Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Auteur: alja (pagina 1 van 402)

te doen als altijd

Of ik nog even wil verklaren waarom en met welk materiaal,
vraagt een tentoonstellingscommissie, ik denk

aan fietsen door het weiland met rollen papier op de fiets, een
foto of twee in de mand, dubbelzijdig tape onder

de snelbinder en een licht fluiten van wind en mezelf. Ook zie
ik een bezoeker voor mijn werk door de knieën

gaan en mij vragen wat het thema is, ik ben nog jong daar en
niet van het uitleggen en roep stoer dat het

‘het leven’ is waarbij ik ook nog verwachtte dat hij zou knikken,
op zou staan en enthousiast met mij zou gaan

dansen terwijl hij alleen maar zei ‘dat is wel erg breed’. Je moet
jezelf niet achteraf willen duiden.

Hier zal iemand het papier gladstrijken en voor me op een trap
gaan staan en vragen of ik wil trekken aan de onderkant.

te doen als altijd

(de roze ligt volgende week in de boekhandel)

het laatste woord

‘Op foto’s van mezelf uit die tijd stond een afstandelijk kind afgebeeld, ouwelijk en achterdochtig. Ze poseerde keurig in een nieuw jurkje, of op een slee in de sneeuw, een bruin gezichtje tot aan de kin ingepakt in een wollen sjaal, en ik meen me te herinneren dat ik toen al bezig was de werkelijkheid te herschrijven, dat ik me erin oefende mijn gedachten te herscheppen tot het een vorm had die me beter beviel. Of is ook dit een verzinsel? Het brein van de schrijver is minstens zo bedrieglijk als de herinneringen van elk ander mens. Schrijvers hebben wellicht een groter talent voor leugens, en net als mijn vader lieg ik niet alleen de anderen maar vooral ook mezelf voor. Hij en ik, we fantaseren een werkelijkheid die ons beter uitkomt en het staat allemaal in dienst van het grote verlangen om vrij te zijn, zonder inmenging van die vermaledijde realiteit.’

uit Tenzij de vader, Karin Amatmoekrim

het laatste woord

Onder hen zijn er goedbedoelde adviezen, het moet toch
mogelijk zijn van dat moordend ritme af te wijken, dat
wurgend systeem los te laten, eindelijk te

zien hoe damp boven het weiland verdwijnt voor heldere
zonneschijn en de beesten allang gemolken nog wat
staan te dromen aan de kant. Niet dat

ik echt luister maar iets in mij verzet zich dan eindelijk
tegen het patroon uit al die jaren, het automatisme wordt
verbroken, nog meer dan anders denk

ik na. Koffie dan in de kamer, zien hoe schoolkinderen
in een lange sliert kleurig hun gymoefeningen al op de
stoep doen, ze niet alleen horen, uitstel

van die eerste zin of misschien beginnen bij de laatste.
Maar natuurlijk, zeggen zij, terwijl ik aarzelend meen
morgen, morgen toch weer gewoon

te doen als altijd: in een vloeiende beweging gedicht en
lijf, mens en dier, mist en zon, droom en verzet, daad
en verzuim nog voor hun ontwaken te verzamelen.

hoe oranje rood wordt

Ze hadden geen uitzonderlijke lijven, geen verblindende
schoonheid, ze waren niet jong en hun jurken

hingen doelloos om hen heen maar taal liet hen slingeren
om elkaars heupen, voeten wrijvend tegen

elkaar, haar dat glanzend omlaag viel, lippen stukgebeten,
herkennen tot het laatste moment. Niet

mee te kunnen daar en toen, spijt voor niet getoonde moed,
op de bank met een veldboeket waarvoor je

niet eens meer bukkend over de aarde naar haar toe kon.
Kamers die grenzend aan elkaar alleen

openden bij een klop op de deur, handen onder tafel, het
gesprek altijd afwendend, kijk hoe bijzonder die

ander is. De mooiste voor haar, altijd jong voor haar, het
laatste woord altijd voor haar, ook nu.

hoe oranje rood wordt

“Het eerste dat ik in deze wereld wist was dat ik alleen was en niet werd gezien. Toen wist ik dat dat niet zo was. Je bent niet alleen mijn haven in de storm, waarnaar vrouwen van middelbare leeftijd geacht worden uit te zien. Je bent een donkere en flonkerende zee en het zout, strak opdrogend op mijn huid, onder een felle, blekende zon. Je bent de school witvisjes waar we doorheen lopen. Je bent de kleine vissersboot, de boeg zo verschoten dat je nauwelijks ziet dat hij blauw is. Je bent de paarse hemels, regen die in het zand spettert tot het bijna modder is, en je bent het licht dat zal komen. Je bent de kleine, gestuukte huisjes met blauw en wit en blikkerende zinken daken bij de pieren en de stoffige kippen die door het café rennen. Je bent het opgelapte zeil en de hoopvolle mast en de gerafelde groenige touwen. Je bent de schelpen, de dunne, parelmoerachtige die bijna verkruimelen in je zak, en de brede blauwe, die net grove messen zijn. Je bent de kleine meisjes die water dragen in hun rode emmertjes, en je bent de vernielde zandkastelen bij zonsondergang, druk versierd met zeewier en meeuwenveren. Je bent de ochtendstond die het donker terugduwt tot het strand glinstert en de meisjes terugkomen met hun emmertjes, hand in hand.”

uit White houses, Amy Bloom
vertaald tot Witte huizen door Paul Syrier

niet iedereen kan daar tegen

“Emily Dickinson zei, of iemand heeft gezegd dat Emily Dickinson zei, dat strengheid geen substituut voor geluk is. Niets neemt de plaats is van geluk, maar volgens mij komt strengheid dicht in de buurt. Het is een troost en een bolwerk. Het werk is de beloning voor mijn aandacht. De zinnen die ik gisteren schreef stellen me gerust (als ze niet mijn afgrijzen wekken). Ik heb sinds Franklin is gestorven volgens dezelfde dagelijkse routine geleefd en ik houd van mijn schema, zoals ik van mijn hond houd, zoals ik van mijn huisje hield, zoals ik van mijn appartement en mijn esdoorn houd. Discipline is nu bij uitstek het middelpunt van mijn leven en ik luister dag en nacht naar de radio, volgens een schema.”

uit White houses, Amy Bloom
vertaald tot Witte huizen door Paul Syrier

niet iedereen kan daar tegen

Een kwartier, zeg je, of misschien de tijd tot het volgend
vliegtuig met strepen je lucht markeert, alleen

tot dit hoofdstuk, de hoek van de straat, het rode licht, dan
is het over, het denken gestaakt. Halverwege

de regels komt het terug echter, er zijn twee vliegtuigen,
drie hoofdstukken, welke hoek bedoel je,

je ziet hoe oranje rood wordt. Vervolgens doe je het hardop,
net alsof het dan duidelijker wordt en je

je beter aan de afspraak houdt, je vat samen, concludeert,
beveelt aan en wacht tot het stil is. Het

opschrijven zoals het is, het onvermijdelijke, doe je pas
daarna, gauw het schrift dicht, de la met

een duwtje, even open nog en alles recht leggen, plat zodat
en dan met je knie wat harder stoten totdat.

de andere kant

Gisteren vertelde hij dat hij ook wel eens een gedicht maakt,
luister maar, heel gemakkelijk eigenlijk. Vandaag

gaat hij op zoek naar een lief gezichtje dat hij van haar lijf kan
plukken en vasthouden kan, meenemen

misschien. Wat rijmt er op ‘verlegen’ maar ik zeg dat er niets
hoeft te rijmen, niet iedereen kan daar tegen.

Terwijl er op het schermpje alternatieven gezocht worden voor
een en hetzelfde begrip, zal hij vandaag

met handgebaren haar hoofd terugzetten, voor lief iets anders
nemen, benieuwd wat hij morgen zegt. Hoe ze

kijkt, zegt hij, daar hangt het misschien van af. Gisteren riep hij
ook nog dat moeders of te blij zijn of te

bezorgd reageren. Insturen, zou ik zeggen, voor een wedstrijd
maar ik hield gelukkig mijn mond en knikte.

de andere kant

Wat jammer dat de aarde niet op maat is
als elke puzzel in haar puzzeldoos
of als haar pluchen apen en haar beren,
net groot genoeg tegen verlegen.

uit Nichtje, Luuk Gruwez
uit Bandeloze gedichten. Een keuze uit de poëzie 1977-1990,
opgenomen in de bloemlezing Familie duurt een mensenleven lang (Menno Wigman)

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑