Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: zijn (page 1 of 56)

een jengelend kind

Bovenop de schone, gestreken was twee gehaktballen, nog
dampend, in een plastic zakje met een knoop.

Tussen de overhemden een krantenartikel met opgewekte
strekking, ‘hoe er iets moois kan ontstaan in

een wasserette’, de sokken bij elkaar gezocht en verdeeld
over de hoeken, die met de gaten zal hij missen.

Bij de deur een glas water, geen zin in meer, even een lange
omhelzing, even quality time, even sharen.

Later een melding op het schermpje, iets van excuses en
houden van. Bij de ballen kocht hij iets

gezonds. Ik zeg hetzelfde, niet dat hij de eerste was in drie
dagen die iets tegen me zei of die ik

voelde, wel dat ik een dwaze vrouw geworden was die me
opdrong aan de eerste de beste. Niet, zei hij.

mijn planning

In de vier wanden van haar bestaan kleven de haren aan de
vloerdelen, wuiven de jurken haar na, kraken

de ramen en piepen de deuren, de zwarte vlekken zijn de
bomen die tegen het glas tikken, schaduwen

van dromen, een verre sirene. Ondergedoken in lichte lakens
met zwaar de warmte op haar drukkend

zoals hij dat doet, een jengelend kind dat een ijsje laat vallen
vraagt om meer. Met een kalme hand zou

je de muren opzij willen duwen of het hele dak willen optillen
als bij een maquette die je afgekeurd hebt en

waaraan je nog wat wilt werken, het stof blaas je tezelfdertijd
uit de hoeken. Als alles omvalt is er nog

het weiland, een strootje in je mond, grenzeloze verte boven
je, hij speelt in de sloot en vangt kikkervisjes.

op een hoek

Het voelt als extra tijd, een geslaagde ontsnappingspoging. Eerst
als een luchtbel waarin toeval en noodlot elkaar

afwisselden zoals de vrouw in zwarte kleding en de man in witte
jas, later als een terecht verblijf in een verstevigd

huis maar onwennig nog vanwege de recente verbouwing, de
geur van specie, verf die vroeger het voorjaar

voorstelde, het compliment voor de herwonnen ruimte. Drukte
voorheen het dak het hoofd langzaam in elkaar, nu

raken we het plafond niet meer; waren eerst alle ramen gesloten,
nu waait zachtjes het leven binnen en met haar

alle mogelijkheden. Extra ook is het besef waarmee dat alles tot
stand komt, langzaam maar nadrukkelijk

liggen we op onze knieën zoals we als klein kind elke avond en
aan de bedrand deden en vouwen we de handen.

met mijn pen maak ik een opening

Zijn geur zit onder mijn huid, ik ruik hem als ik mijn hoofd
draai en het haar voor mijn neus valt, als ik

mijn shirts uittrek en het zweet afspoel, als ik over mijn lijf
strijk terwijl ik alleen achterblijf, het huis

vol van leegte, er is geen ontkomen aan. Soms is er een flard
van iets nieuws, een zoete walm van snoep in

een steegje, brandstof in een rij wachtende auto’s, een natte
hondenvacht in het voorbijgaan, soms ook

is er een maaltijd van thuis, een snufje parfum, de gladde kin
van een pas geschoren vader, de bloemen die

op uitkomen staan in een wijde vaas voor het venster. Er valt
niets weg te wassen. Niemand haalt

zijn neus op. Eerst na dagen merk ik mezelf weer op: een lichte
zweem van melkwit vel dat zich voegt in haar plooien.

verderop wacht de mens

Hij zegt dat de tekeningen op mijn lijf nauwelijks verkleuren,
hij trekt ze zelden na met zijn vingers maar heeft

het bloed zich zien vermengen met de inkt en het bloed is even
rood nog. De grimassen van pijn heeft hij

vastgelegd maar als hij zijn handen zou volgen, dwalend in de
verhalen, komt hij misschien om en valt hij

ergens tussen toen en nu en raakt hij besmeurd met verf en de
zachtheid van alles dat daaronder ligt. De

lijnen raken elkaar zoals dat iets dat terugkomt op zijn plek: het
lijf bovenop het mijne, het zwaard in

de schacht, het meisje in het vooronder, het brood op de plank,
de zin in het verhaal en het blauw dat

onder het zwart doorloopt in het groen, zijn oog op haar naaktheid
alsof hij haar voor het eerst zag, wit nog.

alsof we dat allemaal zijn

Heeft u wel eens besloten te stoppen met nadenken, niet alle
associaties te maken tezelfdertijd, het idee dat

geluk voor de simpele is aangehaald en nagelaten uw best te
doen en lukte u dat – en nu typ ik hier niet het

verderfelijke vraagteken en ik noem geen termijn waarin noch
geef ik u enkele tips die bij nader inzien net zo

slecht werken als de vierentwintig stappen waarbinnen u uw
nieuwe en zoveel gunstiger gemoedstoestand had

kunnen bereiken, ai; raad die u noch ik ooit zouden opvolgen
omdat we helemaal nergens willen komen en zeker

niet in een bepaalde toestand, alleen soms een kleine pauze
verlangen van dat alsmaar werkend brein en dit

bij voorkeur tijdens een Pinkstercrisis waarin tongen van vuur
toch op ons neerdalen en ons eindelijk dronken maken.

een nieuw optreden van mij

Hij maakt er een opname van, hoe kwetsbaar ik daar sta en met
mijn armen maai, hoe ik gil en me verzet, niet

hoe er tranen lopen onder de headset door of hoe misselijk ik mijn
evenwicht dreig te verliezen. Het is een spel

tenslotte maar de geluiden zijn niet geruststellend, de kleuren en
pijlen niet en ook mijn verblijf, daar

in die virtuele wereld, omringd door de geblokte ruimte waaraan
geen houvast, geen herkenning, geen route zichtbaar,

is allesbehalve een pleziertje. We houden je voor de gek, zegt hij
maar het is mijn kind, mijn allerkleinste kind die

briljant van de ene oever naar de andere springt en mij nu moet
beschermen in plaats van ik hem en ik moet

kijken wat hij doet zoals bij de torens die hij vroeger blok voor blok
hoger maakte en die – tot mijn verbazing – nooit vielen.

vertrek en vakantiebestemming

Alvorens te gaan, de ochtend vroeger dan anders, dronk hij
zijn koffie op de rand van het bed. Hij droeg alleen

zijn overhemd, blijkbaar wist hij van de files onderweg en
hoe hij mij instoppen zou, opnieuw. Dan vertrok

hij te laat, zij vloekte door de telefoon, ik mocht niet zwaaien
en bij de volgende bocht piepte het mobieltje

een spoedige terugkomst en dat ik maar moest genieten vandaag.
De herhaling was nooit een bezwaar, het

genot altijd even groot, de morgen zonnig, ik kon er een boek
over schrijven. Zoals iedereen zei hij dat hij

vereerd was, als hoofdpersoon en door die bepaalde rol, maar
lezen was lastig als het in het donker moest, het

licht van het apparaat maakte anderen wakker, bovendien kon
hij zich niet herinneren dat het zo gelopen was.

de werkelijkheid is de bladzijde

Bij het opstaan zijn mijn knokkels zwart alsof ik nu al typend
door grafiet ben gerold, een ambachtsman die tussen

rook en zware geluiden zijn dag begint. Ik veeg mijn handen
aan elkaar af en verzin het gruis. Zo

liggen er bij hem op tafel oorbellen terwijl er geen vrouw was,
niemand die bewijzen moest dat ze de eerste was

van die dag, en raad ik hem goed te zoeken onder de bank, er
zal een lijk liggen misschien. Het kofferdeksel

van de groene Citroen is ondertussen onvindbaar terwijl het
zojuist nog aan de auto hing, open voor

vertrek en vakantiebestemming, een iets te jeugdige bestuurder
kruipt voor me over de route. In een droom

trok er een optocht voorbij het huis en frituurde ik vellen deeg,
wachtend tot ik zwaaien kon naar een bekende.

de hoed, de rand

Zijn auto staat geparkeerd onder mijn werktafel, zijn hele zijn
in mijn hart, de hand vanzelfsprekend uitgestoken,

zijn hoofdje, neusje, mond tegen de mijne als ik op de hurken
hem vasthoud op het toilet, zijn blote rug

voor mijn beschermende hand, mijn woorden een mantra, een
steeds weer herhalende wens. Het weer is zonnig,

zegt hij, nog steeds in de taal van het verlaten land terwijl hij
speelt met vogeltjes die denkbeeldige kruimels

oppikken, wagens die klemraken in gaten onderweg, de bal die
rinkelt bij het overgooien. De blik op

oneindig als hij zorgvuldig eet en altijd de goedkeurende en
innige geluiden, kleine notities in zijn eerste boek

en vooral de wereld vanaf zijn hoogte chaotisch en vies vinden
tot de vogels fluiten in de achtertuin.

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑