Van het ene boek in het andere, van mijn eigen leven naar een
verzonnen leven, bladen omgekeerd op de stoel,

van de lichte hoek op de bank naar de donkerste hoek en dan
de lamp aan, van koffie naar water zoals

van een rijke maaltijd naar alleen de drie voornaamste ingrediënten.
Wat is tijd dan nog, wat hoofdpersoon A., wat

afwezigheid of dood terwijl ze elders nog buitelend giechelen en
opeens weer naast me zitten, wat als het geluid

van een auto vertrouwd klinkt, het bestek klettert naast het bord,
zijn naam aan het eind omhoogloopt, iemand

je roept en jij gewoon antwoorden kunt, je de stof voelt ruisen van
haar rok als ze opstaat, handen koel, het puntje van

haar neus, zijn wijde broeken in het zachte ribfluweel, de hoed op
tafel, het gesprek gewoon verdergaat van toen naar nu.