Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: dood (page 1 of 4)

het verkeerde perkje

Het was volle maan, hij had gekeken naar die bol van licht, er
was een geur van voorbije zomer, bladeren op

het wegdek, spinnen in de bomen, geen mens op straat. Voor
hem zat een haas naar hetzelfde te kijken, oren

tegen elkaar gevleid, en dacht even diepe dingen. Hij minderde
vaart, er was niets mis met zijn ogen, zei hij

tegen zichzelf, het beest draaide zich om en verwisselende het
natuurverschijnsel voor zijn

rechterkoplamp. Hij bleef staren en hupte toen op het licht af.
Beiden voelden een bons, een lichte trilling.

Het was alsof de haas op schoot lag en zijn laatste warmte aan
hem gaf, het bloed over zijn dijen liep, zijn

vingers over de zachte vacht maar hij stopte niet. Hij reed zelfs
weer sneller zodat het licht voorgoed over het beest viel.

een aai

Op haar bleke, blote arm staat dat ze eerst van haarzelf moet
houden, blokletters met een dikke zwarte rand

en natuurlijk internationaal vertaald. Problemen met haar vader,
denk ik, iets van vroeger, pesterijen en hopeloos

verliefd op de verkeerden maar als ik zie hoe vaak ze op haar
scherm kijkt en poseert, aan haar haar trekt en

aan haar kleding, haar lippen tuit, hoor hoe een zachte klik steeds
weerklinkt, is het een hopeloos egocentrisch wezen.

De trein terug rijdt niet verder vanwege een aanrijding met een
persoon. Even vallen deze twee figuren

samen terwijl de zondagse rust nauwelijks verstoord wordt, alle
inzittenden laten zich met gemak leiden naar

een bus waar in zachte stoelen achterovergeleund, het hoofd op
een kleedje, de laatste meters met een grap worden aanvaard.

niet dit zijn

Zij die altijd zo verstandig was, dacht op een dag te kunnen vliegen,
een kind op het dak van het schuurtje in de achtertuin,

en het liefst over de geiten heen die rond de boomstam stonden en
de auto van haar vader op het pad en dan langs

de kerktoren met de haan die nooit kraaide. Ze was bloot en heel
licht met armen die zwaaiden en benen die

zich als een kampioen zwemmer openden en sloten en haar haar
volgde haar als een lint, ze had alvast gewonnen, het

halve dorp stond haar na te kijken, iedereen wilde hetzelfde maar
alleen zij paste op die schuur en in die tuin.

Ze was ook helemaal niet bang om te springen hoewel ze misschien
een volgende keer de toren zelf zou moeten nemen maar

als ze haar ogen dicht hield was afstand relatief en val versus tijd
een opgave uit haar wiskundeboek die ze feilloos maakte.

symbolen uit een andere tijd

Met zijn bril op tafel huilt hij zonder geluid te maken, wrijft
in zijn ogen, laat het haar vallen, kijkt mij aan terwijl

mijn armen te kort blijven, mijn lijf keurig rechtop. Ik heb geleerd
niets te bevestigen, niet dit verdriet, niet dit zijn.

Chronologisch, zeg ik en dwing hem het verhaal af en het duurt
lang voordat hij bij haar uit bed valt, haar lijf

koud. Hij huilt niet om wat er gebeurde maar om wat hij niet deed.
Hij had nog, en dit en dat en hij heeft nooit en

niet voor haar is dit schuldgevoel maar voor zichzelf. Ik vertel hoe
ik bij mijn stervende mamma in bed kroop, een

vogeltje in een roze dekentje, dat helpt, of hoe ik nu veel vaker aan
mijn vader denk dan daarvoor. Later pas

herinner ik me welke mannen nog meer huilden en waarom en of
ik meer vormen van geruststelling kende dan dat ene.

dit keer geen eigen verzinsel

Ze had zich wel eens over het graf gegooid van de man die zij
het meest miste, ze zei het terwijl ze in haar gebakje

prikte en op zoek leek naar nog een verborgen kers of hoe het
allemaal tegelijk in haar mond zou passen, en

beweerde geen voorkeur te hebben voor deze smaak. Ik dacht
aan kruisjes slaan en misschien op één knie

bekennen hoe vaak ik hem vergeten was, de regen van de steen
afvegen en de bloemen recht en kijken dan

welk graf vers was en welke teksten anderen droegen en het
gehuil horen misschien tijdens de plechtigheid.

Ze had nog een hapje genomen en schoof toen het schoteltje
opzij. Ik neigde tot het fatsoeneren van het

hoopje zoet maar ze legde haar hand over de mijne en noemde
de zeven stadia van rouw of waren het er negen?

een scherp gevoel van tijd

Mijn deelneming naar een adres dat ik nooit mocht gebruiken,
waarvan de voordeur slechts een keer geopend werd

om mijn cadeautjes naar buiten te gooien, te schelden en het
bonzend geluid te reproduceren dat bij ongewenste

inmenging hoorde. Als ik mijn best doe komt het telefoonnummer
vanzelf naar boven, mensen onthouden de gekste

dingen, het sproetje rechts op de grootste borst of hoe haar eten
allemaal op een lepel werd geschoven en ze toch

nog morste. Ik noem op de enveloppe een hele familie en vouw
dit keer geen eigen verzinsel, geen vliegtuigje, er is

geen gedenkteken dan de standaard kaart, licht glimmend en met
een grashalm in een verlaten duin en mijn naam

is volledig, het handschrift zelfs bijzonder net. Nog steeds denk
ik vooral aan haar en woont hij elders blijkbaar.

keurig afgesloten

Ze hoorde mijn stem een keer, ergens op de achtergrond, en had
gezegd hoe jong ik klonk, de lijn zonder ruis blijkbaar,

en hij had gezegd ‘ja jong’, niet sexy, uitdagend, manipulatief
of altijd in zijn hoofd en ik had gedacht aan dat

‘jong zijn’ dat bijna ongemerkt voorbij ging. Nu staat er alleen
een berichtje op dat kleine scherm dat zichzelf zwart

omlijst, ze is overleden, heeft hij getypt, gisteren. De woorden
veel te groot voor dit kleine medium, ik zie geen

vogels vallen van een denkbeeldige lijn, mijn kleinzonen grijnzen
zodra ik niets doe, de wereld is onbestaanbaar

en tegelijkertijd de beste verblijfplaats. Ik denk niet aan hem, ik
denk aan haar en hoe vaak ze weggedrukt is,

verruild en verplaatst, gerustgesteld en besproken en hoe ik nooit
haar heb horen schreeuwen dat ik altijd jong bleef.

ergens doet iemand open

Om bijna bovenin te wonen, tussen de kleinste bladeren en het
lichtste groen, de ijle witte flarden in de lucht

bereikbare stroken land, mee te doen met het gekwetter van vogels,
opgetild en voorzichtig neergezet, wachttoren en

verblijf. Vanaf de kijkgaten het overzicht, door de openingen de
geur van toen, alsof dat wat beneden ligt nog altijd

bereikbaar is maar het gekrioel van beesten niet meer zichtbaar
en het gestruikel over de wortels, het zacht achterover

vallen, het volgen van de voetstappen, overbodig. In een droom
de ontmoetingen, hoe daar ergens mijn vader

wacht, zoals hij dacht, mijn mamma, zoals zij hoopte, gekke schilder
W. tussen zijn portretten, dat was de afspraak, of

de rode kater, de waakhond en meisje J. maar voorlopig wakker
van geen enkel vertrek weten en niets beloven.

op de tast

Omdat er altijd een keuze is, vond ze dat alles dat daarna kwam
haar eigen schuld was. En alles dat ervoor zat

ook. Ze had geleerd niet te treuzelen en dus kende ze soms niet
alle mogelijkheden voordat ze besloot en had

ze eenmaal besloten, dan wist ze later echt niet meer waarom.
Het was kortom een puinhoop in haar en

vaak dacht ze alleen maar daaraan of hoe ze dat in een keer kon
veranderen en voorgoed. Ze klom op

de toren van Z. maar had hoogtevrees en ze lag op de rails van
D. maar dat was bijzonder ongemakkelijk.

Toen kwam iemand die haar zou helpen en hartjes tekende op
haar ramen, daar koos ze echt niet voor, ze

was geen deler. Ze deed haar vingers in haar oren en liet het huis
ontploffen, alles dat daarna kwam was haar eigen schuld.

op een hoek

Het voelt als extra tijd, een geslaagde ontsnappingspoging. Eerst
als een luchtbel waarin toeval en noodlot elkaar

afwisselden zoals de vrouw in zwarte kleding en de man in witte
jas, later als een terecht verblijf in een verstevigd

huis maar onwennig nog vanwege de recente verbouwing, de
geur van specie, verf die vroeger het voorjaar

voorstelde, het compliment voor de herwonnen ruimte. Drukte
voorheen het dak het hoofd langzaam in elkaar, nu

raken we het plafond niet meer; waren eerst alle ramen gesloten,
nu waait zachtjes het leven binnen en met haar

alle mogelijkheden. Extra ook is het besef waarmee dat alles tot
stand komt, langzaam maar nadrukkelijk

liggen we op onze knieën zoals we als klein kind elke avond en
aan de bedrand deden en vouwen we de handen.

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑