Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: dood (page 1 of 2)

als de nacht zich herhaalt

Als ik hem in de ochtend vasthoudt, mag ik niet loslaten, we
rijden in een trein, we zijn, zegt hij,

nog niet bij een station. Uit zijn oplichtend mobiel komt een
herhalende cadans van spoorgeluiden, zelfs

de fluit van een locomotief, het stampen van de wielen, nu,
zegt hij, gaan we over een brug. Er zijn wat

vage bijgeluiden die hij niet hoort maar ik wel. Ik denk aan
het controleren van de kaartjes en wat

etenswaar in een rieten mandje, drank en een halve worst die
je deelt met de buurman. Hij slaapt. Bij

elke beweging van mij omklemt hij mij, er is nog een hand over,
ik schrijf ermee terwijl ik op zijn rug de zon

teken die er later echt is. Ik zet koffie, doe de gordijnen open,
verover de wereld alvast, hij is nog onderweg.

een belofte tot beterschap

De taalvaardigheid die een recensent noemt, is niets meer dan
de poging die ik jaren geleden deed zijn beste en

enige vriend te winnen voor het leven. Eindeloos lang berichtte
ik hem vanaf mijn buik en uit mijn bed de redenen

door te rijden, hij was er bijna, het lijk van zijn vrouw leek nog
op de leren achterbank te liggen van zijn bolide,

de kinderen ontroostbaar plaatjes plakkend op de zijramen, de
tegenliggers tellend, toeterend, ontwijkend, de

bergen hoog, de dalen gevaarlijk daarnaast. Uren praatte ik in
op zijn onwilligheid, zijn hardheid, blinde vlek

en blaffende hond, daar leer je van te schrijven, niets had te maken
met de vorm waarin. Ik was bloot en lag hem te

verlangen, hij was onderweg en wilde niets. Zo ontstond het rijm,
afwezig voor de lezer, slechts een behoefte van mezelf.

andere willekeurigheden

In de droom troost ik door zijn hand te houden, bang als hij
is, het is hetzelfde als tegen de kussens aan liggen

en doen alsof een lief daar slaapt of liever wakker nog. De
angstige vriend in de nacht met wie ik

rennend over pleinen en door straten ga, met wie ik me schuil
houd en verkleed een andere keer de deur openzet,

die huilt en die mijn vingers over zijn wang voelt glijden of
mijn tong likkend, ben ikzelf, het bed is

immers leeg. Het doen alsof, zowel de reddende engel zijn
als de belaagde, zowel het gevaar als de

geruststelling, is een dubbelrol die ik slapend en helder een
volgende morgen, gewend ben. Hij bedankt

me, daar, vannacht, ik zwaai mijn benen over de rand en ren
een nieuwe dag in, de dreiging blijft.

en natuurlijk ongevraagd

Op de hoeken van mijn bed blijven ze staan, worden steeds
duidelijker terwijl ze zich vasthouden aan de

spijlen, draaien erom heen, hoofd- en voeteneind een spiraal
van hun handelen, kop en staart zie ik bewegen.

Ze fluisteren als nimfen, dansen als elven, zingen als verleidsters
vanuit de bodem van de zee, trollen zijn het

vervolgens, reuzen dan met een blikkerende drietand. Ik geloof
niet dat ik ze uitgenodigd had. Zo rond het

middernachtelijk uur drinken we thee, ze willen ook een lepel
honing, straks gaan ze bedelen om brood. Terwijl

ik wakker ben, kijken ze me aan, bekenden van me, terugkerende
bezoekers. Soms is dat genoeg, zoete thee, andere

nachten drinken ze mijn bloed, boeren luidkeels en spugen me
onder alvorens ze uit elkaar vliegen en oplossen.

elke dag Kerst

Er zijn eindes die helemaal openliggen als een braak stuk grond
aan de andere kant van het dorp, men treft er ’s nachts

alleen maar honden aan en in de ochtend vuilniszak, vlaggetje en
restanten van een instant maal, niet opgewarmd.

Er zijn aflopende zaken die in een kast geborgen als een te goed
afgesloten voorraad opeens over elkaar rollen en

voor je voeten belanden, even verbaasd als jij en er zijn er die
voordat ze moeten beginnen al bekend zijn, een

afgestreken lucifer bij een vuurpijl die door een zuchtje wind uit
gaat. Toch zijn er dingen die nooit eindigen en die

evenzeer verrassen, ergeren, verontrusten, zich herhalen en hoewel
vaak genegeerd opnieuw inhoud hebben. Prikkeldraad

om het terrein waarin met een tang een opening is gemaakt waaraan
een stukje stof wappert met een bekend patroon.

door de opening

Op een gegeven moment is de tijd op. Er verschijnt een in
zijn handen klappende meester op de stoep van

het grijze schoolgebouw en je propt je in de keurige lijn
die zich op het plein vormt en loopt naar

binnen. Zijn handen raken je in het voorbijgaan niet aan.
Gelukkig mag je weer iets leren, hoef je niet

met benen wijd knikkers op te vangen, voorovergebogen
handen in je rug te voelen en op je beurt te

springen, gelukkig hoef je niet nogmaals het slingerend
touw te ontwijken, achter die deur is het altijd

veiliger voor jou. Toch zou je nu de steeg in willen schieten,
achterop de fiets bij de grootste pestkop desnoods,

gaten willen vallen in je knieën om alleen maar te ontkomen
aan die markering in dat stukje tijd.

een onbeantwoord verleden

Pas als het een titel heeft, een naam waaronder iedereen het
kan noemen, het liefst met een plaatje erbij, een

vorm die iedereen kan aanraken, kneden of koesteren, bestaat
het. Eerst als je het hardop zegt, wel of niet in

gezelschap, is het een feit, iets om rekening mee te houden of
iets dat juist genegeerd moet, je kunt

altijd doen of je doof bent. Door de telefoon vraag ik hem het
te herhalen, ik schrijf het op maar mijn handschrift

verandert terwijl ik ernaar kijk en als ik het teruglezen wil, weet
ik het niet zeker, wat is dat derde woord terwijl

een andere keer het boek al in mijn hand ligt, de wind het open
bladert en alles als een mantra en vooral

onderweg herhaald wordt: dat er niets was om bang voor te zijn
omdat het nu een bestemming heeft.

poses en posities

De vragen die hij heeft en het gebrek aan medestanders stuurt hij
mee met zijn laatste beelden waarbij het onduidelijk is

of ik moet inkleuren, bijstellen, het tempo vertragen of gewoon
plaatsnemen in het publiek, op het puntje van mijn stoel.

Beide zaken liggen in een onbeantwoord verleden, een kind moet
een ouder hebben dat hem bij de hand neemt en

geruststelt, met een vinger wijzend naar de lucht om ons heen en
daarboven en desnoods verzint dat er altijd over

en voor hem gewaakt wordt, niet dat hij dat geloven zou. Zoveel
is duidelijk: er was nooit een voorbeeld, nooit

die hand, niet die troostende uitkomst op een probleem en waar
zouden we allemaal blijven, tenslotte, uiteindelijk,

zoals een kind weet dat het nooit past, daarboven en met ons allen
en een tijger nooit toelaat ernaast te liggen en te slapen.

schuilend zich aftekenen in het scherm

Kun je op de sociale media het einde aankondigen en
vervolgens, na een aantal weken, zeggen dat je

je bedacht hebt, je blijft nog even, het valt eigenlijk best
wel mee, wat een geweldige steun van je

vrienden en ook is er een nieuw medicijn ontdekt dat er
eigenlijk al wel was maar nu toegesneden op

je mankerend lijf, hoera kortom voor de wetenschap en
de wereld en alle mensen erop inclusief jij, en

hoe dan te reageren? Zeg je daarna welkom terug, hulde
en respect zoals je dat deed bij de eerdere

afkondiging, wijs je op de onmogelijkheid uit welke media
dan ook geschrapt te worden en tel je

de oude flessen die rinkelend op het balkon het wankel
evenwicht bewaren in je haperend brein?

een grapje

Zoals het niet hoort te zomeren in oktober, de warmte niet
past bij het vroeg donker worden, het genieten

niet echt is maar een bevreemd aanpassen, zo zijn uitslagen
van een onderzoek, conclusies van een

derde niet mijn realiteit en toch om mee te leven. Terwijl de
een het over de onmetelijke lengte van een

seizoen heeft, maakt de ander zich terecht zorgen over de oorzaak,
een afwijking in de lucht, een scheur

in de aardkorst, onze schuld. Zo is het bij het lijf ook, iets is niet
naar behoren, veronachtzaamd, even groot als

het risico morgen bij de witte strepen op de weg even niet te
tellen maar zingend en springend

de coureur van links te missen die door het rode licht stuivend
zijn irritatie over het bovenstaande uitleeft.

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑