Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: dood (page 1 of 4)

op de tast

Omdat er altijd een keuze is, vond ze dat alles dat daarna kwam
haar eigen schuld was. En alles dat ervoor zat

ook. Ze had geleerd niet te treuzelen en dus kende ze soms niet
alle mogelijkheden voordat ze besloot en had

ze eenmaal besloten, dan wist ze later echt niet meer waarom.
Het was kortom een puinhoop in haar en

vaak dacht ze alleen maar daaraan of hoe ze dat in een keer kon
veranderen en voorgoed. Ze klom op

de toren van Z. maar had hoogtevrees en ze lag op de rails van
D. maar dat was bijzonder ongemakkelijk.

Toen kwam iemand die haar zou helpen en hartjes tekende op
haar ramen, daar koos ze echt niet voor, ze

was geen deler. Ze deed haar vingers in haar oren en liet het huis
ontploffen, alles dat daarna kwam was haar eigen schuld.

op een hoek

Het voelt als extra tijd, een geslaagde ontsnappingspoging. Eerst
als een luchtbel waarin toeval en noodlot elkaar

afwisselden zoals de vrouw in zwarte kleding en de man in witte
jas, later als een terecht verblijf in een verstevigd

huis maar onwennig nog vanwege de recente verbouwing, de
geur van specie, verf die vroeger het voorjaar

voorstelde, het compliment voor de herwonnen ruimte. Drukte
voorheen het dak het hoofd langzaam in elkaar, nu

raken we het plafond niet meer; waren eerst alle ramen gesloten,
nu waait zachtjes het leven binnen en met haar

alle mogelijkheden. Extra ook is het besef waarmee dat alles tot
stand komt, langzaam maar nadrukkelijk

liggen we op onze knieën zoals we als klein kind elke avond en
aan de bedrand deden en vouwen we de handen.

wit nog

Wat is je haar lang geworden, zou ze zeggen en even trekken
aan de onderkant, en ze zou staren naar een bijna

fatale combinatie van rood en oranje of een diep uitgesneden
shirt dat achterstevoren nog iets bedekte, ze

zou ook daar aan gaan trekken, ze zou haar ogen dichtknijpen
en even peinzen en dan over de kinderen beginnen,

waren ze alleen thuis en moest ik reeds de terugweg nemen,
hadden ze zelf inmiddels kinderen, was de

tijd zo snel voorbij gegaan, waarom had ik haar niet eerder
gebeld of was ze hardhorend en had ze nooit

opgenomen. Maar lieverd, zou ik zeggen, en andere koosnamen,
je hebt geen bereik, je bent al jaren heel ver

weg van me, je ging zonder te groeten, de kinderen moesten
huilen, weet je nog, maar ze wist van niets.

 

(In 2014 voltooide ik de gedichtenbundel ‘zij draagt alvast het wit‘,
opgedragen aan mijn mamma. Deze bundel is niet gepubliceerd.)

haar vaste plek

Het niet willen weten is een fase die verlengd zou moeten zijn
tot een ieder sterk genoeg is, bij elkaar zit,

handen houdt, elkaar aankijkt terwijl je weet dat sterk zijn geen
kwestie van tijd is en een waarheid, welke dan ook,

geen uitstel vraagt. Het is meer een momentopname waarbij de
zon in de kamer schijnt, een ieder overtuigd

van zijn eigen plek of rol, alvorens alles uit elkaar valt, want dat
gebeurt, natuurlijk. Bovendien willen we

alles weten. De hoed, de rand, de mate van pijn, de hoeveelheid
dagen, het waarom, de afmeting van

ellende, alleen zijn, de kortstondigheid van vreugde, terugkomst,
hoe lang hij blijft, de schaduw van de objecten,

een reden, de afkoopsom, of we nog terug kunnen naar toen en of
we werkelijk gelukkig zijn en liever niet willen weten.

het wil geen tekst

Ik las uit je boek en liep langs je laan waar alle bomen dunne
stammetjes waren en huizen elkaar opeens in de

kamers konden zien, en ik stelde je opnieuw voor aan de lezer
en allemaal dachten ze dat je misschien familie was

van die aardige man op de hoek die een winkel dreef in elektronica?
Of ook dat je tussen hen zat en ze jou allang kenden

maar niemand herinnerde zich de verhalen of de volle wuivende
takken uit eerdere jaren, zelfs niet toen ik de foto’s

die jij scheef en snel tussen de bladzijden had geplakt, in de hoogte
hield terwijl mijn duim en vinger op jouw ogen

drukten zodat je tenslotte zou knipogen of een beetje huilen, weer
zou leven kortom terwijl alleen het zien van

die armoedige beplanting je het einde zou aankondigen, van jezelf,
de beschaving, het ons en de vogels.

doelgericht

Alsof het de rode verf is die ik in mijn krullen spoelde, de massa
optilde en zo behoedzaam liggen ging en toch de volgende

ochtend verwachtte de lakens rood te vinden, zo drapeer ik het
lijf rond zijn laatste ingreep, de deken daar

bovenop, en denk aan schaduwen maar dan in kleur en leeglopen
maar dan op een verkeerde manier en de

witte was roze. Ik denk aan de vrouwen die mij hielpen en die
vroegen of ze in mijn verhalen zouden voorkomen

een volgende dag, hun handen sterk en warm, een moederschoot
tegen mijn uitstekend been, als altijd een

zoon daar aan het voeteneind, te jong en te knap om serieus te
worden genomen, en hoe ik hen toeschreef

de hoofdstukken over te slaan om meteen in de dichtste bomenrij
terecht te komen en het blikkerend zonlicht op de afrit.

duizelingwekkend hoog

De wacht aangezegd krijgen is overal hetzelfde, de man die
aarzelend meer ruimte verlangt, zijn eigen vrouw, bed

of huis, de schoolleiding die meent dat er een verstoring in
de orde is, ongewenst, de baas die diepere

buigingen wil en alles voortaan op tijd en nu hij, witgejast,
die lijf en leven wil afmeten aan de uitslagen van

een laatste onderzoek. We voelen ons lichtelijk afgewezen,
er was immers niets aan de hand, en toch:

ook deze neemt stelling op de hoogste toren en blaast mijn
aftocht. We willen tromgeroffel maar het blijft

angstaanjagend stil, we horen kinderstemmetjes en vogels
die nog zachter schreeuwen dan daarvoor, een

man haalt de krullen van zijn vrouw uit haar hals en blaast
ze over haar schouder, iets om te onthouden.

de achterdeur

Overgebleven is een herinnering: steun zoekend tussen de
duizenden op het plein is er geen hand nodig maar de balans
tussen het ene lijf en het andere, zacht

zwiepend van links naar rechts en voor en achter, niet kunnen
zien wat er vooraan gebeurt maar een golfje voelen dat daar
begint en dan langzaam naar achteren schuift,

een knikje van een hoofd, een knieval voor een ander, keurig
opgevangen in het leger van mensen dat ongeordend toch in
het gelid staat en afwacht tot de bazuinen klinken.

Een ijle stem gaat een gil vooraf, iets op rijm weerkaatst een
in haast geroepen verdriet, als plotselinge regenval de handen
boven het hoofd, wiegend bijna en voor even

een geheel, dan weer uit elkaar vallend in de straten rondom,
geef ons twee minuten en we zijn weer weg, niet geroken geur
van bloemen, niet geroken lucht van dood maar

onrust en haast en thuis willen komen en de deur open vinden
en naar binnen rennen en onder de tafel willen schuilen en
niet meer voelen dan dat ene gedeelde moment.

 

Amsterdam, 4 mei 2012

vaak was het een combinatie

Je zit aan het ontbijt en twijfelt aan nog een eitje of iets met roze
vlokjes erin, het is warm en dampt, er past dat

broodje bij dat verloren nog in een mandje ligt, je kunt ook gerust
nog wat van dat versgeperste sap inschenken dat

even later tussen het bloed van de tafel drupt en op de grond zich
vermengt tot een ongewenste verfkleur waarmee

overigens niets te kleuren valt. Je zou geen honger meer hebben
en sowieso geen moeite willen doen al die

metalen scherfjes uit het gerecht te plukken of de vingerkootjes
willen tellen die zomaar rechtop in

de traktaties staan, het was een enorm kabaal net nadat je je keuze
had gemaakt, je ging voor de

havervlokken en de geitenmelk, dat was per slot van rekening een
stuk gezonder, je dacht dat je nog heel wat tijd had.

haar rug draait zich eindelijk

Ik dacht dat je naast me zou gaan zitten, met dat glunderend
gebaar van een opgetogen kind, me zou vragen wie dat allemaal
waren, al die mensen die zo zorgvuldig

op een rij gingen zitten, en waarom. Dat je me aan zou stoten
met een bungelende voet, ze waren veel te groot om ze rustig
te houden, zodra de muziek zou gaan spelen,

waar kwam het geluid vandaan, en je dan om zou draaien en
naar boven zou kijken waar een koor bijna van een balustrade
kieperde en probeerde gelijkstemmig te zijn,

het lukte net niet helemaal, of je zou je hand even op mijn knie
leggen, ik wiebelde misschien uit lichte ergernis. Je zou er gewoon
de hele tijd zijn, zo voelbaar aanwezig en niet,

zoals nu, tussen een erewacht naar buiten gedragen, meteen het
commentaar krijgen dat je zoveel geldingsdrang had en best wel
moeilijk was soms in de omgang, hoe lang kende ik hem?

En ik wou zeggen, lang genoeg of in ieder geval, niet zoals jullie
hem kennen, want dat is wat je denkt als iemand vertrekt die je
nooit eerder uitgezwaaid hebt, alleen binnengehaald.

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑