Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Auteur: alja (pagina 1 van 411)

het wachten

Drie gedichten door naar 2e ronde Turing.

het wachten

De maan, zei mijn moeder, kun je niet altijd meer vertrouwen
maar het was in mijn vaders oor dat ik fluisterde

‘en nu maak je er een einde aan en stop je dit’ waarop ik nog
net de hulpeloze, weke en ook spottende lach zag

die zijn mond trok, hij droeg een roze-wit gestreept coltruitje
en een kind in zijn armen en achter hem kwam

een donkerharige schoonheid die naar de grond keek maar ook
lachte en alles was opnieuw verloren. In de lucht

was niets te zien, mijn moeder verdwenen, in de kamer een
veldbed waarop ik lag, opgerold onder een blauwe

slaapzak, ook mijn hoofd verstopt. Zachte duwtjes tegen mijn
lijf deden me opstaan. Ik hield de slaapzak om,

het gras was nat van dauw, mijn voeten liepen de achterdeur
uit, daar was mijn moeder, ze keek over haar schouder.

alleen op hoogtijdagen

Een van die herinneringen is het opeen gepropt in de Volvo
over een beijzelde weg naar de stad rijden, nacht,

sterren aan de hemel, achter ons een pesterig vriendje dat
probeerde in te halen maar niet deed, mijn

vader nonchalant maar rustig, mijn moeder met gilletjes en
op haar zondags gekleed terwijl wij een lange

broek aan mochten omdat het vroor en de Grote Kerk zou
tochten, zij had haar bontjasje net over haar

billen hangen en haar pumps schraapten over de graven, en
dan de mensen in het heilig ruim waartussen

hinderlijk vaak net die ene klasgenoot op wie ik het hele jaar
in stilte verliefd was, de kaarsen walmden en

dropen en als altijd bezorgde de samenzang niet getoonde
tranen en ergernis, het wachten was op het Amen.

“iets meer jij, en wat minder ik”

“iets meer jij, en wat minder ik”

hinderlijk persoonlijk

De buurvrouw hing met kerstbal en klok uren in het trapgat,
het huishoudtrapje als bewijs van haar bemoeizucht

en ijver, haar moed ongekend en alleen op hoogtijdagen in
het zicht terwijl de buurjongen van de laagste

vloer zijn brommers startte in de berging en de trap nam via
de houten loopplank, de buitendeur hing al

aan het touwtje uit mijn bovenste plank, en het donker instoof,
zijn vriendin achterlatend die het zware geval

niet in haar eentje op dezelfde manier beheerste en de tijdelijke
intrek van een door noodlot achtervolgde vrouw

daarnaast werd een blijvende. Haar vuilniszak stond nu voor
de zevende dag dreigend in de hal. Het

wachten is op de geur van kerstbrood en wildgebraad dat alle
menselijke uitwerpselen zoete gevoelens geeft.

het prachtig rood

Mijn zusje zei bij het lezen van mijn vorige bundel dat het
meegevallen was, de inhoud was niet zo

hinderlijk persoonlijk als zij gedacht had, en het enige dat
haar opgevallen was, bleek de kleur ‘paars’,

dat was het woord dat ze het vaakst geteld had. Het was een
aanwijzing dat ik paars moest gaan dragen, zei ze.

Op mijn toetsenbord is de ‘e’ het meest uitgesleten. Ze zou
het in verband brengen met het groot ego van

de kunstenaar en hoefde niet meer op mijn stoep dat verwijt
te schreeuwen, zelf zocht ik naarstig naar nog

meer woorden met een ‘e’ en deed wat vuilniszakken vol
zwarte kleding weg. Heel fris, zei mijn

lievelingsbroertje, de enige die mijn nieuwe bundel in de kast
had geschoven, toen ik in het lila tegenover hem zat.

dat van troost

Als ik het geweten had, was ik behoedzamer geweest zoals je
zuinig doet als je ziet dat er nog maar drie ingevroren

boterhammen liggen, een half pakje diepgevroren bramen met
het wit uit een strenge winter, een plakje vlees dat

ook vis of kip kan zijn en even onbestemd van kleur blijft als
het eenmaal in de pan ligt. Ik houd van voorraden,

ik heb dat moeten afleren, maar ik houd niet van voorbereid
zijn op mindere dagen als deze. Dat je ledematen

tegelijk met armoede van je afvallen of weigeren iets te doen,
dat je koud en stijf niet warmer wordt dan van het

vinden van een leeggelopen kersenbonbon in het prachtig rood
van een komend feest terwijl je natuurlijk alleen maar

het papiertje tegen je oog moet houden en een lichtstraal moet
zien te vinden die even sterk is als de ster van Bethlehem.

de hindernissen

Een paar dagen zonder mensen, anderen dan de poppetjes
ver beneden op straat en hun dichtslaande autoportieren,
vroegtijdig afgestoken vuurpijlen en blaffende

honden, zonder gesprekken, aanwezigheid, tegenspraak en
geduld, als een weiland zonder beesten maar alleen met
laagtrekkende meeuwen of vallende zwaluwen

en regen dus natte aarde en geen uitzicht dan het zelfbeeld
in de huilende vensters, geen geluid dan het neervallen van
het water en geen beweging dan het meten van

de omringende muren aan de stappen van alleen jezelf, het
schilderij aan de ene, de foto aan de andere, het papier tussen
je vingers al bijna uit elkaar vallend van ouderdom,

verzet binnen de letters, als een herinnering een uitspraak
herhalend, dat van troost, dat van liefde, dat van toekomst,
dat van geheel, gebaar van voortgaan, wachtend

op de ster aan de hemel, het breken van het massieve zwart
dat andermaal het begin is tot daar een kind ketst tegen de
zachte wanden in je lijf en begint met praten.

je publiek

Alkmaar, 7 december 2018
(kunstenaar Hans van Marwijk knipt mijn haar)

 

je publiek

“En ik stelde me voor hoe hij daar had gestaan, bij mijn voordeur, en hoe hij één voor één die boeken door de brievenbus duwde. Alsof hij een kind aan het voeren was.”

uit Heilige Dagen, Mischa de Vreede

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑