Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: dromen (pagina 1 van 16)

in het nog groter hart

Buiten wordt om Fluffie geroepen, zacht maar aanhoudend
en bijna klagend, geen harig kwispelend vertederend

wezen maar een kale vechtersbaas met geplooide ledematen
neemt met snelheid het grasveld, zich

quasi gehoorzaam voegend naar een dun meisje in trainingspak.
Er is ook een droom die niet klopt, zonder

slipje sluip ik door de tuinen, steeds aan mijn shirt trekkend zodat
niemand mijn billen ziet. Misschien heb ik een

paardenstaart op mijn hoofd en noemt iemand me met dezelfde
naam, heeft hij een zachte kwast nodig voor

een volgende tekening, gebedel aan zijn voeten, alles immers
voor de kunsten. Binnen zuigt de warmte aan

de vloeren, voetafdrukken van zand en stof, druppels zweet traag
vallend langs stille delen als enige beweging.

tussen uitspraak en denkbeeld

Er zit bloed in mijn droom, teveel van dat lichte rode
dat wegsijpelt in sponsachtige onderdelen die

uit het lijf geperst dampend op een schaal voor me liggen.
Er zit te veel bloed in mijn droom, het

gesprek gaat achter gesloten deuren verder maar mijn
gedachten zijn elders, koortsachtig. Behoedzaam

leg ik mijn handen terug op mijn buik. Ik fiets langs de
straten van asfalt waarboven lichtgele bomen

zachtjes hun geur naar me toe wuiven, ik kan fietsen,
zie je wel, er is niets om ongerust over te zijn.

Mijn moeder zal op me wachten met twee plakken koek
bij de koffie en met een koud neusje ergens

in mijn hals, daar stopt mijn pijn. Ik zie wat bleek, zal ze
zeggen, en voor de grap prikt ze in mijn zij.

de verkeerde rij

Met de keukenschaar knipte ik wortels van bomen alsof
het strengen haar waren die zacht en zwaar

op de keukenvloer vielen, misschien omdat ik angstig
keek naar de plukken grijs die eerder onder

zijn zachte borstel in de hoek van een kamer gedreven
werden en niet langer tegen mijn borsten tikten,

en ik droomde dat mijn hand stijf werd en dat ik om de
stam heen liep en zo moe werd van het werk

dat ik liggen ging en in slaap viel en later wakker tijgers
naar me toe zag sluipen, uitdagend traag,

en hoger klom en hoger en zij mij volgden en dat mijn
hand in een bek verdween en ik wilde roepen,

een heel zacht help klonk in mijn kamer, en de tong voelde
en de tanden en de huid, en ik de strepen

telde en toen de schaar open in de boom zette waarop alles
leegliep en met een licht gesis verdween.

niemand mag er mee

In de beddensprei haakten zich gekleurde beesten van
allerlei vorm en grootte die langzaam zich

verspreidden richting zijn hoofd terwijl daarboven over
het plafond een gelatineachtige massa probeerde

zich los te laten, bijna drupte op zijn lijf, en de muren
nauwer om hem heen sloten, steeds dichterbij

kwamen alsof hij, bijna misselijk, zijn ogen stijf hield
terwijl hij zijn benen over de rand van het

enorme bed gooide maar nergens de vloer vond en met
heel lange poten zelf het dier leek waar hij

het bangst voor was, losgelaten door grijnzende engelen
met vorken hooggeheven langs gezichten

waarbinnen gaten al het redelijke vervingen, zijn vingers
opeens de klauwen van het nachtelijk monster.

Zoiets gebeurt, zei de zuster geruststellend in de ochtend,
en haalde twee van de vier pillen uit zijn bakje.

je had je nuttig gemaakt

De nacht is voor slapen, niet voor eenarmige bandieten
die me natspuiten met schoonmaakmiddel nadat

ze van een motor afspringen, ik stak plotseling over, me
achtervolgen en later vrienden blijken die

me schuilruimte aanwijzen voor nog grotere boeven. De
nacht is voor slapen, niet voor verhalen die

zich in het verleden afspeelden, nog niet helemaal klaar
blijkbaar, kinderlijk handschrift dat vertelt

hoe klote het was dat hij nooit iets mocht. De nacht is voor
slapen, niet voor reprimandes in de ochtend naar

halve klusjes, lichtzinnigheden, vergeten boodschappen,
achterstalligheden in onderhoud, krampende

delen in het lijf die omkwamen door motorrijders die uit
de bocht vlogen omdat ik op dezelfde weg liep.

nog een bezoekje

Het is opvallend hoeveel oninteressante mensen er in
één kamer passen terwijl zij in haar eentje

naast mijn bed staat in een droom waarin ik omgekeerd
in mijn ouderwets bed lig, de gehaakte sprei

op de grond gevallen, de kastanjetakken tikkend tegen
het venster, de deur met het ruitje op

een kier. Mijn jongste zoon staat volwassen op de gang
met een sigaar in zijn mond, hij heeft haar

duidelijk binnengelaten, en ik ben zo klein als toen. En
terwijl niemand in die ene kamer iets zei, babbelt

zij de oren van mijn hoofd terwijl ze daar blijft staan.
Ik moet dit onthouden, dacht ik en

opstaan maar terwijl ik dat deed, plotseling in gesprek
met honderd tegelijk, proefde ik de sigarenrook.

Het was zo’n heel dikke sigaar en de kleine kon rondjes
blazen met getuite lippen.

niets aan de hand

Als de schreeuwers nog slapen, sla ik mijn slag. Ik
fileer hun huishoudens, dring me op aan hun

aanrecht, vermaal hun geschiedenis, zet de geluiden
op nauwelijks hoorbaar. De rest van

de tijd doe ik dan alsof ik niet aanwezig ben. Er zijn
volle kastanjebomen waarin ik woon, enge

staketsels waaraan ik hang, jurken die zelfs over het
hoofd wapperen, de dampende lucht. Ik

schrijf ze uit, zie mezelf op heel andere plaatsen, weet
waar ik vandaan kom, herinner me eraan,

lopend worden de cirkels steeds wijder. De eerste die
opstaat, treft zijn woning in het weiland,

omgekeerd, de tweede zijn auto in de lantaarnpalen,
de derde blijft liggen, roerloos.

per ongeluk met natte vinger

Zomaar is de avondlucht, dampend en kil, dezelfde die om
het oude huis hing waar ik deuren nog moest

afsluiten, in alle dromen hangen ze los in hun sponningen,
en waar je met toegeknepen ogen in het veld

rondom altijd ongewenste indringers ziet lopen, de was van
je moeder ziet wapperen, hem ziet als laatste

bezoeker en zomaar ook mijn hart vol tranen. Zo traag als
ik wegfiets, de treinen leeggestroomd, zo

snel neemt de heimwee bezit van me, benen zwaar en banden
bijna leeg. O om dat alles mee te kunnen nemen,

hen bij de hand, en van het ene land naar het andere te kunnen
gaan en door de flarden mist voorgoed de

contouren te herkennen van je eigen thuis, niemand onwelkom
en deuren altijd open, hij als eerste bewoner.

hij kan nu eenmaal niet alles

Van heel ver kom ik vanmorgen, vanuit drie rondes om
een kerk, vanuit de woestijn en veertig dagen

lopen, vallend vanaf een berg, uit zijn armen, ergens waar
ik eerder was, lang niet gezien. Even ook

weet ik niet wie ik onderweg gesproken heb, misschien
heb ik aan een glas geroken en een inhoud tot

me genomen die niet voor mij bestemd was, is het mijn
hoofd dat in het zand rolde. Dat allemaal

nog binnen de tijd; ik sla mijn benen over de rand en sta
in het water, kijk naar de voorbije minuten, tel

de komende, hijs me in mijn houding, het haar hangt
tenslotte aan iets waarin ogen en mond opnieuw

registreren en de handen doen wat ze kunnen: openslaan,
licht beroeren, zacht bewegen, terughalen.

voor vier dagen toe

In mijn slaap hoor ik hem zeggen hoe hij mijn enkels
ruikt, mijn enkels? Mijn met bloemetjes

omgeven nog smalle enkels waarlangs ik veters strik
die met los gebaar mij laten struikelen,

witte onderdelen die ik op tafel kan leggen, kruislings,
zodat hij, een ander, mijn voeten kan pakken,

ruiken? Er was altijd iets dat hij rook: de kwaliteit van
zijn eten, de houdbaarheid van zijn waar,

het zweet onder mijn oksels, de natte strepen uit mijn
lijf, de schaterende poriën, de verbergende

plooien, het teveel aan patchoeli, de zomer in al mijn
haar. Ik verdedig me in de nacht, gooi hem

alles voor de voeten, omklem hem met wurgende dijen
en benoem elk stinkend commentaar van hem.

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑