Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: zijn (pagina 1 van 47)

het prachtig rood

Mijn zusje zei bij het lezen van mijn vorige bundel dat het
meegevallen was, de inhoud was niet zo

hinderlijk persoonlijk als zij gedacht had, en het enige dat
haar opgevallen was, bleek de kleur ‘paars’,

dat was het woord dat ze het vaakst geteld had. Het was een
aanwijzing dat ik paars moest gaan dragen, zei ze.

Op mijn toetsenbord is de ‘e’ het meest uitgesleten. Ze zou
het in verband brengen met het groot ego van

de kunstenaar en hoefde niet meer op mijn stoep dat verwijt
te schreeuwen, zelf zocht ik naarstig naar nog

meer woorden met een ‘e’ en deed wat vuilniszakken vol
zwarte kleding weg. Heel fris, zei mijn

lievelingsbroertje, de enige die mijn nieuwe bundel in de kast
had geschoven, toen ik in het lila tegenover hem zat.

de hindernissen

Een paar dagen zonder mensen, anderen dan de poppetjes
ver beneden op straat en hun dichtslaande autoportieren,
vroegtijdig afgestoken vuurpijlen en blaffende

honden, zonder gesprekken, aanwezigheid, tegenspraak en
geduld, als een weiland zonder beesten maar alleen met
laagtrekkende meeuwen of vallende zwaluwen

en regen dus natte aarde en geen uitzicht dan het zelfbeeld
in de huilende vensters, geen geluid dan het neervallen van
het water en geen beweging dan het meten van

de omringende muren aan de stappen van alleen jezelf, het
schilderij aan de ene, de foto aan de andere, het papier tussen
je vingers al bijna uit elkaar vallend van ouderdom,

verzet binnen de letters, als een herinnering een uitspraak
herhalend, dat van troost, dat van liefde, dat van toekomst,
dat van geheel, gebaar van voortgaan, wachtend

op de ster aan de hemel, het breken van het massieve zwart
dat andermaal het begin is tot daar een kind ketst tegen de
zachte wanden in je lijf en begint met praten.

grijs gebied

In de haast waarmee dit tot stand komt, zit iets van weinig
respect voor de maker, het onderwerp en het

ambacht. Iets van onnadenkendheid en onwelwillendheid,
iets van schaamte ook. Alsof in een gesprek

toegegeven wordt dat de ander belangrijker is dan jezelf.
Je moet weten wat je publiek is, wat het doel is,

zegt een struikelende maar dreinende stem rechts van mij,
en na zoveel jaar is het toch geen

oefening meer maar dat alles is nadenken en dat doen we
juist niet als we meteen het lijf strekken, de

vingers buigen en ratelen, dat doen we alleen als we blijven
liggen en star en stijf de warmte niet willen missen

noch onszelf die toch elke keer weer languit over het wit
galoppeert en de hindernissen neemt.

de gewenste positie

Het onderwerp is uitgesleten zoals de handeling, glad als
een steen die te lang onder een miezerend straaltje

water heeft gelegen, met eenzelfde lichte glooiing waarmee
de rug overgaat in de bilpartij. Om te strelen

zo mooi en toch niet meer de begeerte opwekkend die het
vroeger deed. Ze ligt daar maar. Anderen

zien haar eerder, niet dat hij niet kijkt maar op het netvlies
staan voorgangers en niet eens keurig op een

rijtje en wat doet buurvrouw K. daartussen, zijn moeder of
het meisje in de melkwinkel van D., die nu

natuurlijk allang dood is. Alleen die beelden blijven, hij
schat zichzelf veertig of misschien twintig, kijk

hij had nog die enorme krullen en let op dat nonchalante
waarmee hij op haar ligt alsof ze er altijd zou zijn.

door de opening

Op een gegeven moment is de tijd op. Er verschijnt een in
zijn handen klappende meester op de stoep van

het grijze schoolgebouw en je propt je in de keurige lijn
die zich op het plein vormt en loopt naar

binnen. Zijn handen raken je in het voorbijgaan niet aan.
Gelukkig mag je weer iets leren, hoef je niet

met benen wijd knikkers op te vangen, voorovergebogen
handen in je rug te voelen en op je beurt te

springen, gelukkig hoef je niet nogmaals het slingerend
touw te ontwijken, achter die deur is het altijd

veiliger voor jou. Toch zou je nu de steeg in willen schieten,
achterop de fiets bij de grootste pestkop desnoods,

gaten willen vallen in je knieën om alleen maar te ontkomen
aan die markering in dat stukje tijd.

met tegenzin

Het weer is te slecht, zei ze, je kunt beter daar blijven terwijl
het koud noch nat was, niets dreigde, de lucht zelfs

bedrieglijk leeg en zij een zomerjurkje droeg waarin nauwelijks
nog de kreukels, ze had alleen maar

het hoofd hoeven uitsteken en door de opening om in de stof
te glijden die dansend langs haar ging. Hij

zei niets. Er zou altijd een waarschuwing volgen zoals moeders
die maken of de man op de radio die waterstanden

opdreunde, filevorming, omleidingen en hoe hoog de maan en
hij zou iedere keer rekening houden met

de temperatuursomslag in haar lijf. Zij nam een vest uit de kast
en deed alsof het herfst was, ze droeg binnenshuis

een muts, ze stapte in laarzen rond alsof de zondvloed gekomen
was terwijl hij op het droge naar de zwaluwen keek.

geoefend op uw naam

Hardop deed ik het vroeger en bij voorkeur in bad terwijl ik
me uitstrekte en dreef bovenop het hete water,

de geur en kinderstemmen door de spleet van de open deur,
een restant maaltijd, soms een hongerig dier.

Chronologisch en samenvattend en altijd geruststellend, althans
dat was het gevoel bij het terug horen van

mijn avonturen die door zachte stem en licht deinen in ieder
geval overleefd waren. Voors- en tegens,

zoals poses voor een raam terwijl ik afgedroogd op hem wachtte,
mijn silhouette, het huis donker, kleine

pufjes vanuit warme bedden, altijd een auto die stopte, een deur
die sloeg en zachtjes gegiechel in de gang. En toen,

zou ik later herhalen, deed ik dit. Nu schrijf ik het slechts, met
heel soms een liedje in de nog steeds donkere wereld.

op hoge lussen van een letter

Mevrouw K. die ook schrijven kon en in al haar roze
zachtheid is blijven steken, licht nasnikkend

en handen wrijvend, zal nooit meer bedanken voor mijn
stem. De plastic bloemen die aan de zijkanten

van haar rollator hingen, bungelen nu aan die van de heer
B. die niet gedacht had, zo zegt hij me,

zoveel van iemand te hebben kunnen houden, zo aan dit
einde van de rit. Ik mag gerust Kees zeggen

nu. Ik had zo geoefend op uw naam, zeg ik, ik op de
jouwe, zegt hij, en noemt me Sandra.

Vorig jaar stond ik op de zijkant van zijn hand; de pen
noteerde tevens de aantallen luisteraars terwijl

zij uit haar hoofd het versje uit haar jeugd citeerde: God
zou haar thuisbrengen, alleen wist ze niet wanneer.

een opstandige periode

Als hij mijn plaats in de tijd kwijt is en eigenlijk ook zijn
eigen markering in de tijdlijn en ik onbestemd

door zijn geschiedenis rol, is ook de toekomst een zwart
gat dat zonder knal weliswaar en al reeds

ontstaan een vorm van nadenken wordt, een meditatief
gebeuren als een muziekje onder wat tekst,

een juist woordje op hoge lussen van een letter, een wuivend
handje achter een gordijn als bij een ongeduldig

en nerveus optreden van een kind op een omgekeerde emmer
die voor een tijdelijk maar wiebelend

succes zorgt en waarvoor de knuffelbeesten in het gras hard
stampen, sissen en applaudisseren; nu

nog een koprol en een buiging en we zijn al klaar voor alle
dagen van week, jaar en leven.

de bubbel

Ze kan in deze vorm bijna alles, zegt hij maar vorm is bedacht,
zijn die twintig zwarte jurken in de kast die

nauwelijks gedragen meer, vorige week in drie vuilniszakken
uit huis gedragen werden en nu door vreemde

handen van vreemde vrouwen omhoog gegooid, opzij geschoven,
gretig of aarzelend over het hoofd glijden en dansen

rond een ander lijf. Het vers doet soms hetzelfde. Het past zich
aan de lezer aan, verandert soms haar zin alsof

het vanzelf gaat en om beter te passen in een andere mond, kijk
hoe de lippen zich tuiten, en gaat verliggen

in het bed, springt van de werktafel rechtstreeks in armen die
nietsvermoedend eerst nog een boodschap dragen

van de zoete bakker. Alleen de kruimels houd ik en de kousen
met de bloemen opzij en de aaneengeregen gaten.

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑