Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: dood (page 1 of 3)

haar rug draait zich eindelijk

Ik dacht dat je naast me zou gaan zitten, met dat glunderend
gebaar van een opgetogen kind, me zou vragen wie dat allemaal
waren, al die mensen die zo zorgvuldig

op een rij gingen zitten, en waarom. Dat je me aan zou stoten
met een bungelende voet, ze waren veel te groot om ze rustig
te houden, zodra de muziek zou gaan spelen,

waar kwam het geluid vandaan, en je dan om zou draaien en
naar boven zou kijken waar een koor bijna van een balustrade
kieperde en probeerde gelijkstemmig te zijn,

het lukte net niet helemaal, of je zou je hand even op mijn knie
leggen, ik wiebelde misschien uit lichte ergernis. Je zou er gewoon
de hele tijd zijn, zo voelbaar aanwezig en niet,

zoals nu, tussen een erewacht naar buiten gedragen, meteen het
commentaar krijgen dat je zoveel geldingsdrang had en best wel
moeilijk was soms in de omgang, hoe lang kende ik hem?

En ik wou zeggen, lang genoeg of in ieder geval, niet zoals jullie
hem kennen, want dat is wat je denkt als iemand vertrekt die je
nooit eerder uitgezwaaid hebt, alleen binnengehaald.

de terugweg

Veel gaat ook over het verleden, zegt de dichter tegenover mij,
toch? Vandaag zou ze jarig zijn, denk ik alleen maar,

zou ze met rode wangen en een volle koelkast net doen alsof
dat niet belangrijk was, geen cadeautjes willen en

teleurgesteld zijn als ze er niet waren, haar taartpunt delend en
met muizenhapjes etend. Liefde? Probeer ik nog,

dood? Hij buigt zich verder over tafel, het ene oog naar buiten,
het andere op mijn glas. Zij zou nog meer

kleuren, haar schoenen gingen eindelijk uit, het jasje misschien
dat al half open stond. Hoe kun je iemand bereiken,

vraagt de man tegenover mij, als je haar niet kenbaar maakt, als
je haar ons niet voorstelt, als je niet uitlegt dat

ze jarig zou zijn geweest of hoe ze at? Stilzwijgend schuif ik haar
mijn bordje toe en probeer haar jasje te passen.

er was geen sprake van enig vergrijp

Op het moment dat ik aan hem dacht, ging hij dood. Dat heb je
soms. Tussen de stormen in en de regen, dacht ik aan

fietsen en dan op de terugweg, maar ik ging nooit zonder afspraak
en ik had niet gebeld. Ik zou hem mailen, zo sprak

ik met mezelf af. Vanmiddag lagen er twee handgeschreven witte
enveloppen in de brievenbus, dat gebeurt zelden meer.

Kenden we elkaars handschrift eigenlijk? Twee brieven, de een
zei dat hij er niet meer was en of ik afscheid kwam

nemen, losse bloemen graag, de ander zei hee, ik ga er vandoor,
ik heb genoten, ik ben dankbaar, ik zie je in

gedachten, wie je was en wat je als waardevol zag, ik heb het
nagenieten en ik zal mijn tranen de vrije loop laten.

Blijf trouw aan jezelf. Goed, dacht ik eerst, en later waarom heb
ik je niet opgezocht op het moment dat ik aan je dacht.

 

(voor A.)

als nieuw

Hij had zich nog gehaast, laat als altijd, een briefje onder de
fruitschaal, hanenpoten, wat geld voor de

nieuwe week, reed natuurlijk te hard, stond vervolgens achter
een zeurtante die haar paspoort niet kon vinden,

had eigenlijk nog naar het toilet gewild of misschien een bakje
yoghurt willen eten, hij werd altijd wat

misselijk als hij te weinig at voordat hij, zat weer een of ander
jengelend kind in zijn rij, natuurlijk, geen leuk

ding waar hij een beetje mee had kunnen flirten, het verdienmodel
op zijn schoot, de contracten voor T. op zijn

knie, hij had godverdomme weer eens helemaal geen ruimte om
zijn werk nog te doen, en zes minuten later was

er niets meer van hem over, niet van dat kind, die zeurtante, T.
of welk model dan ook, alleen zijn koffertje bleek topkwaliteit.

dat razende figuurtje

Linker borstzakje, zei hij, van mijn jas voor als er, en ik knikte,
zijn jas op een hoopje op de vloer en hij nog

rechtop, niets te zien dan een bleke huid alsof zijn gezicht onder
al dat haar helemaal geen zon zag, de zonnebril

doelloos in de opening van zijn shirt, de gedroomde hoed, zwart
met brede rand en paarse band, bovenop de

wirwar van krullen, zwart. Als iemand zijn vertrek aankondigt,
houd je die beweging in de gaten maar alles dat hij

deed was de ogen tot spleetjes dichtknijpen en het gedicht zingen
met, hoe kan het anders, een zwarte gitaar om

zijn hals. Een andere dichter zei dat we het die middag luchthartig
zouden houden maar eigenlijk stond ik

al die tijd met dat nog kloppende hart van de zanger dat zomaar
onder dat rechter borstzakje zou ophouden met slaan.

als de nacht zich herhaalt

Als ik hem in de ochtend vasthoud, mag ik niet loslaten, we
rijden in een trein, we zijn, zegt hij,

nog niet bij een station. Uit zijn oplichtend mobiel komt een
herhalende cadans van spoorgeluiden, zelfs

de fluit van een locomotief, het stampen van de wielen, nu,
zegt hij, gaan we over een brug. Er zijn wat

vage bijgeluiden die hij niet hoort maar ik wel. Ik denk aan
het controleren van de kaartjes en wat

etenswaar in een rieten mandje, drank en een halve worst die
je deelt met de buurman. Hij slaapt. Bij

elke beweging van mij omklemt hij mij, er is nog een hand over,
ik schrijf ermee terwijl ik op zijn rug de zon

teken die er later echt is. Ik zet koffie, doe de gordijnen open,
verover de wereld alvast, hij is nog onderweg.

een belofte tot beterschap

De taalvaardigheid die een recensent noemt, is niets meer dan
de poging die ik jaren geleden deed zijn beste en

enige vriend te winnen voor het leven. Eindeloos lang berichtte
ik hem vanaf mijn buik en uit mijn bed de redenen

door te rijden, hij was er bijna, het lijk van zijn vrouw leek nog
op de leren achterbank te liggen van zijn bolide,

de kinderen ontroostbaar plaatjes plakkend op de zijramen, de
tegenliggers tellend, toeterend, ontwijkend, de

bergen hoog, de dalen gevaarlijk daarnaast. Uren praatte ik in
op zijn onwilligheid, zijn hardheid, blinde vlek

en blaffende hond, daar leer je van te schrijven, niets had te maken
met de vorm waarin. Ik was bloot en lag hem te

verlangen, hij was onderweg en wilde niets. Zo ontstond het rijm,
afwezig voor de lezer, slechts een behoefte van mezelf.

andere willekeurigheden

In de droom troost ik door zijn hand te houden, bang als hij
is, het is hetzelfde als tegen de kussens aan liggen

en doen alsof een lief daar slaapt of liever wakker nog. De
angstige vriend in de nacht met wie ik

rennend over pleinen en door straten ga, met wie ik me schuil
houd en verkleed een andere keer de deur openzet,

die huilt en die mijn vingers over zijn wang voelt glijden of
mijn tong likkend, ben ikzelf, het bed is

immers leeg. Het doen alsof, zowel de reddende engel zijn
als de belaagde, zowel het gevaar als de

geruststelling, is een dubbelrol die ik slapend en helder een
volgende morgen, gewend ben. Hij bedankt

me, daar, vannacht, ik zwaai mijn benen over de rand en ren
een nieuwe dag in, de dreiging blijft.

en natuurlijk ongevraagd

Op de hoeken van mijn bed blijven ze staan, worden steeds
duidelijker terwijl ze zich vasthouden aan de

spijlen, draaien erom heen, hoofd- en voeteneind een spiraal
van hun handelen, kop en staart zie ik bewegen.

Ze fluisteren als nimfen, dansen als elven, zingen als verleidsters
vanuit de bodem van de zee, trollen zijn het

vervolgens, reuzen dan met een blikkerende drietand. Ik geloof
niet dat ik ze uitgenodigd had. Zo rond het

middernachtelijk uur drinken we thee, ze willen ook een lepel
honing, straks gaan ze bedelen om brood. Terwijl

ik wakker ben, kijken ze me aan, bekenden van me, terugkerende
bezoekers. Soms is dat genoeg, zoete thee, andere

nachten drinken ze mijn bloed, boeren luidkeels en spugen me
onder alvorens ze uit elkaar vliegen en oplossen.

elke dag Kerst

Er zijn eindes die helemaal openliggen als een braak stuk grond
aan de andere kant van het dorp, men treft er ’s nachts

alleen maar honden aan en in de ochtend vuilniszak, vlaggetje en
restanten van een instant maal, niet opgewarmd.

Er zijn aflopende zaken die in een kast geborgen als een te goed
afgesloten voorraad opeens over elkaar rollen en

voor je voeten belanden, even verbaasd als jij en er zijn er die
voordat ze moeten beginnen al bekend zijn, een

afgestreken lucifer bij een vuurpijl die door een zuchtje wind uit
gaat. Toch zijn er dingen die nooit eindigen en die

evenzeer verrassen, ergeren, verontrusten, zich herhalen en hoewel
vaak genegeerd opnieuw inhoud hebben. Prikkeldraad

om het terrein waarin met een tang een opening is gemaakt waaraan
een stukje stof wappert met een bekend patroon.

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑