Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Auteur: alja (pagina 1 van 387)

een mooie zomer en haar beschaving

na de Reuring van gisteren kreeg ik dit in mijn handen gedrukt
met een kadootje

in familielijn opgeschoven

‘oma, motor please?’
Alkmaar, juni 2018

in familielijn opgeschoven

In mijn schoot kleine onderdelen die vanuit mijn handen
een voor een naar beneden vallen, daar

wat stoeien en dan in de fruitschaal geworpen worden en
wachten op hereniging, onherkenbaar bijna

dagen ze uit om in een andere volgorde aan elkaar gestikt
elders te gaan wonen. Eerst via het scherm

gekeurd worden door hem, vastgepakt zonder ze aan te
raken, met grote donkere ogen die vandaag

niet lachen maar schatten hoe de figuren passen in zijn
gebouwde wereld. Daar aangekomen rijden

ze over zijn mamma’s buik, vliegen uit de bocht bij haar
halslijn en verdwijnen in het zachte haar waar

zijn kriebelend handje hen vasthouden en weer terugvoeren
naar de grond waar ze in het tapijt vastlopen.

 

 

 

een optelsom van wat we hadden kunnen doen

’Als je mensen in winkels hun kleren en schoenen en zo ziet uitkiezen, doen ze daar tijden over – alsof alles wat ze kiezen fantastisch en perfect zal zijn. En moet je hen vervolgens zien. Meestal zien ze er domweg afschuwelijk uit – of gewoon alledaags. Ze hadden hun kleren net zo goed uit een grabbelton kunnen halen.’
‘Binnenkort zal iedereen een of ander uniform dragen,’ zei Polly treurig: ze begon zich weer ellendig te voelen.
‘Ik vind het een interessante waarneming,’ zei Clary nogal in haar wiek geschoten. ‘Ik denk dat die ook van toepassing kan zijn op andere dingen van mensen – en het zou weleens een serieuze beschouwing van de menselijke aard kunnen zijn.’

uit: Elizabeth Jane Howard, Marking time

een optelsom van wat we hadden kunnen doen

Een vreemde op straat die me zegt voorzichtig te doen
komt dichter bij me dan de vriend die

achter me schuifelend beweert voor me te zorgen. U ook,
antwoord ik en zomaar ben ik bekender

en geliefder dan tevoren. Zo was de oude dichter die
zijn ogen tot spleetjes kneep alvorens hij

mij herkende en groette, vriendelijker dan het liefje dat
in mijn nek beet. Was u mij vergeten, zeg

ik de eerste terwijl het kleine gilletje bij de tweede met
veel minder plezier vergezeld ging en van

geheugenverlies geen sprake was. Dan zwaait mijn kleine
broertje die opeens in familielijn opgeschoven

helemaal niet meer op mij lijkt en de buurman voor laat
gaan. Jij hier, vraagt deze en adopteert mij terstond.

terwijl hij zijn benen over de rand van het enorme bed gooide

Vroeger kon ik weglopen, met vaste tred en dansende
haren, en niet omkijken terwijl ik wist hoe

hij daar stond en keek tot ik opgelost was in de straat,
verdwenen met eenzelfde verlangen. Nu

ik hem niet meer bezoek, kan ik ook niet vertrekken,
geen grapjes over hoe de treinen niet

meer rijden, de kat van honger omgekomen, kinderen
verwaarloosd en een moeder reeds in

het andere land. Er zijn alleen nog berichten over de
andere route die ik kan nemen, tijden in de

toekomst of hoe hij een keer deze kant opkomt, heus,
en dat alles meeneemt dat ik vergeten ben,

vragen over dichte deuren, een optelsom van wat we
hadden kunnen doen, terwijl het bed al open ligt.

terwijl hij zijn benen over de rand van het enorme bed gooide

“Ze begreep nooit wat de zin was van een uitzicht: het leek alleen vreselijk veel meer van wat je zag wanneer er geen uitzicht was (….)”

uit: Elizabeth Jane Howard, The light years

ik noem het soms voor mezelf uitbundige gereserveerdheid

interview met Guy Commerman

 

Ik noem het soms voor mezelf uitbundige gereserveerdheid

niemand mag er mee

In de beddensprei haakten zich gekleurde beesten van
allerlei vorm en grootte die langzaam zich

verspreidden richting zijn hoofd terwijl daarboven over
het plafond een gelatineachtige massa probeerde

zich los te laten, bijna drupte op zijn lijf, en de muren
nauwer om hem heen sloten, steeds dichterbij

kwamen alsof hij, bijna misselijk, zijn ogen stijf hield
terwijl hij zijn benen over de rand van het

enorme bed gooide maar nergens de vloer vond en met
heel lange poten zelf het dier leek waar hij

het bangst voor was, losgelaten door grijnzende engelen
met vorken hooggeheven langs gezichten

waarbinnen gaten al het redelijke vervingen, zijn vingers
opeens de klauwen van het nachtelijk monster.

Zoiets gebeurt, zei de zuster geruststellend in de ochtend,
en haalde twee van de vier pillen uit zijn bakje.

opnieuw de bergen in trekken

De volgende morgen zijn de woorden op, proviand
dat te gretig onderweg is opgesnoept,

honger die blijft, kruimels die slordig blijven liggen,
niet genoeg voor ons allemaal. We

hijsen een rugzak om, stoppen een mes in onze laars,
drie centen in de handpalm en zoeken voorraad

voor de winter, morgen is het reeds min tien. Niemand
mag er mee, alleen wij zijn verantwoordelijk

voor nog een kind. In de middag zijn we terug, bloed
aan onze handen, kakelende geluiden vanuit

een kromme rug, in de avond geurt het naar soep, een
vers, brood dat rijst. De volgende dag

liggen de planken overvol, de schuurdeur open, zingen
wij, rijmt zorgen op morgen, tien op zien.

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑