Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

elke keer dat we eigenlijk iets anders willen

Zonder uitleg worden mijn gedachten nauwelijks begrepen dan
door een enkeling. Bij de beloofde beterschap van

gisteren, is de verwijzing naar de aanslagpleger voor de meesten
verdwenen, niet bestaand, zoals bij de zwarte vogels

van de dag daarvoor de meerderheid aan lente denkt en mijn
behoefte daaraan, terwijl het verwijst naar de aanslag

in U. Ik wil nooit iets uitleggen, ik roep altijd dat u het moet
voelen en zo niet, jammer dan, voor u, niet voor mij.

Eens kwam, na een optreden, een meneer uit het publiek naar
mij toe en zei, heftig knikkend, hetzelfde misbruik

meegemaakt te hebben, ja toch, vroeg hij maar er was geen sprake
van enig vergrijp. Dat is er nu ook niet, u bent vrij in

wat u ervan wilt denken, natuurlijk. Maar vooral geniet ik mijn
eigen vrijheid, groter dan welk misverstand dan ook.

een fris ruikend bont geheel

“Voor Andreus was en bleef Lucebert een wonderjongen. In 1949 schreef hij aan Vinkenoog dat zijn vriend ‘soms een tik van het geniale’ had. Vinkenoog betwijfelde dat in eerste instantie. Hij had een stapel gedichten van Lucebert onder ogen gekregen, ‘bijna drie centimeter dik’. Wie zo’n stapel drukwerk bij elkaar had geschreven kon volgens hem geen genie zijn. Andreus reageerde per omgaande. Hij had Lucebert geen genie genoemd maar iemand die soms aan het geniale raakte. En daar wilde hij het bij houden, ‘zelfs al zou het gelden voor tien gedichten op de honderd’.”

uit Lucebert, biografie, Wim Hazeu

een fris ruikend bont geheel

Wat heerlijk, je belooft beterschap en alles komt goed. Plechtig
en echt niet met je tenen gekruist, wel je mooiste glimlach,

schuddende hand, rechtgetrokken shirt, frisse adem. Dat gaan
wij ook doen: vanaf nu gaan we echt niet meer

snoepen, vervelend doen, uitstellen, doel, focus en resultaat en
concentratie vergeten, de was buiten laten, de hond,

de buurman, onze moeder, vandaag gaan we goed bezig en
meewerken vooral, heus. We bellen terstond die

achtergestelde minnaar, kiezen een nieuw thema voor een nieuw
boek, gymmen elke ochtend en tellen tot tien elke keer

dat we eigenlijk iets anders willen en bovenin de kast hebben we
echt niet een nieuwe voorraad eten verstopt, we

weten heus wie we zijn en waarom we ons zo gedragen. We zijn
alleen vreselijk benieuwd wat we morgen gaan doen.

de kraaien blijven zwart

Zoals altijd staat de titel er al, een beetje te wachten en zelfs
licht te zuchten, stel ik me voor, nieuwsgierig naar

welke woorden en wendingen de schrijver een volgende dag
zal aangeven. Misschien proberen ze onderling van

plaats te wisselen of stiekem het zwart in felrood te veranderen,
wegvliegen zou natuurlijk ook gemakkelijk kunnen

na eerst tegen het raam te tikken waarachter zij mij vermoeden
of om voedsel te bedelen terwijl ze charmant

hun evenwicht houden op de waslijn. Later zijn ze wellicht niet
ingenomen met het avontuur onder hen, krijsen

vergeefs, het wasgoed heeft wapperend hun plaats bezet. Zelfs
de schrijver zag vanmorgen liever een

fris ruikend bont geheel uit het raam maar haar jurken zijn zwart
en haar gedachten houdt ze vandaag binnen.

op de snoodaard na

De bomen staan eindelijk stil. De huizen aan de straat beneden
gesloten nog, vogels de enigen die uit de lucht

vallen, dwars door de lijn die het ruim verdeelt in licht- en veel
donkerder blauw. Iets aarzelt zich te noemen. Dit

is het begin van het leven, er ligt niets achter ons, er is niets
voor ons, zo herhaalde de schrijver zich wiens

werk wiebelend op mijn schoot belandde. Hijzelf zat achter me
en legde de handen om mijn keel. Dat ik het

niet zou vergeten, dat van dat niets. Behalve dat blauw is er het
wit van de meeuwen, het geel van een

duikelend koolmeesje, de kraaien blijven zwart en strijken neer
op de waslijnen, er is nog een oranje hesje dat

weg probeert te komen, een vuilniszak opengescheurd midden
op de weg, de inhoud een vergeten boodschap.

kijk haar eens wachten

Op de moedige poging tegen de laatste windvlagen in het park
te bereiken met daarin de gewenste ruimte voor kind

en verliefd paar, oudere vrouw met hoofd vol snot en gedachten,
wordt de oversteek gehinderd door een breeduit

marcherende, met rookpluimen, angstaanjagende lichtflitsen,
hinderlijke spandoeken en scanderende leuzen, groep

supporters die langs de kinderboerderij naar het stadion trekken
waar vanuit straks de massa galmt en juicht, joelt

en krijst, om na uren, begeleid door de blauwe ME-busjes en
politie te paard dezelfde weg terug te nemen, het

park inmiddels verlaten op de snoodaard na die zijn hond nu
los laat rennen, de poep laat liggen zoals de bal

die vermoedelijk in het verkeerde doel als oorzaak dient voor de
vernielingen aan de rand van haar bestaan.

 

 

kijk haar eens wachten

“Die ruimte. Die begint in het midden van mijn voorhoofd en eindigt in het midden van mijn kruis. Hij kan zo breed zijn als mijn lichaam en zo smal als een spleet in een vestingmuur. Op dagen waarop gedachten vrijelijk stromen of, nog beter, helder worden door me in te spannen, dijt de ruimte ontzagwekkend uit. Op dagen waarop onvrede en zelfmedelijden binnendringen, versmalt hij, en snel ook! Als de ruimte groot is en ik die volledig bezet, proef ik de lucht, voel ik het licht. Ik adem regelmatig en rustig. Ik voel me tevreden en opgewekt, niets kan mij beïnvloeden of bedriegen. Niets kan me raken. Ik ben veilig. Ik ben vrij. Ik kan denken. Als ik het gevecht om te kunnen denken verlies vernauwen de grenzen zich, de lucht raakt vervuild, het licht wordt overschaduwd. Alles is damp en mist, en ik heb moeite met ademen.”

uit Fierce attachments: a memoir van Vivian Gornick, vertaald door Caroline Meijer tot Verstrengeld: over mijn moeder, de liefde en New York

om het lijden te melden

Weet je het zeker, vraagt ze hem maar dat is het nu juist, hij
weet niets zeker, hij schudt zijn hoofd terwijl hij

ja zegt en berekent de tijd die altijd te kort lijkt tussen de twee
afspraken. Zodoende wachten er iedere keer

drie mensen. Hij in zijn auto op de hoek van de straat, zij voor
het grote raam voor en de ander aan de keukentafel.

De een zingt nog terwijl ze haar vingers op de rand tikt, de
ander schrijft dat ze een pose aanneemt, kijk haar

eens wachten, en hij denkt na. Nadenken is vaak zonder dat
er een conclusie volgt. Op zulke momenten belt

hij zijn moeder of zij hem en somt ze de kwalen op, dat wat
de dokter zei, de buurvrouw en hoe vaak ze

er al bijna niet meer geweest was, en soms start hij dan de auto
en last een vierde in zijn heel druk schema in.

kwijtgeraakt

Ze zal zeggen: ‘Wat? Wat zegt het? Wat zegt het dat ik niet al weet? Ik heb het méégemaakt. Ik weet dat allemaal al. Wat kan die schrijfster me vertellen wat ik nog niet weet? Niets. Voor jou is het interessant, maar voor mij? Hoe kan het voor mij interessant zijn?’

uit Fierce attachments: a memoir van Vivian Gornick, vertaald door Caroline Meijer tot Verstrengeld: over mijn moeder, de liefde en New York

kwijtgeraakt

Van deze dagen zou ze zeggen dat ze wel kon huilen omdat de
streperige ramen haar uitzicht beperkten, de bomen

zwaar en zwart de planten het groeien belemmerden en haar als
lijfwachten tegenhielden van het erf te gaan,

de klei zompig aan haar hakken bleef hangen en er niets te halen
viel dan de broodkruimels die ze voor een ander

uitstrooide bij de deur, dat niemand daaraan dacht en ze bedoelde:
aan haar. Ze zweeg soms ook gewoon aan de

andere kant van de lijn alsof alleen haar ademstoot door de hoorn
voldoende was om het lijden te melden. Bij sneeuw

was het een ansichtkaartje dat ze weliswaar vrolijk kon rondsturen
maar dezelfde gevangenschap inhield, altijd was het pad

naar de bewoonde wereld onbegaanbaar terwijl ze niet eens weg
wilde, niet echt, maar een onbeperkte vrijheid miste.

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑