Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: natuur (page 1 of 12)

andere bewijzen

Het vers lijkt nooit leger dan nu de velden wit berijpt zijn,
aan elkaar grenzen zonder bedoeling, de mensen

thuishouden, de lijven huiverend van extra lagen voorzien.
Juist nu is het overzicht loos, strekt zich

van duin tot straat, rolt zich zonder begin en eind voor deze
voeten, mist zin en betekenis. Te koud zonder

jou. Waar het over ging, het warme plukje adem in een wolkje
boven je mond, de kleverige handpalm, de

gunstigste temperatuur net onder je krullen in je hals, is niet
meer te meten, ik haal de wintertruien uit

de kast. Het wachten is op gunstiger tijden. Morgen misschien
rijgen deze regels zich weer om jou zodat

een ieder zich kan warmen. Morgen misschien bereikt de zon
een hoger punt en vult de kamers van je hart.

een innig goede vriend

Een ochtend de gordijnen open te schuiven als niemand het
nog ziet, het grote bloot onzichtbaar, het

vel nog niet wit oplichtend, ruiten nog vol regen, bomen als
staketsels van gebouwen roerloos bijna en

geluiden nog nergens en dan vanuit het bed langzaam dingen
duidelijk zien worden. Contouren in je kamers die

een voor een onthullen wat zij waren, gisteren nog, vlagen
koude lucht spelen met de attributen, een

auto zet zich bijna in beweging op de vensterbank, iets of
iemand sluipt door je vertrek, de ochtend die

steeds groter wordt. Dan af te tellen hoelang nog, misschien
tot de smalle strook licht nog net de route tekent

naar je werktafel, deze beweging achter het scherm bijna al
oplost in die van de grote wereld die ontwaakt.

de hindernissen

Een paar dagen zonder mensen, anderen dan de poppetjes
ver beneden op straat en hun dichtslaande autoportieren,
vroegtijdig afgestoken vuurpijlen en blaffende

honden, zonder gesprekken, aanwezigheid, tegenspraak en
geduld, als een weiland zonder beesten maar alleen met
laagtrekkende meeuwen of vallende zwaluwen

en regen dus natte aarde en geen uitzicht dan het zelfbeeld
in de huilende vensters, geen geluid dan het neervallen van
het water en geen beweging dan het meten van

de omringende muren aan de stappen van alleen jezelf, het
schilderij aan de ene, de foto aan de andere, het papier tussen
je vingers al bijna uit elkaar vallend van ouderdom,

verzet binnen de letters, als een herinnering een uitspraak
herhalend, dat van troost, dat van liefde, dat van toekomst,
dat van geheel, gebaar van voortgaan, wachtend

op de ster aan de hemel, het breken van het massieve zwart
dat andermaal het begin is tot daar een kind ketst tegen de
zachte wanden in je lijf en begint met praten.

een grapje

Zoals het niet hoort te zomeren in oktober, de warmte niet
past bij het vroeg donker worden, het genieten

niet echt is maar een bevreemd aanpassen, zo zijn uitslagen
van een onderzoek, conclusies van een

derde niet mijn realiteit en toch om mee te leven. Terwijl de
een het over de onmetelijke lengte van een

seizoen heeft, maakt de ander zich terecht zorgen over de oorzaak,
een afwijking in de lucht, een scheur

in de aardkorst, onze schuld. Zo is het bij het lijf ook, iets is niet
naar behoren, veronachtzaamd, even groot als

het risico morgen bij de witte strepen op de weg even niet te
tellen maar zingend en springend

de coureur van links te missen die door het rode licht stuivend
zijn irritatie over het bovenstaande uitleeft.

eerste woorden

In de droom zei ik dat je me toch alles kon vertellen, ik
rende naar het toilet en braakte alles uit wat me

dwarszat, ik kom met de Jaquar, zei hij en parkeerde een
roze Cadillac in een bos waaraan ik nauwelijks

ontkwam, bomen bemoeiden zich met het leven, bogen
ver over me heen, rennend verschuilde ik

me in een smal huis waar alleen maar jassen hingen, een
vreemde op een smalle bank, ik had een kind

en waar was het, er was iets vreselijk mis en hij zei me
niets. Later was de ruimte gevuld met

jongens van zijn leeftijd, allemaal naakt en dampend warm,
ik verlegen keek uit het raam of iemand me dan

nog niet ontdekt had, de bomen hadden zich versmald tot
keurig rechte lijnen in een tekening.

wanneer ze nu mag, vandaag toch 

Geluk was fietsen onder de tunnel door terwijl er een
trein bleef stilstaan en zelfs als hij net langzaam

wegreed, een glimlachende chauffeur die je liet oversteken
ook al was er geen zebra, een man die

sorry zei terwijl je tegen hem botste, een grote koffie voor
het ongemak van het lange wachten, een

passant die over je haar begon, dat danste op je rug. Ook
wel het thuiskomen met boven je een

inktblauwe lucht die, eenmaal binnen, uiteenscheurt en
met groen, geel en witte vlagen lichtflitsen

voorbij de horizon stuurt, een kind dat je tot voorzichtigheid
maant, het derde deel van een boek dat je

zelf had moeten schrijven, de stilte nadien en ergens in de
verte een bekende stem die een liedje begint.

de tochtstroom

Opnieuw kiert tussen de bomen door de overkant, vlekken
licht, open plekken die schreeuwerig opgevuld

zullen worden door rode daken, groene deuren, bloemen
van kant die half opgetrokken plastic vazen,

monsterlijke kleinoden, asbakken en bewoners tonen die
gedrapeerd over de vensterbank wachten op

deurbel en huilend kind, auto’s koud en aan die kant licht
geschaafd, bepleisterd, vochtig hoestend tot

plaatsgenomen wordt in de eindeloze stroom die op de hoek
alweer uiteenvalt, grijs de laatste vrijheid boven

de wijkende toppen, knipperend vanuit de kleine ramen, het
leed tuimelend vanaf vier hoog tussen de

laatste bloeiende struik in buurman’ s tuin, net voor de niet
opgehaalde vuilnisbak beplakt met haar naam.

de nog aanwezige figuranten

De wachters rondom beginnen eensgezind te dansen,
tollen voor- en achterover, suizen en stuiven,

schudden hun volle tooi en tikken bijna tegen deze
hut die hun bewegen lijkt over te nemen,

helt en kreunt, kraakt en tilt, hoger wil en met hen
verdwijnen zal in het bijna onzichtbaar

wit dat nu nog tegen haar vensters slaat. Na een paar
tellen lijkt er niets gebeurd, een man

zaagt buiten in de deuropening een plank, een vrouw
laadt haar boodschappen uit de auto, een

meisje stept tot aan de hoek. Dan nodigen de bomen
opnieuw uit, draaien en duwen hun zwarte

armen zwaar en grijnzen nu. Autodeuren slaan, een
man zaagt een plank, de step ligt in het gras.

een oproep in de nacht

O het geluid van de regen, zacht eerst, het lichte tikken
tegen de ruiten van een vriendje dat komt

kijken of ik thuis ben, het ongeduldig roffelen later als
ik bovenop de lakens mijn adem bijna

inhoud, het zweet volg op haar route, de lome vingers
uitstrek, het uitzinnig opzwepend neerstorten

daarna, stof dat blijft liggen, dode bladeren tegen het
opnieuw weer zwarte asfalt drukkend, het

rukken tegen de open deuren, ramen die sinds lang het
bibberend patroon vertonen, bijna juichend

en dan weer de stilte, een enkele snik na en hoe ik daar
naakt dansend tussen had kunnen staan,

ik ben niet thuis, ik ben buiten, ik spring in de plassen
en vang met open mond je zegen op.

het achterland het uitzicht

Strijkend langs de kleine groene blaadjes van mijn kruidentuin,
op zoek naar de gaten makende, gulzige onverlaat, houd

ik alleen de geur aan mijn vingers over en daarmee de herinnering
aan mijn mamma die op haar knieën in het groentebed lag,

haar klompjes onder haar rokken geschoven, en met het schilmesje
de ingrediënten afsneed voor de soep of de

gevulde vleestomaten die uit elkaar spatten in de oven alvorens ze
op ons bord kwamen, en ik huil zomaar omdat

naast deze heerlijkheden al het andere meekomt: zomers die in
de achtertuin gevierd werden, ver uit het zicht van

de dorpsbewoners, beesten die hun warmte aan ons afstonden en
met de bek in onze hand meeliepen, een vader die –

ach, alles was daar nog, en ik zelf, ik zelf, en het land onbegrensd
en voor altijd van ons, licht wuivend en geurend.

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑