Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: natuur (pagina 1 van 11)

de cirkels steeds wijder

Even ben ik terug in de koele keuken van het ouderlijk
huis waar mijn wangen tegen de tegeltjes rustten,

mijn handen gevouwen in mijn schoot, mijn ogen stijf
dicht, schimmen om me heen die de staat van

God door de ramen heen verklaarden, mijn vader die altijd
beweerde dat de bui reeds overgetrokken was

en mijn mamma die steevast telde en de maan ontwaarde
en ook als toen is de genade de vrede en stilte

achteraf, het ruisen van regen door de opengezette deur,
de geur van nieuwe zomers en herstel, de

zucht van hem, een boterham of alleen de kaas, en haar
theorieën of hoe luchten weer helder werden, leeg

totdat er opnieuw iets was dat ik verkeerd deed en waar
ik voor gestraft zou moeten, zo wist ik zeker.

wit gespikkeld en rood gezwollen

Bladeren gespreid als vingers, takken als armen,
overvol draagt zij het kleverig groen en

verbergt de vogels, zwart, de huizen, rood, de
harde geluiden, wit, de hemel, leeg. Onder

haar het natte gras en de restanten van ons verblijf
hier, logeerpartijen rond de stam, overleg

met de dieren, uitwisseling van geuren. Ze wuiven
langzaam mijn kant op. De kinderen spelen

in de huizen, regen in hun verlaten attributen, de
laarsjes, geel, uitgeschopt bij de achterdeur.

Rechte lijnen grijs die dwars door bloesem en
eigenwijze moeders lopen, licht geopend

als een paraplu die, roze, aan het hek hangt, hun
sigaret het offer naar boven, handen hoog.

de mate van doorzichtigheid

Alle obstakels vermijdend in de stad, de knoppen die
bijna uit elkaar barsten, de kleverige schil

aan de overvolle takken, bukkend voor het gewicht,
herinner ik me de droom waarop iedereen

bovenop de Grote Kerk stond en achter hen alleen de
lucht zichtbaar zodat het leek of

de enige hemelvaart te A. was, de meest zaligmakende
plaats op aarde nu. In groepjes keerde men

echter terug, als Goden die eindelijk menselijk, het
echte werk gingen doen maar dat dacht ik pas

fietsend door de lege bochten waarin alleen die bomen
de leegte illustreerden terwijl zij

vruchtdragend steeds dichter op het asfalt hingen en
mij nauwelijks lieten gaan. Ik was wakker.

een kind liet een fietsje liggen

Er zijn auto’s in het weiland, snelle bestuurders die met
raampjes open langs het riet stuiven, als

eerste bij het duin willen zijn, het appelgebak met slagroom,
de winderige attractie: de zee terwijl deze

fietser voortdurend afstapt, de verten neemt, de paarden
dichterbij haalt, gretiger dan anders.

Op de verzamelplek van kunst en schetterende mensen in
op elkaar afgestemde kleuren, grijs veelal,

neemt zij de tegengestelde route en het weerkaatste licht.
een bezoeker zet zijn zonnebril op om haar

te herkennen, de mooiste beelden komen echter van buiten:
de bomen wachten, er zijn rode wangen, losse

jasjes, blote benen en vermoedelijk reeds druppende ijsjes
in jengelende handen, kleverige neusjes.

een stampvoetende cadans

Ze doet het opnieuw. Als de aanzwellende, gierende en ijzige
wind kruipt ze weer tussen zijn kieren, laat

deuren klapperen, steelt zijn dekens, wipt zijn billen omhoog
en vindt hem bloot, aandoenlijk, gekromd, het

kussen op zijn hoofd, men dient zich te beschermen tegen dat
soort temperaturen, dat soort gedrag, die

wisseling van het seizoen. Blies zij eerst de pluisjes uit zijn
liezen, de krullen van zijn voorhoofd, de

warme zomer over het gladde water, later stoof zij met witte
wasem, vochtige slierten, druppels van

ondoorzichtig glas en strooide zij tere laagjes fijne suiker rond
zijn huizen. Hij moet met luiken in de weer,

kranten tussen de gaten, wollen stroken onder de wand, het hout
verzamelen maar zij is al binnen en raast.

veel langzamer dan later

In de mistige morgen cirkelen de zilveren vogels luidruchtiger
boven mijn hoofd alsof ze de passagiers willen laten

uitstappen op mijn dak, er is niemand te zien, niets beweegt
zich, zelfs de zwarte vogels aarzelen alvorens.

Ik verzin een glijbaan en een scheve wolk, een behouden aankomst
en een gezellig samenzijn aan mijn tafel zoals ik me

iemand verzin die mij binnenhaalt en luistert naar mijn verhalen.
Er is alleen de idiote buurvrouw die soms en

onverwachts boven aan de trappen staat, moeder spelend over
een te laat thuiskomend kind, ik duik onder haar

armen door en draai drie keer mijn sleutel om alvorens zij gaat
krijsen of erger, niets zegt en alleen kijkt. Grijs ook

de rest van de wereld. Men zou kunnen beslissen tot een algeheel
zwijgen of de derde zwarte boom van rechts.

onderaan een brief staat een weerzien

Dat het ruikt naar vroeger maar wat is dat vroeger dan, dat
je een restje gebak snoept als ontbijt omdat je

eens de keldertrap afsloop en met je vinger langs de rand
en vol slagroom nog even de dag uitstelde, dat

elke maandag een nieuw begin vormde (en dan ook: van
wat) omdat je in de harde kerkenbanken om

vergeving vroeg (en dan ook: voor wat), dat je het pad langs
het huis nam en een hekel had aan het natte gras dat

tussen broekspijp en sok kroop, dat je beesten vermoedde die
naar boven zouden kruipen, dat je langzaam ook,

veel langzamer dan later, het dorp uitliep, dat er stilte bij
hoorde, later kwam de bui, later kwam alles

en dat je nu dan, wakker van de afwezigheid, door de open
deur hetzelfde ruikt als toen, met kruimels aan je handen.

vrij onderwerp

Als de wind in deze boomhut eindelijk gaat liggen, het fluiten,
sissen en zuchten dat over gebogen ruggen en langs

al koude neuzen gaat, het knarsen van spleet naar richel, het
gieren vanaf een volgende verdieping naar onder

onze voeten, we dragen de roze bontgevoerde pantoffels met’
de wervende tekst ‘No 1 Grandma’, witte

vlokjes in hun zwaartekracht tuimelen en honden niet langer
blijven staan bij de kale bomen, neerkijkend op

mutsen en hoog geknoopte sjaals en dribbelende terugkerende
bezoekers, vingers buigend, grijs het staren,

dan pas voelen we het ijs op de sloten, het marmer van onze
benen, de druk op ons hoofd, de waarschuwingen

van onze moeder, het verliezen van de wedstrijd, het buigen
onder de brug en de lichte duw van de winnaar.

uit een van de vensters  

De nacht laat mij liggen. Het dunne laagje wit dat tegen
de ochtend verschijnt, tegen het vergeten

en voor de behoedzaamheid, de wolkjes stoom vanuit het
hol, het streepje licht dat gisteren rood nog

de lucht daarboven kleurde, de afwezigheid van geluid
en tintelend bijna de belofte. Hij duwde mij

terug, hernam zich, hernam mij. Er zou brood rijzen in
het oventje, boter smelten tussen

de twee helften, een lepel roerde zich door opgeklopte
melk, er zou voorzichtig worden gedronken.

Hij zou de deur ontgrendelen, de wereld alvast openen,
ik zou het uitzicht bewaren. Een vrouw zou

met zingen beginnen, aarzelende psalmen waarin het
hert naast de tijger rust en gespaard blijft.

zoals de noodzaak zich steeds vaker aandient

De lucht leeg, de vogels zelden alleen maar in vallende
wolken zwart, purperen banen later, de straten

dreigend verlaten, de stem van de buurvrouw hoger dan
normaal en kinderlijk dreinend, de

berichten van de kleine omslachtig als altijd zoals zijn
reis naar huis in de avond, alle

alternatieven met zorgvuldigheid behandeld terwijl de
lange gewoon fietst en al de zeurende dreiging

van zich afschudt. Overzee is het rustig en voert de
allerkleinste mij door het scherm,

het smakkend geluid van liefde en voor altijd genoeg
hebben terwijl onder mij de woorden groeien

die – als die vogels – zich in groepen verzamelen, donker,
alvorens zij allen naar beneden storten.

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑