Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Auteur: alja (page 1 of 440)

symbolen uit een andere tijd

Met zijn bril op tafel huilt hij zonder geluid te maken, wrijft
in zijn ogen, laat het haar vallen, kijkt mij aan terwijl

mijn armen te kort blijven, mijn lijf keurig rechtop. Ik heb geleerd
niets te bevestigen, niet dit verdriet, niet dit zijn.

Chronologisch, zeg ik en dwing hem het verhaal af en het duurt
lang voordat hij bij haar uit bed valt, haar lijf

koud. Hij huilt niet om wat er gebeurde maar om wat hij niet deed.
Hij had nog, en dit en dat en hij heeft nooit en

niet voor haar is dit schuldgevoel maar voor zichzelf. Ik vertel hoe
ik bij mijn stervende mamma in bed kroop, een

vogeltje in een roze dekentje, dat helpt, of hoe ik nu veel vaker aan
mijn vader denk dan daarvoor. Later pas

herinner ik me welke mannen nog meer huilden en waarom en of
ik meer vormen van geruststelling kende dan dat ene.

een in beweging

Met de houten breinaaldenkokers van mijn moeder, versierd met
bloemen en bladeren en symbolen uit een andere tijd,

loop ik te sjouwen over de straten van een verpauperde stad, klim
over mensen, brandnetels, lappen, huisraad en straten

en kom uit in een betonnen en ondergronds station. Onduidelijk
is waar ik naar toe ga en waarom ik alle breinaalden

gekregen heb. Vroeger deden we het grapje dat we een breinaald
in onze mouw staken, precies onder onze oksel, alsof

we onszelf doorboorden; ook kon je mikado spelen met reuze
attributen. In ieder geval werd iedereen nerveus van

de snelheid waarmee mijn moeder en ik met de pennen tikten, ook
al zaten wij rustig op het leer in de huiskamer.

Misschien ben ik onderweg daar naar toe, naar haar koele wangen
en onverdroten ijver en dat zachte breigoed in haar schoot.

een geheime voorraad

Een man in de stiltecoupé vraagt hoe of dat nou voelt en een
onzichtbare maar duidelijk aanwezige vrouw

antwoordt nauwgezet, bovendien is iedereen met die vraag bezig,
lijkt het, het gonst en krioelt van ongewenste

intimiteit en het uitzicht, een hangende regen boven industrie en
verlaten beesten, wordt erdoor beperkt. Met ogen

dicht kom ik niet verder. In dit kleine vertrek voel ik me de jongste,
een indringer ook, er is een enkel meisje dat

met minirok bruine dijen toont terwijl ze kauwend op de maat van
muziek uit haar koptelefoon over haar mobiel scrolt, de

overigen zijn samen op pad, delen het proviand na de eerste bocht,
het routeplan op schoot, een in beweging en

uiterlijk, het regenpak puilt uit de tas, de voorzichtigheid is dezelfde
als van de buren, een echt antwoord is het niet.

een andere kant

Soms geloof ik dat het niets uitmaakt wat ik voorlees zoals het niet
uitmaakt hoe jong ik ben en of mijn shirtje opkruipt en

de tekeningen op mijn lijf laat zien, de heer T. heeft er twee, of mijn
bril rechtstaat en of ik wel mascara op mijn wimpers

heb. Zo moet ik elke keer weer het wafeltje van de heer B. met een
grapje afslaan, straks verslik ik me nog, en

herhaalt hij zich in het doel van de traktatie, in zijn dressoir moet een
geheime voorraad liggen. Soms is het de eetgroep

van veertig jaar geleden, even hongerig en door elkaar pratend tot
de pan op tafel komt, soms is het mijn familie, mijn

pappa zwaait met de autosleutel, we gaan straks een ritje maken, het
kleed spreidt zich gemakkelijk uit in het weiland,

soms ook zijn het mijn vrienden, zich omhoog hijsend in deze boomhut
en vragend naar de betekenis van de kunst aan mijn wanden.

onze beste plek

Mevrouw de B. zegt dat ze al jaren wacht op een woning, ze
wil weer zelfstandig zijn maar ze krijgt de kans niet meer,

laat me je dit vertellen, zegt ze elke keer schel en steekt dan van
wal met een droef verhaal. Mevrouw V. zegt,

onverwacht fel, dat ze nu maar eens ophouden moet, bekijk het
van een andere kant, zo slecht is het hier toch niet

en wijzend op de groep rond hen benadrukt ze de vriendschap
en het vertrouwen dat opgebouwd is. De B.

staart over mij heen naar buiten. Het gaat onweren, zegt ze en
dat is het laatste voor die middag. Ik word er

niet goed van, zegt mevrouw V. mij in vertrouwen, die negatieve
houding. Zelf hoop ik iedere keer dat er geen

enorme huilbui komt, dat ze haar kleren aanlaat en mij de zinnen.
Jij bent in ieder geval droog over, zegt de heer T.

wachten op je beurt

Aan de ene kant van de boomhut hangen de druppels nog op de
ramen als vergeten schilderwerk van een twijfelachtige

meester die onregelmatig zijn handschrift heeft verdeeld, aan
de andere valt een zonnestraal slordig tussen

omvergeblazen planten, bladeren die op een hoop tegen de deur
kleven, kussens op de grond en niet op de stoelen,

een vogelhuisje scheef tegen de muren. Bij de rechterkant horen
grijze pluimen en kleine scherven blauw, bij

de linker een vogel die op de rand hipt en gevaarlijk onder het
lege blauw balanceert, aan beide zijden is de

wereld verder leeg op een gerommel na dat aanzwelt zodra we
plaatsnemen op onze beste plek. Nog even en

alles wordt van het donkerste groen en donkerste blauw en nog
hebben we geen geluid gehoord dan die zachte vogel.

het hoopje zoet

Die toevalligheden. Elders te moeten zijn maar me afmelden en
dan thuis te lezen over die plek waar ik had moeten zijn.

De naam verlokkend, een paradijs belovend en plastic bekertjes
met limonade, vlaggetjes over een zompig terrein en

tikkende tentstokken die nooit compleet waren, wachten op je
beurt bij hokjes die niet tot onderaan sloten en niet

alle bordjes bezet maar wel overal voeten zien uitsteken op flip
flopslippers. De toen nog droeve D. kwam

daar terecht na een ongelukkige scheiding, vermeldt het boek
van K. dat ik lees. De storm om de boomhut neemt

net iets af, het dak van een pretentieus stadion stort in, het gekraak
is overal te horen. Ik zag beelden van

wielrenners die over elkaar heen gleden in plaats van naast elkaar
maar er was een winnaar. D. vond een vrouw in de kantine.

dichtdruk 5

dit keer geen eigen verzinsel

Ze had zich wel eens over het graf gegooid van de man die zij
het meest miste, ze zei het terwijl ze in haar gebakje

prikte en op zoek leek naar nog een verborgen kers of hoe het
allemaal tegelijk in haar mond zou passen, en

beweerde geen voorkeur te hebben voor deze smaak. Ik dacht
aan kruisjes slaan en misschien op één knie

bekennen hoe vaak ik hem vergeten was, de regen van de steen
afvegen en de bloemen recht en kijken dan

welk graf vers was en welke teksten anderen droegen en het
gehuil horen misschien tijdens de plechtigheid.

Ze had nog een hapje genomen en schoof toen het schoteltje
opzij. Ik neigde tot het fatsoeneren van het

hoopje zoet maar ze legde haar hand over de mijne en noemde
de zeven stadia van rouw of waren het er negen?

een scherp gevoel van tijd

Mijn deelneming naar een adres dat ik nooit mocht gebruiken,
waarvan de voordeur slechts een keer geopend werd

om mijn cadeautjes naar buiten te gooien, te schelden en het
bonzend geluid te reproduceren dat bij ongewenste

inmenging hoorde. Als ik mijn best doe komt het telefoonnummer
vanzelf naar boven, mensen onthouden de gekste

dingen, het sproetje rechts op de grootste borst of hoe haar eten
allemaal op een lepel werd geschoven en ze toch

nog morste. Ik noem op de enveloppe een hele familie en vouw
dit keer geen eigen verzinsel, geen vliegtuigje, er is

geen gedenkteken dan de standaard kaart, licht glimmend en met
een grashalm in een verlaten duin en mijn naam

is volledig, het handschrift zelfs bijzonder net. Nog steeds denk
ik vooral aan haar en woont hij elders blijkbaar.

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑