Hoe hij me over zich heen trok of bij het zoenen een hand legde
tegen mijn wang, ik met een aanloopje in

zijn armen sprong en hij niet eens wankelde, hoe ik me schuurde
tegen zijn baard of in zijn overhemd liep, dat

heldere wit, het colbert keurig over een stoel, hoe hij nooit vanuit
zijn auto toeterde maar wel een keer het raampje

opendraaide en een verwensing riep terwijl hij het portier opende
en ik instapte, hoe hij naar sigaretten rook en een

duur parfum in wel drieëntwintig varianten en mij nauwelijks bijhield
op straat, nergens eigenlijk, en ook niet

wilde, maar wel dezelfde hoeveelheid mailtjes terugstuurde en ook
met zijn handen at, dezelfde handen die later,

hoe er nog een briefje ligt met daarop zijn handschrift, zijn stem de
zachtste, zangerig en vanuit een land waar ik nog nooit was.