Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: leven (pagina 1 van 58)

ver uit het zicht van

Ik ben altijd alleen, weet je dat en ik draag altijd alleen
jouw vertrek met me mee en ik kan het

opschrijven en je kunt het lezen en voelen, zeg je, ik kan
het bijna voelen want het was zo en niet anders,

maar niemand corrigeert die feiten en geen enkel persoon
komt ervoor in de plaats, mooi gevoel

schamper ik, fijn leeswerk, verzin nog eens wat. Het was
niet je bedoeling, zeg je. Ik ben gemaakt voor

dit alleen zijn, ik praat tegen het papier, ik kras tegen de
ruit, ik druk je weg zodra je kopjeduikelend je

kunsten vertoont, geen enkele moeite, zeg je. Het zou iets
zijn waarvoor ik je bedanken moest. Nee,

je hoeft niet te komen, je weet niet waar ik ben, oefen nog
maar wat in het je bewegen van hier naar daar.

van haar wortels ontdaan

Erger dan de lege plekken zijn de blanco gezichten
die net nog onder je lagen met lachjes en

verhalen. Kom niet bij me met lege handen, zeg niet
dat iedereen hen kent. Pijnlijker dan

verdwenen schuilplekken zijn verdwenen redenen
om te schuilen, groot geworden past

zoveel niet meer. Het komt omdat we op de terugweg
zijn maar wie wilde vertrekken, het

pistoolschot te luid bij het oor en blijkbaar op handen
lopend in plaats van op de voeten. Verhalen

zijn om gerust te stellen dus het is goed dat ze op zijn,
de echte reden is de echte wereld, daar

wil je heus niet blijven. Zonder je om te draaien weet
je de lucht van een doorzichtig blauw.

dat hij verzamelde en schatten noemde

Lopend door het huis is alles opgenoemd, een inventaris
van de levende die met blikkerige stem in het

apparaat gestopt wordt, achter hem aan herhalen we de
route. Iets ruikt naar bederf, een oude zomer die

opgeruimd moet, er dansen vlekken op het tapijt. De leuning
van de trap hangt los. Zoals bij iedereen ligt

onder de nok van het dak het meest kostbare, tegen de
met paisley motief bespannen wanden staan

in rijen dik de kunstwerken, het lichtknopje bij de deur
zet hen allemaal in een eeuwige zon. Op

tafel een mapje voor iedereen, de kaart met naam maar
zonder datum steekt eruit. O mag ik een foto

waarop zijn haar nog zichtbaar, zijn wenkbrauwen nog
zwart en in boogjes opgetrokken, hij nog onder ons?

en dus staat ze daar nog altijd  

Beheerde ik eerst alleen maar zijn tijd en de personen
die erin voorkwamen, alsof ik bij de ingang van

de bus kinderen telde die later op de grond lagen en
deden alsof er geen thuiskomst was, pleisters

uitdelend met rode viltstift markeringen, giechels in
broeiende hitte, later kwamen daar de

bijzonderheden bij, de attracties als het ware. Ik zette
alles in een rij en maande tot geduld, er

waren ijsjes uit te delen met een dun laagje chocola,
op elke vraag een antwoord. Nu sta ik

aan de kant van de weg en tuur de route af, ik heb de
bomen verwijderd, rood-witte vlaggetjes

verhangen, de zon achter een wolkje verschoven, de
stenen geteld, het zwaaien begint.

niet rechtdoor maar plotseling linksaf

Ze had mijn vader verzocht naar mij toe te rijden, de
dorpsweg af, de stad in en met haar uit te stappen,

voor mijn deur te wachten en naast haar te blijven staan
zoals hij uit zichzelf altijd al deed, ze had

haar puntige vinger op mijn deurbel gelegd en nogmaals,
ze had zich gemeld door het rooster naast de bel,

ik was naar beneden gekomen, had hen daar zien staan
en ze niet uitgenodigd naar boven, ze had

een zomerjurkje gedragen en hij had zijn hemdsmouwen
naar beneden geduwd, ze had haar zonnebril in

haar tas gedaan, ze zei ‘ik heb zo’n verlangst naar jou
en ik had haar niet binnen gelaten en dus

staat ze daar nog altijd en na al die jaren klinkt nog dat
halve Fries en verlang ik niets meer dan

haar binnen te laten, omhoog te duwen mijn trappen op
en haar te zeggen hoeveel, hoeveel ik van haar hou.

hoe de figuren passen in zijn gebouwde wereld

Ze claimt de dood en wie hij meenam als onderdeel van
een niet bestaand geheim en loopt

met zichzelf onder de arm, als eerste altijd aanwezig bij
de grote afwezige, als enige

uitverkoren tot begrip, kennis en wijsheid, de grote gebaren
terwijl ze veel kleiner is dan

dit alles bij elkaar, geen weet heeft van het ware verhaal,
de persoon niet kende, zichzelf slechts

troost. De afspraak die niets anders inhield dan een selectieve
waarheid, is alleen met haarzelf, hologig

blijft ze achter, wat dansend rond een lege boom terwijl ze
naar boven reikt, al bijna het vertrek aanraken

kan en zegt dat ze zingt en hij haar horen zal. Waarschijnlijk
is het jaloezie die haar beschrijft en grote haast.

de sterren verbonden met potloodlijn

Hij had het niet gehoord, misschien was dat het ergste,
geen kletterend geluid, geen knarsend gepiep

van remmen, geen geren, geen sprong, geen gil, niet het
opspatten van water, niet de

angstaanjagende stilte daarna. Hij had gewoon geslapen
terwijl achter hem een worsteling plaatsvond

tussen mens en voertuig, water en lucht, en de dag erop
had hij het nog niet geweten, de nacht daarna

had hij weer geslapen, rimpelloos het oppervlak waarin
de dood zich nestelde tussen linten van

vuilnis en wier, vissen door de neergelaten armen. Als
de straat wordt afgezet, huilende familie

op het bankje ertussen, geeft hij zijn bloemen water en
kijkt niet naar het blauwe lijf dat hoog gehesen wordt.

hij voor mij

De dingen zijn zoals ze zijn, precies even groot als toen.
Hij paste in mijn hand, ik kon nog net een

huppeltje maken aan de stoeprand of met mijn ene vinger
los een kriebel binnen in de zijne. Ook

kleefde er snoep en ander zoetigheid, waarom los te laten,
geen rij voor de speeltoestellen, het gras

hoog tussen de roestige attributen. Opzij kijkend was hij
even groot. Ik lag zacht te wachten op

niemand, de sterren verbonden met potloodlijn, aan het
eind van de regenboog de emmer met goud.

Hij was iedereen. Vlinders op het topje van een neus, mieren
over een blote enkel, madeliefjes die met

een nagel in hun steel doorboord weer aan elkaar geregen
werden, zoemende bijen boven de heerlijkheden.

de geluiden bijna hoorbaar

Duidelijker dan welk woord ook, is het gekras in de
agenda van toen. Dom genoeg deed ik het in

potlood en zacht terwijl zijn pen, vloeiend in een van
de vertrouwdste handschriften, door de

pagina’s heen drukte zoals alles dat we deden in mijn
ziel gekerfd werd of in dat lijf dat zoveel jonger

zoveel soepeler was. Na twee weken hap ik naar adem
terwijl ik maanden van mijn dagboeken

kan verslinden. Hier sta ik stil bij elk gerecht, elke
afspraak, elk gewerkt uur (hij telt ze op), elke

ontmoeting, ieder kind, elke huilbui, vrijpartij, fietstocht,
speeltuin, vriendje, koosnaam (hij voor

mij), elke uitgaaf (hij telt ze op). De streep onder elke
rekensom is van hem, het kruisje erdoor van mij.

zelden werd je zo zacht gekriebeld

Het is geruststellend in haar keuken te beginnen
waar het gestolde beeld van mijn kleinzoon,

scharrelend tussen zijn autootjes en half lachend,
mij aankijkt vanaf het scherm. Het scheelt

te weten dat zij daar straks met haar dikke buik
tegen het aanrecht leunt voor de eerste

koffie en hem zijn ontbijt geeft, de geluiden bijna
hoorbaar van over zee en langs de vele

trappen, het tevreden murmelen en snoepen gevolgd
door de hectiek van aankleden, schoenen

zoeken, wagen naar beneden tillen, kind naar beneden
tillen, zichzelf, hakjes op de straatstenen, hand

in hand de eerste meters, omdat haar handje ooit de
mijne vasthield en ik dat nog voelen kan.

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑