedichtenbundel ‘zij draagt alvast het wit‘,
opgedragen aan mijn mamma. Deze bundel is niet gepubliceerd.)

verderop wacht de mens

Hij zegt dat de tekeningen op mijn lijf nauwelijks verkleuren,
hij trekt ze zelden na met zijn vingers maar heeft

het bloed zich zien vermengen met de inkt en het bloed is even
rood nog. De grimassen van pijn heeft hij

vastgelegd maar als hij zijn handen zou volgen, dwalend in de
verhalen, komt hij misschien om en valt hij

ergens tussen toen en nu en raakt hij besmeurd met verf en de
zachtheid van alles dat daaronder ligt. De

lijnen raken elkaar zoals dat iets dat terugkomt op zijn plek: het
lijf bovenop het mijne, het zwaard in

de schacht, het meisje in het vooronder, het brood op de plank,
de zin in het verhaal en het blauw dat

onder het zwart doorloopt in het groen, zijn oog op haar naaktheid
alsof hij haar voor het eerst zag, wit nog.

de hoed, de rand

Zijn auto staat geparkeerd onder mijn werktafel, zijn hele zijn
in mijn hart, de hand vanzelfsprekend uitgestoken,

zijn hoofdje, neusje, mond tegen de mijne als ik op de hurken
hem vasthoud op het toilet, zijn blote rug

voor mijn beschermende hand, mijn woorden een mantra, een
steeds weer herhalende wens. Het weer is zonnig,

zegt hij, nog steeds in de taal van het verlaten land terwijl hij
speelt met vogeltjes die denkbeeldige kruimels

oppikken, wagens die klemraken in gaten onderweg, de bal die
rinkelt bij het overgooien. De blik op

oneindig als hij zorgvuldig eet en altijd de goedkeurende en
innige geluiden, kleine notities in zijn eerste boek

en vooral de wereld vanaf zijn hoogte chaotisch en vies vinden
tot de vogels fluiten in de achtertuin.

dit keer vanwege

Hij houdt niet van woorden als vooralsnog, niettegenstaande,
halverwege, ik wel. Hij gebruikt geen

termen als obstinaat, consciëntieus, wanstaltig of langdurig, hij
zegt ook niet ‘ik hou van je’, ik wel. Hij

grinnikt bij fase en tussenvoegsel, open einde en inwisselbaar
en dood is voor hem nog altijd leven. Dat

ik dat maar weet. Zo kan nog altijd mijn budget lager, mijn
verplichtingen minder, mijn hart iets

minder bloedend. Ik zou iets minder zwart kunnen dragen en
moet iets verzinnen voor al die losse haren op

de grond en verder is het een praktische overweging om mij
in te lijven, te gebruiken en te vervangen daar

waar het verdienmodel blijft steken in een gedachte alleen: zie
toch hoe lief ze daar ligt bovenop haar prachtige borsten.

zodat je tenslotte zou knipogen

Dat wat je ruikt, zegt hij, is niet de zee maar de plek waar het
water het land raakt, zo is dat met bepaalde grenzen, getijden,
stromingen ook. En mensen, denk ik of

handelingen. Zoals altijd heeft hij meer woorden nodig voor
hetzelfde en ik ben een goede luisteraar. Ik zeg iets soortgelijks
in een regel of veertien, je herhaalt je,

zegt hij, er is niets mis met mijn orde, beweer ik dan, en je had
het over de zee, ga verder. Soms valt hij stil, raakt met zijn teen
het water en voelt de temperatuur of voert met

schoolslag en sterke beenspieren de wedstrijd op. Het is geen
krachtmeting, zegt hij, om dan toch te winnen, iedere keer weer.
Terugkomen op die grens is om zich heen kijken en

dan mij veroveren, landinwaarts trekken met zijn leger, opgeheven
zwaard en drift, ik vloei dan over al zijn zinnen heen (en trek mijn
rokken hoog om veilig het zand te bereiken).

zoiets

Hij heeft het over een gezonde dosis egoïsme, energie lekken
zelfs wegzuigen, het achterste van mijn tong en

zijn handigheid, het zou een verdienmodel kunnen zijn, we
zijn een succesvol duo, een onderneming

zonder echte structuur maar een herhaald en beproefd recept
en u heeft vast al eerder over ons gehoord.

Voorzichtig probeer ik wat aanpassingen, ik werp tegen dat
ik een volgende keer eigenlijk gewoon in

zijn armen wil, geen formulieren daartoe wil invullen maar
mezelf het liefst van een afstandje werp zonder

doelgericht te zijn, ik kan hem vast niet missen, hij berekent
kansen, zijn eigen zuinigheid en mijn

iets te grote sprong, misschien kunnen we uitbreiden met de
buren, winst moet je spreiden om nog meer te maken.

niets persoonlijks

Het warm geworden schermpje tegen mijn oor en het liefste
woord gelispeld in haar straling is dichterbij dan

zijn lippen, mijn warme wangen, mijn half open mond, het
lachend gezicht op het vierkantje dat ik in mijn

handen houdt intiemer dan het hoofd in mijn schoot, benen
open, de ruis uit het toestel de plaat die wij

draaiden en vergaten om te keren, het gesprek de tekst die we
uit ons hoofd leerden en mee konden zingen.

De afstand gaat van jaren her tot nu, van de hoek hier tot het
scheve land daar, van onderop tot bovenaan, van

niet gehoord tot welverstaan, van altijd beter proberen te zijn
en te vergeten wat beloofd was en dan met een

grapje en een omweg toch terugkomen op, zelfs als ik hem in
de lucht houd of laat vallen en verbrijzel met mijn hak.

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑