Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: leven (page 1 of 69)

een jengelend kind

Bovenop de schone, gestreken was twee gehaktballen, nog
dampend, in een plastic zakje met een knoop.

Tussen de overhemden een krantenartikel met opgewekte
strekking, ‘hoe er iets moois kan ontstaan in

een wasserette’, de sokken bij elkaar gezocht en verdeeld
over de hoeken, die met de gaten zal hij missen.

Bij de deur een glas water, geen zin in meer, even een lange
omhelzing, even quality time, even sharen.

Later een melding op het schermpje, iets van excuses en
houden van. Bij de ballen kocht hij iets

gezonds. Ik zeg hetzelfde, niet dat hij de eerste was in drie
dagen die iets tegen me zei of die ik

voelde, wel dat ik een dwaze vrouw geworden was die me
opdrong aan de eerste de beste. Niet, zei hij.

op een hoek

Het voelt als extra tijd, een geslaagde ontsnappingspoging. Eerst
als een luchtbel waarin toeval en noodlot elkaar

afwisselden zoals de vrouw in zwarte kleding en de man in witte
jas, later als een terecht verblijf in een verstevigd

huis maar onwennig nog vanwege de recente verbouwing, de
geur van specie, verf die vroeger het voorjaar

voorstelde, het compliment voor de herwonnen ruimte. Drukte
voorheen het dak het hoofd langzaam in elkaar, nu

raken we het plafond niet meer; waren eerst alle ramen gesloten,
nu waait zachtjes het leven binnen en met haar

alle mogelijkheden. Extra ook is het besef waarmee dat alles tot
stand komt, langzaam maar nadrukkelijk

liggen we op onze knieën zoals we als klein kind elke avond en
aan de bedrand deden en vouwen we de handen.

met mijn pen maak ik een opening

Zijn geur zit onder mijn huid, ik ruik hem als ik mijn hoofd
draai en het haar voor mijn neus valt, als ik

mijn shirts uittrek en het zweet afspoel, als ik over mijn lijf
strijk terwijl ik alleen achterblijf, het huis

vol van leegte, er is geen ontkomen aan. Soms is er een flard
van iets nieuws, een zoete walm van snoep in

een steegje, brandstof in een rij wachtende auto’s, een natte
hondenvacht in het voorbijgaan, soms ook

is er een maaltijd van thuis, een snufje parfum, de gladde kin
van een pas geschoren vader, de bloemen die

op uitkomen staan in een wijde vaas voor het venster. Er valt
niets weg te wassen. Niemand haalt

zijn neus op. Eerst na dagen merk ik mezelf weer op: een lichte
zweem van melkwit vel dat zich voegt in haar plooien.

verderop wacht de mens

Hij zegt dat de tekeningen op mijn lijf nauwelijks verkleuren,
hij trekt ze zelden na met zijn vingers maar heeft

het bloed zich zien vermengen met de inkt en het bloed is even
rood nog. De grimassen van pijn heeft hij

vastgelegd maar als hij zijn handen zou volgen, dwalend in de
verhalen, komt hij misschien om en valt hij

ergens tussen toen en nu en raakt hij besmeurd met verf en de
zachtheid van alles dat daaronder ligt. De

lijnen raken elkaar zoals dat iets dat terugkomt op zijn plek: het
lijf bovenop het mijne, het zwaard in

de schacht, het meisje in het vooronder, het brood op de plank,
de zin in het verhaal en het blauw dat

onder het zwart doorloopt in het groen, zijn oog op haar naaktheid
alsof hij haar voor het eerst zag, wit nog.

alsof we dat allemaal zijn

Heeft u wel eens besloten te stoppen met nadenken, niet alle
associaties te maken tezelfdertijd, het idee dat

geluk voor de simpele is aangehaald en nagelaten uw best te
doen en lukte u dat – en nu typ ik hier niet het

verderfelijke vraagteken en ik noem geen termijn waarin noch
geef ik u enkele tips die bij nader inzien net zo

slecht werken als de vierentwintig stappen waarbinnen u uw
nieuwe en zoveel gunstiger gemoedstoestand had

kunnen bereiken, ai; raad die u noch ik ooit zouden opvolgen
omdat we helemaal nergens willen komen en zeker

niet in een bepaalde toestand, alleen soms een kleine pauze
verlangen van dat alsmaar werkend brein en dit

bij voorkeur tijdens een Pinkstercrisis waarin tongen van vuur
toch op ons neerdalen en ons eindelijk dronken maken.

haar vaste plek

Het niet willen weten is een fase die verlengd zou moeten zijn
tot een ieder sterk genoeg is, bij elkaar zit,

handen houdt, elkaar aankijkt terwijl je weet dat sterk zijn geen
kwestie van tijd is en een waarheid, welke dan ook,

geen uitstel vraagt. Het is meer een momentopname waarbij de
zon in de kamer schijnt, een ieder overtuigd

van zijn eigen plek of rol, alvorens alles uit elkaar valt, want dat
gebeurt, natuurlijk. Bovendien willen we

alles weten. De hoed, de rand, de mate van pijn, de hoeveelheid
dagen, het waarom, de afmeting van

ellende, alleen zijn, de kortstondigheid van vreugde, terugkomst,
hoe lang hij blijft, de schaduw van de objecten,

een reden, de afkoopsom, of we nog terug kunnen naar toen en of
we werkelijk gelukkig zijn en liever niet willen weten.

zodat je tenslotte zou knipogen

Dat wat je ruikt, zegt hij, is niet de zee maar de plek waar het
water het land raakt, zo is dat met bepaalde grenzen, getijden,
stromingen ook. En mensen, denk ik of

handelingen. Zoals altijd heeft hij meer woorden nodig voor
hetzelfde en ik ben een goede luisteraar. Ik zeg iets soortgelijks
in een regel of veertien, je herhaalt je,

zegt hij, er is niets mis met mijn orde, beweer ik dan, en je had
het over de zee, ga verder. Soms valt hij stil, raakt met zijn teen
het water en voelt de temperatuur of voert met

schoolslag en sterke beenspieren de wedstrijd op. Het is geen
krachtmeting, zegt hij, om dan toch te winnen, iedere keer weer.
Terugkomen op die grens is om zich heen kijken en

dan mij veroveren, landinwaarts trekken met zijn leger, opgeheven
zwaard en drift, ik vloei dan over al zijn zinnen heen (en trek mijn
rokken hoog om veilig het zand te bereiken).

het wil geen tekst

Ik las uit je boek en liep langs je laan waar alle bomen dunne
stammetjes waren en huizen elkaar opeens in de

kamers konden zien, en ik stelde je opnieuw voor aan de lezer
en allemaal dachten ze dat je misschien familie was

van die aardige man op de hoek die een winkel dreef in elektronica?
Of ook dat je tussen hen zat en ze jou allang kenden

maar niemand herinnerde zich de verhalen of de volle wuivende
takken uit eerdere jaren, zelfs niet toen ik de foto’s

die jij scheef en snel tussen de bladzijden had geplakt, in de hoogte
hield terwijl mijn duim en vinger op jouw ogen

drukten zodat je tenslotte zou knipogen of een beetje huilen, weer
zou leven kortom terwijl alleen het zien van

die armoedige beplanting je het einde zou aankondigen, van jezelf,
de beschaving, het ons en de vogels.

een ondoorzichtige zwaarte

Het verlangt een hand die steeds zachter, een vinger zelfs,
alsof terloops een afspraak wordt nageleefd,

een korte rilling vanaf de halslijn, een warmte tussen, een
te lessen dorst omdat het eindelijk zomer is.

Het wil een bekentenis. Het wacht op een zucht, een ogen
gesloten, verandering van kleur, zwaarte, druk,

het wil zich keren en wentelen, strekken en schaven, het
zweet dat zich, en dan. Het wil

de herhaling, het begint aan de knoopjes, het glijdt naar
beneden, het haar dat als eerste valt, het

sleept tot over de grond. Het wil geen tekst, de schreeuw
misschien, de geur van aarde door het

open venster, gras gemaaid in golven, de damp van, het
uiteenvallen, het opnieuw verzamelen, het.

doelgericht

Alsof het de rode verf is die ik in mijn krullen spoelde, de massa
optilde en zo behoedzaam liggen ging en toch de volgende

ochtend verwachtte de lakens rood te vinden, zo drapeer ik het
lijf rond zijn laatste ingreep, de deken daar

bovenop, en denk aan schaduwen maar dan in kleur en leeglopen
maar dan op een verkeerde manier en de

witte was roze. Ik denk aan de vrouwen die mij hielpen en die
vroegen of ze in mijn verhalen zouden voorkomen

een volgende dag, hun handen sterk en warm, een moederschoot
tegen mijn uitstekend been, als altijd een

zoon daar aan het voeteneind, te jong en te knap om serieus te
worden genomen, en hoe ik hen toeschreef

de hoofdstukken over te slaan om meteen in de dichtste bomenrij
terecht te komen en het blikkerend zonlicht op de afrit.

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑