Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: dood (pagina 1 van 2)

door de opening

Op een gegeven moment is de tijd op. Er verschijnt een in
zijn handen klappende meester op de stoep van

het grijze schoolgebouw en je propt je in de keurige lijn
die zich op het plein vormt en loopt naar

binnen. Zijn handen raken je in het voorbijgaan niet aan.
Gelukkig mag je weer iets leren, hoef je niet

met benen wijd knikkers op te vangen, voorovergebogen
handen in je rug te voelen en op je beurt te

springen, gelukkig hoef je niet nogmaals het slingerend
touw te ontwijken, achter die deur is het altijd

veiliger voor jou. Toch zou je nu de steeg in willen schieten,
achterop de fiets bij de grootste pestkop desnoods,

gaten willen vallen in je knieën om alleen maar te ontkomen
aan die markering in dat stukje tijd.

een onbeantwoord verleden

Pas als het een titel heeft, een naam waaronder iedereen het
kan noemen, het liefst met een plaatje erbij, een

vorm die iedereen kan aanraken, kneden of koesteren, bestaat
het. Eerst als je het hardop zegt, wel of niet in

gezelschap, is het een feit, iets om rekening mee te houden of
iets dat juist genegeerd moet, je kunt

altijd doen of je doof bent. Door de telefoon vraag ik hem het
te herhalen, ik schrijf het op maar mijn handschrift

verandert terwijl ik ernaar kijk en als ik het teruglezen wil, weet
ik het niet zeker, wat is dat derde woord terwijl

een andere keer het boek al in mijn hand ligt, de wind het open
bladert en alles als een mantra en vooral

onderweg herhaald wordt: dat er niets was om bang voor te zijn
omdat het nu een bestemming heeft.

poses en posities

De vragen die hij heeft en het gebrek aan medestanders stuurt hij
mee met zijn laatste beelden waarbij het onduidelijk is

of ik moet inkleuren, bijstellen, het tempo vertragen of gewoon
plaatsnemen in het publiek, op het puntje van mijn stoel.

Beide zaken liggen in een onbeantwoord verleden, een kind moet
een ouder hebben dat hem bij de hand neemt en

geruststelt, met een vinger wijzend naar de lucht om ons heen en
daarboven en desnoods verzint dat er altijd over

en voor hem gewaakt wordt, niet dat hij dat geloven zou. Zoveel
is duidelijk: er was nooit een voorbeeld, nooit

die hand, niet die troostende uitkomst op een probleem en waar
zouden we allemaal blijven, tenslotte, uiteindelijk,

zoals een kind weet dat het nooit past, daarboven en met ons allen
en een tijger nooit toelaat ernaast te liggen en te slapen.

schuilend zich aftekenen in het scherm

Kun je op de sociale media het einde aankondigen en
vervolgens, na een aantal weken, zeggen dat je

je bedacht hebt, je blijft nog even, het valt eigenlijk best
wel mee, wat een geweldige steun van je

vrienden en ook is er een nieuw medicijn ontdekt dat er
eigenlijk al wel was maar nu toegesneden op

je mankerend lijf, hoera kortom voor de wetenschap en
de wereld en alle mensen erop inclusief jij, en

hoe dan te reageren? Zeg je daarna welkom terug, hulde
en respect zoals je dat deed bij de eerdere

afkondiging, wijs je op de onmogelijkheid uit welke media
dan ook geschrapt te worden en tel je

de oude flessen die rinkelend op het balkon het wankel
evenwicht bewaren in je haperend brein?

een grapje

Zoals het niet hoort te zomeren in oktober, de warmte niet
past bij het vroeg donker worden, het genieten

niet echt is maar een bevreemd aanpassen, zo zijn uitslagen
van een onderzoek, conclusies van een

derde niet mijn realiteit en toch om mee te leven. Terwijl de
een het over de onmetelijke lengte van een

seizoen heeft, maakt de ander zich terecht zorgen over de oorzaak,
een afwijking in de lucht, een scheur

in de aardkorst, onze schuld. Zo is het bij het lijf ook, iets is niet
naar behoren, veronachtzaamd, even groot als

het risico morgen bij de witte strepen op de weg even niet te
tellen maar zingend en springend

de coureur van links te missen die door het rode licht stuivend
zijn irritatie over het bovenstaande uitleeft.

in de kast

Pratend over ze zie ik hoe ze aan tafel schuiven alsof ze
niet al jaren geleden verdwenen. Zij heeft

rode wangen en een koud neusje, hij schuilt diep in zijn
kraag, verbaasd alsof we hem bevrijd hebben

zonder dat hij riep of klaagde over de omstandigheden.
Ze praten mee, proeven iets, gaan daarna weer,

we zien hen op de rug na en al zouden we willen, niets
haalt hen voorgoed terug, het lukt zelfs niet

te vragen om meer, vaker, langer. Het gesprek duurt een
jaar, op een afgesproken tijd komen we erin

terug, tot zo lang zijn het flarden die als mist boven het
weiland hangen. Hij drijft de beesten in de stal,

zij hangt ondanks alles de was buiten, wij durven bijna
niet van het erf af, er drijft een vlieg in de melk.

ze heeft altijd haar best gedaan

Er zijn wat gunstige omstandigheden als korte stralen
zon tussen kletterende buien waarin we precies

van de ene hoek naar de andere kunnen fietsen, hem
thuis treffen en de vragen kunnen stellen:

waarom brabbelen er geen kinderen vanuit zijn regels,
struikelen we niet over het speelgoed, mogen

we niet vertederd raken vanwege de late komst van de
prinsjes, zwijgt hij nu al zoveel jaren. Er

zal koffie zijn en luisteren aan deuren en ik zal ijverig
noteren wat er in die stilte ligt. Hij zal

proberen het te verbieden. Als je verzen gekenmerkt
worden door verlies, kun je moeilijk opeens

met veel plezier bezit aankondigen dat niet eens echt
van jou is maar toevallig in je kasteel huist.

vele letters onzichtbaar in alle pogingen elkaar te begrijpen

Om wakker te worden en nooit meer het geluid te horen
van haar kleine kletsende voeten op

de gang, het ongeduldig springen tegen de deur, zingend
vragen welke dag het is en wanneer ze nu

mag, vandaag toch, ja, om nooit meer te kunnen slapen
omdat die ochtend nooit meer komt, elke

dag het verdriet, het gekmakend wurgend gemis aan elk
geluid om haar heen. Een blauw regenjasje

aan de kapstok, ze wilde zonder jas, het was warm nog,
het zonnetje uit de tekening voor pappa,

als altijd een stukje brood vergeten op het bordje, een
appel met een hap eruit, ben ik niet

de allerliefste, jij de mooiste mamma. Om nooit meer wakker
te worden omdat je nooit meer slaapt.

pijnlijk ernstige bedoelingen

De oude dichter zwaait met het mes terwijl hij uitroept
weer te zullen gaan schrijven, hij dreigt met

scherpe woorden alvorens hij zijn hand richting de taart
beweegt en mij met precieze beweging

de kleinste punt snijdt, in die paar minuten overweeg ik
hoe te vluchten, ga ik rechts of links, onder

hem door of over de tafel, neem ik de lelies mee die de
geur van dood begeleiden, het restant

misschien van dat gebak, wat een voordeel dat ik de woning
ken, vergeet ik niet mijn tas en zal ik nu echt

niet meer terugkomen en gooit hij het werktuig in de afwas,
balanceert met schoteltjes en slagroom en

termen als ‘vers’, ‘ego’ en ‘krakend helder’ waarbij we
tegelijkertijd proeven en bevestigend knikken.

in haar hoofd

Dat je zo dichtbij bent en toch niets kunt doen, het
spook heeft zich al door de spleet van het

raam geworsteld, zijn adem langs de vrije ruimte
tussen de deur, zijn vingers begerig

over mijn klam lijf, de hand om mijn keel, en jij hebt
het alleen over jezelf, je bent zo

eenzaam, zeg je. Dat je de ander geruststelt boven
jezelf, moeder tenslotte, kinderen moeten

vrij af krijgen, spelen in een bloemenweide, zonder
gevaar de hoek om, zwaaiend. Een beeld

van kwetsbaarheid, een beest in de tuin, een jurkje
achtergelaten, een piepend hek waaraan

een flard van de blauwe stof, rood gevlekt. De waarheid
is altijd erger. Je was er niet.

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑