Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: leven (page 1 of 65)

het bestaan van engelen

Niets erger dan de verbinding verliezen zonder dag te zeggen,
zonder te zwaaien en kusgeluiden te maken,

zonder bijna tranen in de ogen, zonder wegfloepen van het
beeld, alles naar het midden gezogen en tot

het laatste lichtpuntje even zichtbaar nog. Vergelijkbaar met
het beginnen zonder te schrijven of weg te gaan

zonder dit te melden, de dag leeg als de datum, geen tastbaar
bewijs van aanwezigheid, geen thuiskomst

ook. Het eerste is per ongeluk, te wijten aan de techniek die
elke afstand moet overbruggen, het tweede is

van minder belang zijn, een ochtend waarop je vergeten raakt,
een nonchalance waarmee je de hoek omvliegt,

niemand immers die je nazwaait, nog iets aanbrengt, achterop
springt, zelfs niet je wiel plagerig tegenhoudt.

ons allen

We doen graag wat men niet doet, we hangen niet in de parken
en bedelen niet om het eerste ijs maar lezen een

heel boek in een zonovergoten boomhut, denken aan vroeger en
giechelen in onszelf. We herinneren ons

en proberen dat in het verhaal te passen dat we lezen, negeren
daarmee de klaterende stemmen buiten, het

wezen in het trappenhuis, een rij supporters midden op de weg
en te ver opengedraaide versterkers van de aan

onderhoud onderhevige open Opel Kadett, zelfs de man daarin
zien we niet. We doen niet graag wat men

zoal doet. Aan de buitenkant lijkt alles hetzelfde, ook dit raam
staat open, ook dit gordijn wappert, we

diepen een zonnebril op uit onze tas, maar van binnen zijn we
mijlen ver en van jaren her, winter 1756 misschien.

als de nacht zich herhaalt

Als ik hem in de ochtend vasthoudt, mag ik niet loslaten, we
rijden in een trein, we zijn, zegt hij,

nog niet bij een station. Uit zijn oplichtend mobiel komt een
herhalende cadans van spoorgeluiden, zelfs

de fluit van een locomotief, het stampen van de wielen, nu,
zegt hij, gaan we over een brug. Er zijn wat

vage bijgeluiden die hij niet hoort maar ik wel. Ik denk aan
het controleren van de kaartjes en wat

etenswaar in een rieten mandje, drank en een halve worst die
je deelt met de buurman. Hij slaapt. Bij

elke beweging van mij omklemt hij mij, er is nog een hand over,
ik schrijf ermee terwijl ik op zijn rug de zon

teken die er later echt is. Ik zet koffie, doe de gordijnen open,
verover de wereld alvast, hij is nog onderweg.

vragen

Het is heel gek, zegt meneer B. die voorheen mijn naam
nog op de muis van zijn hand had staan, maar

ik heb niet het idee dat ik u ken, misschien dat we eerst wat
kennis moeten maken alvorens ik met u meega.

Nu gaan we nergens naar toe, we zitten halverwege de gang
van het tehuis maar ook deze komt hem niet

bekend voor, ik merk het aan zijn twijfel en wantrouwende
blik, maar eenmaal in de groep die zich

herpakt na iedere bijna dodelijke afloop en nu is uitgebreid
met een miauwende kat waartegen men gewoon

‘kom maar’ zeggen kan zonder dat er iets beweegt, knikt hij
mij beminnelijk toe. Zijn buurman vraagt hij

toestemming mij aanstonds naar huis te brengen, ik leek wat
verloren. Buurman ook, zijn poes wellicht?

er blijft een been achter

Op het moment dat stemmen zachter worden en gezichten
vervagen, alleen jij het middelpunt blijft en de tafel voor je
het enige houvast, de pen in je rechterhand het

meest tastbare object, staat in het schrift dat je leest dat de
wereld draait, je hoofd volgepropt zit met watten, je ogen
wateren en je niet weet hoe die dag voorbij moet

gaan, dat is het relativerende van het lezen in andermans
dagboeken. Het schrift herken je en soms zelfs de datum in
de bovenste hoek, de tekening in de kantlijn

desnoods en zeker de kras die tien bladzijden verder nog
voelbaar is, de geheimzinnigheid waarmee je dit kleinood
verborg en de rest van je handelingen, de

sleutel van het kleine laatje verstopt in het bloemenvaasje,
de sporen van een zoekende moeder, je zorgvuldigheid in
het vermijden van een gesprek en toch: lees

maar, ken me dan eindelijk, waarom moet het meer dan
zeventig jaar duren alvorens een lezer datzelfde wazige
perspectief heeft dat ik mijn hele leven had?

iets over die bomen of hoe hoog we nu zitten vandaag

Soms verplaats je jezelf in zijn geheel, niet eens daadwerkelijk
maar in gedachten zoals dromend bij een muziekje

naar keuze, een man naar je hart, soep naar je smaak. Soms ook
neem je jezelf echt op en zit je pas weer

meters verder neer, te wakker om nog iets te wensen, gespitst op
bijgeluiden en vreemde geuren, kleverige handjes

in je nek, flemende stemmen die om ‘de allerlaatste vragen’, keer,
boek, kus, cadeautje. Als je je klein maakt, waai je zo

met ze de hoek om en misschien kom je in een land dat je niet
eerder kende, juist omdat je je ogen open hield.

Vaak ook doe je alsof, je denkt sneller dan je je verplaatst, er blijft
een been achter, een arm houdt vast, trekt zich

tergend langzaam uit, wist je dat ook kleine kevers moeders hebben
die hun pootjes tellen alvorens te slapen?

een belofte tot beterschap

De taalvaardigheid die een recensent noemt, is niets meer dan
de poging die ik jaren geleden deed zijn beste en

enige vriend te winnen voor het leven. Eindeloos lang berichtte
ik hem vanaf mijn buik en uit mijn bed de redenen

door te rijden, hij was er bijna, het lijk van zijn vrouw leek nog
op de leren achterbank te liggen van zijn bolide,

de kinderen ontroostbaar plaatjes plakkend op de zijramen, de
tegenliggers tellend, toeterend, ontwijkend, de

bergen hoog, de dalen gevaarlijk daarnaast. Uren praatte ik in
op zijn onwilligheid, zijn hardheid, blinde vlek

en blaffende hond, daar leer je van te schrijven, niets had te maken
met de vorm waarin. Ik was bloot en lag hem te

verlangen, hij was onderweg en wilde niets. Zo ontstond het rijm,
afwezig voor de lezer, slechts een behoefte van mezelf.

andere willekeurigheden

In de droom troost ik door zijn hand te houden, bang als hij
is, het is hetzelfde als tegen de kussens aan liggen

en doen alsof een lief daar slaapt of liever wakker nog. De
angstige vriend in de nacht met wie ik

rennend over pleinen en door straten ga, met wie ik me schuil
houd en verkleed een andere keer de deur openzet,

die huilt en die mijn vingers over zijn wang voelt glijden of
mijn tong likkend, ben ikzelf, het bed is

immers leeg. Het doen alsof, zowel de reddende engel zijn
als de belaagde, zowel het gevaar als de

geruststelling, is een dubbelrol die ik slapend en helder een
volgende morgen, gewend ben. Hij bedankt

me, daar, vannacht, ik zwaai mijn benen over de rand en ren
een nieuwe dag in, de dreiging blijft.

hard rennend van de ene hoek naar de andere

Of hij het nu vertelt of niet, of het praatje stimulerend is of
dodelijk saai, of er een waarheid is of niet,

het zal niet anders zijn dan andere willekeurigheden, niets
zal echt het gedrag bepalen dan gewoonte,

discipline, aard en afkomst, omstandigheden die er al waren.
Voor of na die tijd blijf ik hetzelfde, het is

mijn manier natuurlijk om een belangrijke afspraak tot een
hanteerbare proportie te brengen. Graag

zeg ik op het laatste moment af, er zijn genoeg smoezen, om
dan een enorm gevoel van vrijheid te krijgen,

ik ben opeens eeuwig jong en reuze zelfstandig, dat soort
ruimte is mij het liefst. Degene die op mij wacht,

zijn agenda doorhaalt, mijn naam schrapt en al bladerend
pas maanden verder weer noteert, zucht.

geven slechts door wat anderen winnen

Dat je thuis bent en in je stoel zit en denkt ‘was ik maar thuis’,
zegt hij, of ik dat ook wel eens heb? Ik zie

de kamers van weleer, de hoge witte wanden, maar ook mijn
moeder en haar breiwerk, mijn vader in zijn boeken,

een autotijdschrift, zegt hij nu, er lag altijd een nummer op de
tafel, zaten ze eigenlijk naast elkaar? Of hoe er

nu een witte hond zijn poten legt op onze vensterbank en blaft
naar de voorbijgangers, onze kat flirtte vaak,

er werd getikt tegen het glas, kinderen stonden stil. Dat ik alleen
maar thuis ben bij jou, denk ik dan en hij,

dat hij gerust niet alles zegt, maar in zijn handen tussen ons ligt
het onzegbare en ik heb immers zijn handen vast.

Ja, zeg ik. Zijn haar nog nat en achterover gestreken is hij zowel
mij als mijn ouders, jong en oud, daar en hier.

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑