Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: natuur (page 1 of 13)

tijd

In het stukje lucht dat overblijft tussen de volle boomtoppen
wisselt zich een zilveren vogel af met de zwarte,

terwijl de witten blijven krijsen op de besmeurde lantaarnpaal,
het licht is in de nacht blijven steken. Ook

daartussen de trotse pluimen van de bloeiende kastanje en ver
beneden de rode kerstkrans van de ene deur die

nog zichtbaar is, alsof de kijker, de lege-lucht-snoever, de
vogelteller, in verwarring gebracht moet en zich de

juiste tijd niet herinnert. Pas als er staande wordt gemeten hoeveel
ruimte er is en we de mooiste auto (een witte

Peugeot 504 met een wiel op een betonblokje) overhouden, weten
we een zomer waarop we in een rivier vaststonden,

dunne slangen schoten onder onze voeten door, bovenlijven waren
ontbloot en de hemel was onbewoond.

lichtvoetig

De warmte van de zon, achter glas veelal, is slechts een afgeleide
van de warmte van zijn lijf, half ontkleed vaak en

ergens in zijn paradijs waar hij ongezien verdwaalt maar nog wel
op mijn beeld staat, net niet te lang om

het fragment door te branden maar wel zo uitnodigend dat iedere
keer het stukje film door mijn handen gaat, of hij,

binnengehaald vanuit die herinnering. Ook met ogen dicht is de
huid voelbaar, sissend op het melkwit van mijn

bestaan, schroeiend tegen mijn onderdelen die opeens overal lijken
te liggen, de geheime plek delend, schuilend later

in de vrijplaats van het verleden. Bij wolken, wind en waan is er
soms die lichtflits of heldere rand, een teken dat

hij zal verschijnen, hoog boven me zal uit torenen en grinnikend
tot herovering besluit, zijn stralen tot in mijn botten.

een versnapering

In de ochtend lijkt alles eenvoudig, je hoeft alleen maar je benen
over de rand van het bed te slaan terwijl je in de nacht

nog probeert tegen de wanden op te klauteren om uit het wak te
blijven. In de stilte van de morgen is de lucht nog

grijs, licht dampend, hier en daar een roze streep boven rode
dakpannen alsof er een kinderjurkje klaar hangt

en jij voor altijd jong. Verderop het zachte blauw dat bijna al het
grijs kleurt en bomen die straks zullen buigen met

vriendelijke knikjes, alles om je door te laten, een reisje in het
rond. Alles doet het, je armen, hoofd en ogen, je

bent de vogel die het lied fluit hoog boven je, de rook van het
vliegtuig tussen roze en blauw, de knipperende

lantaarnpaal die is blijven branden, het opgetrokken gordijn, de
kat in het voorste tuintje, het verhaal als melodie.

op de snoodaard na

De bomen staan eindelijk stil. De huizen aan de straat beneden
gesloten nog, vogels de enigen die uit de lucht

vallen, dwars door de lijn die het ruim verdeelt in licht- en veel
donkerder blauw. Iets aarzelt zich te noemen. Dit

is het begin van het leven, er ligt niets achter ons, er is niets
voor ons, zo herhaalde de schrijver zich wiens

werk wiebelend op mijn schoot belandde. Hijzelf zat achter me
en legde de handen om mijn keel. Dat ik het

niet zou vergeten, dat van dat niets. Behalve dat blauw is er het
wit van de meeuwen, het geel van een

duikelend koolmeesje, de kraaien blijven zwart en strijken neer
op de waslijnen, er is nog een oranje hesje dat

weg probeert te komen, een vuilniszak opengescheurd midden
op de weg, de inhoud een vergeten boodschap.

kwijtgeraakt

Van deze dagen zou ze zeggen dat ze wel kon huilen omdat de
streperige ramen haar uitzicht beperkten, de bomen

zwaar en zwart de planten het groeien belemmerden en haar als
lijfwachten tegenhielden van het erf te gaan,

de klei zompig aan haar hakken bleef hangen en er niets te halen
viel dan de broodkruimels die ze voor een ander

uitstrooide bij de deur, dat niemand daaraan dacht en ze bedoelde:
aan haar. Ze zweeg soms ook gewoon aan de

andere kant van de lijn alsof alleen haar ademstoot door de hoorn
voldoende was om het lijden te melden. Bij sneeuw

was het een ansichtkaartje dat ze weliswaar vrolijk kon rondsturen
maar dezelfde gevangenschap inhield, altijd was het pad

naar de bewoonde wereld onbegaanbaar terwijl ze niet eens weg
wilde, niet echt, maar een onbeperkte vrijheid miste.

dat je eerst iets moest verzinnen

Er bleef een jongetje staan in een plas vanmorgen, een regenpakje
en laarsjes en een onverzettelijkheid die zijn moeder,

verder op de hoek met een ingepakte kinderwagen, tot razernij
bracht. Ze ging hem niet halen maar schreeuwde

terwijl hij met zijn ene voet cirkeltjes trok boven het water, het
was alsof alle schatten van de zee daar lagen, hij

zag een zeepaardje en een bijzondere schelp, een kwal misschien
en een kwijtgeraakt kettinkje en droomde van reizen en

heel ver weg zijn, verder dan die hoek die zijn moeder inmiddels
verlaten had voor een volgende. Heel aarzelend

verzette hij een been en toen nog een, zij vloekte nu maar bleef
staan en reed de wagen doelloos heen en weer.

Gelukkig was er geen sleurende arm, geen kletsende hand of ander
machtsvertoon, alleen een verloren toekomstbeeld.

zijn opsomming werd steeds luider

Onderweg de velden, kale akkers nog waarover een zilveren
laagje, een waas van vroegte en regen, een molen

in de verte, de rij knotwilgen langs de sloot, automobilisten
bij het stoplicht, scholieren met jassen los die

moeiteloos inhalen, geen gesprek verliezen, zich omdraaien
naar elkaar, terwijl dat

voorovergebogen figuurtje met de ogen toegeknepen foto’s
maakt en uitgeputte bewegingen, slingerend.

Dan de eerste rotonde, de tweede, afslaan naar rechts, oversteken,
een stukje lopen, zwarte hopen daar in het land,

vogels erboven, het hek open, een zwaaiende hand, bekers met
koffie. Het nieuwe schilderij aan zijn wand een

samenvatting van alles dat ik langs de weg trof maar met licht
nu, stroperig geel en dunne schaduwlijnen.

een voorwaarde tot beiden

Twee, drie maanden te vroeg hurken ze in de achtertuin, laten
de rook omhoog kringelen, de kinderen omlaag, het

plastic badje nog net niet uit de schuur maar wel de ballen, het
stepje, de schoonmoeder en de wiebelende tafel.

Het vlees ligt op het aanrecht klaar en met de achterdeur open
spelen ze de barbecue na waartoe de hele buurt

uitgenodigd wordt, even die warmte lijkt op innerlijke vrede,
met zichzelf en de rest. Als hij nu maar niet

vergeet de komkommer te schillen en de lampjes na te kijken,
zij haar zangrepertoire aanpast en de hond van

drie huizen verder zich gedraagt, kan het heel gezellig worden.
De gesprekken zijn er al, verbazing over

uitbottende knoppen, geur van mest, kwaliteit van kunstgras en
de slager op de hoek en het schaatsen van vorig jaar.

onder dat rechter borstzakje  

Vanuit de kant van het lijf gezucht, gekraak en gesteun, geen
voorjaar maar laatste winterdagen of overwegingen van andere
aard, het opzeggen van een huurcontract of

schuilgaan in een andere substantie. Dat allemaal nadat een
kind meldt dat het misselijk is, liggen blijft, ledematen heeft
die pijnlijk en gezwollen zijn en nee, hij

heeft niet gedronken. Ik fiets met soep en schone lakens dwars
door een opgeluchte mensenmassa die ijsjes likkend achter
elkaar aanhuppelt en foto’s maakt van het

krokusje naast de lantaarnpaal, de poes op het hek, zichzelf en
plant een kusje op een gloeiend voorhoofd. Zijn scherm brandt
nog na, de kamer is verder donker, hij draagt

beslist sokken nog en zijn joggingbroek, zijn krullen uitgezakt,
mijn vingers haken in onwillig gedrag en droefheid, zo moe kun
je worden, zegt hij, van al die sociale contacten.

ons allen

We doen graag wat men niet doet, we hangen niet in de parken
en bedelen niet om het eerste ijs maar lezen een

heel boek in een zonovergoten boomhut, denken aan vroeger en
giechelen in onszelf. We herinneren ons

en proberen dat in het verhaal te passen dat we lezen, negeren
daarmee de klaterende stemmen buiten, het

wezen in het trappenhuis, een rij supporters midden op de weg
en te ver opengedraaide versterkers van de aan

onderhoud onderhevige open Opel Kadett, zelfs de man daarin
zien we niet. We doen niet graag wat men

zoal doet. Aan de buitenkant lijkt alles hetzelfde, ook dit raam
staat open, ook dit gordijn wappert, we

diepen een zonnebril op uit onze tas, maar van binnen zijn we
mijlen ver en van jaren her, winter 1756 misschien.

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑