Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: dromen (page 1 of 21)

schaduwen op de vloer

Onder het kleed lagen de beesten verscholen. Daar lagen zij die
ik in mijn dromen gemist had, de kleinsten, de

duizendpotigen, de meest krioelende massa die zich in plooien van
stof en onder de poot van mijn kat stilhielden omdat

zij niet konden schreeuwen of blaffen of fluiten. Ze renden naar me
toe zodra de wachter van mijn toren zijn greep

verslapte, hun nieuwe schuilplaats de kieren in mijn muren, het plasje
eten onder de koelkast, de holle ruimte in het hout

van mijn boomhut, daar waar muisjes al woonden en schatten werden
bewaard, mijn zilveren haren, een scherf aardewerk,

een snipper papier, de blauwe kluwen garen. De kat sliep. Tegen de
kasten klommen ongenodigde bewoners, scholen

opnieuw maar nu hoger terwijl zwarte vogels vanuit de bomen door
de ramen gluurden en hun honger krasten, angstaanjagend schel.

alsof het een roddel betrof

Op een gegeven moment moet ik naar voren komen, in welke
gedaante dan ook. De zon drijft me naar buiten,

de afspraak ook, maar mijn hoofd rolt binnen nog van de ene
hoek naar de andere en mijn lijf laat haar

vochtplekken achter op de muren, de stoelen waarop ik zat en
verschoof, de deuren piepen nog van mijn uitstel.

Avond is het als ik langs de huizen ga. De mensen staan in de
rij voor een kus en een drankje, ik sluit me

aan, spreek een paar woorden, zit op een omgekeerde tafel en
ga in gesprek maar al die tijd mis ik mijn

veiligheid, mijn thuis, mijzelf. Daar ben ik me bewust van al
die vormen. Aller charmants kleed ik me op

mijn verschijnen maar bloot zweef ik langs, iemand knipoogt,
een ander roept me na, een derde brengt me mijn hoofd.

een in beweging

Met de houten breinaaldenkokers van mijn moeder, versierd met
bloemen en bladeren en symbolen uit een andere tijd,

loop ik te sjouwen over de straten van een verpauperde stad, klim
over mensen, brandnetels, lappen, huisraad en straten

en kom uit in een betonnen en ondergronds station. Onduidelijk
is waar ik naar toe ga en waarom ik alle breinaalden

gekregen heb. Vroeger deden we het grapje dat we een breinaald
in onze mouw staken, precies onder onze oksel, alsof

we onszelf doorboorden; ook kon je mikado spelen met reuze
attributen. In ieder geval werd iedereen nerveus van

de snelheid waarmee mijn moeder en ik met de pennen tikten, ook
al zaten wij rustig op het leer in de huiskamer.

Misschien ben ik onderweg daar naar toe, naar haar koele wangen
en onverdroten ijver en dat zachte breigoed in haar schoot.

vogels vallen

Allerlei dieren rollen zich in de sneeuw op de stookplaats van
mijn vader, het achterste stukje land dat

afbreekt boven de rest van de wereld. Ik breng ze water met de
kruiwagen, het pad vol as, mijn moeder die me

roept maar onzichtbaar is, de God uit mijn jeugd afwezig. Bijna
voel ik de warmte van het vuur, eigenlijk

ben ik bang voor de beesten. Die droom wordt gevolgd door
een andere, ik noteer ze maar kan ze terughalen

zonder die aantekeningen te lezen, het is als het geschreeuw
door de dunne wanden heen, bloemen van stof

die bewegen en in de nacht zich openen. In de ochtend een grauw
gelaat, soms de details van zijn avontuur, vaker

het stof van zijn dolen door de hel, niemand kon de dorst van mijn
vader lessen noch hem vertellen hoe hij lopen moest.

dat was de afspraak

Dichter J. werkt blijkbaar bij mij op kantoor want hij zit in een
witte ruimte tegenover mij en heeft een enorm bureau

met lades die diep en leeg zijn en het vertrek is identiek aan de
hete glazen ruimte die ik ooit bezocht. Hij wil, zo

overlegt hij, trakteren. Er is ook een kind voor wie ik steeds moet
zorgen maar even later fiets ik over het Damrak

de vriendelijke boekenman te A. tegemoet die met zijn vouwfietsje
op me inrijdt terwijl ik roep ‘dit vinden ze leuk, he’

en op de toeristen wijs, mijn benen hangen dan wijd aan de fiets
en ik heb vreselijk veel vaart nog. Ook droomde ik

maar misschien was dat wat later over een enorme drol die steeds
in een glazen buis omhoogkwam en waarnaar ik

intens tuurde. Van een traktatie was overigens helemaal geen sprake
meer, dichter J. was nergens meer te bekennen.

ergens doet iemand open

Om bijna bovenin te wonen, tussen de kleinste bladeren en het
lichtste groen, de ijle witte flarden in de lucht

bereikbare stroken land, mee te doen met het gekwetter van vogels,
opgetild en voorzichtig neergezet, wachttoren en

verblijf. Vanaf de kijkgaten het overzicht, door de openingen de
geur van toen, alsof dat wat beneden ligt nog altijd

bereikbaar is maar het gekrioel van beesten niet meer zichtbaar
en het gestruikel over de wortels, het zacht achterover

vallen, het volgen van de voetstappen, overbodig. In een droom
de ontmoetingen, hoe daar ergens mijn vader

wacht, zoals hij dacht, mijn mamma, zoals zij hoopte, gekke schilder
W. tussen zijn portretten, dat was de afspraak, of

de rode kater, de waakhond en meisje J. maar voorlopig wakker
van geen enkel vertrek weten en niets beloven.

soms valt er iets uit een oor

Dat ‘blijf’ te horen en dat zachtjes trekken aan mijn lijf zodat
ik achterover val en terug, eerst het haar, dan

de rest, daarna het uitzicht door de open gordijnen. In het donker
oplossen, de ochtend weg, de droom opnieuw.

Er hangt een naam tegen de winkelpui, oranje papier met grote
letters achter plastic, meerdere namen met

opdrachten daaronder. Hij moet eerst zijn shirts halen, de straat
is lang, er lopen veel mensen. Ik hoef niets, er

verregent een belofte, hij verdwijnt. Zijn hand ligt later op tafel,
los zomaar, hij moet stoppen met nagelbijten, ik

leg mijn hand bovenop, er volgt geen arm, hulpstukken zijn we,
zo goed als echt nagemaakt. Opstaan was

beter geweest, weggaan ook. Niet zachtjes maar nadrukkelijk
zoals een slaande deur, de bel van de winkel rinkelt.

het feestartikel

Hij staat op de vluchtheuvel bij het kruispunt waar iedere fietser
door het rode licht rijdt en draagt een nauwsluitend

blauw pak met capuchon die half over zijn gezicht valt en roept
oi als ik voorbij kom en ik kijk om, schrik, en kijk

weer voor me en denk dat kan niet want hij is dood en ik hoor
mezelf roepen, geen oi maar iets veel harders, ik

heb mijn moeder nodig, nu! Dat hij dood is, goed, maar dat hij
daar nu staat in dat enge pak dat als plastic blikkert

en over zijn hoofd gegoten lijkt, dat oi, dat omkijken van mij!
Mijn moeder reageert evenwel niet en de nacht

is te warm om weer in slaap te vallen. Ze zou gewoon langs
kunnen komen hoewel misschien van de

andere kant en mijn vader zou hinderlijk claxonneren en zonder
meer de stoepen nemen, het blauw zou zich uitspreiden.

mijn planning

In de vier wanden van haar bestaan kleven de haren aan de
vloerdelen, wuiven de jurken haar na, kraken

de ramen en piepen de deuren, de zwarte vlekken zijn de
bomen die tegen het glas tikken, schaduwen

van dromen, een verre sirene. Ondergedoken in lichte lakens
met zwaar de warmte op haar drukkend

zoals hij dat doet, een jengelend kind dat een ijsje laat vallen
vraagt om meer. Met een kalme hand zou

je de muren opzij willen duwen of het hele dak willen optillen
als bij een maquette die je afgekeurd hebt en

waaraan je nog wat wilt werken, het stof blaas je tezelfdertijd
uit de hoeken. Als alles omvalt is er nog

het weiland, een strootje in je mond, grenzeloze verte boven
je, hij speelt in de sloot en vangt kikkervisjes.

stel dat er iets bijgesteld moet

Als je je vingers in je oren prikt en je ogen in het laken, zie je
soms nog meer dan daarvoor. Geen flitsen licht

maar kleine eilandjes zilver, verlaten tafels waarop nog bord
en beker, een woning diep onder je verlaten.

Ook dit gaat over, piept een kind, een boodschap die ik pas na
uren lees, ik zit in een droom die zich herhaalt.

Bij mij juist honderden mensen die zich verdringen tussen de
muren, muziek overal terwijl er gewacht wordt

op een nieuw optreden van mij, ik heb geen tekst gereed, ik wil
weg, altijd vlucht ik volgens dezelfde route.

Ik roep maar wat, spring op een boot, glijd een haven uit. In
de verte het glinsterend gebied, het vaartuig

opeens een vloot van kleine onbetrouwbare schepen, vissen die
uit mijn neusgaten schieten en spartelen in bed.

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑