Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: zijn (pagina 1 van 40)

jij zei niets

Zoals je dat bij foto’s doet: op zoek gaan naar afwijkende
details, subtiele veranderingen, verschuivingen in

jezelf zoals je daar lachend voor je staat; zoals je dat bij
brieven doet, het lint lostrekt en de jaren schudt,

nog onder de postzegel kijkt of het handschrift met dat
van nu vergelijkt, de inhoud uitvouwt, glad

strijkt misschien; zoals je dat bij jezelf doet terwijl je in
de spiegel kijkt, een wenkbrauw probeert te

laten duiden, wangen intrekt, van opzij een schaduw over
je neusvleugel, met twee vingers de

losse huid jonger trekt, zo misschien verzoek ik je dat alles
te herschrijven: een steen op het bijna weg fladderend

vel, inktvlekken aan de zijkant van je rechterwijsvinger,
eelt op je ziel, duidelijk zichtbaar je moeite.

je kunsten

Ze is gek op aandacht, zegt het vriendje tegen de suppoost
die mijn capriolen in de zachte hut niet

kan zien, maar wel de verwoede pogingen van de fotograaf
mij te laten doen wat hij wil. De een bewaakt de

witte handschoenenbak en de plastic overtrek schoentjes en
eigenlijk ook mij terwijl ik zo aardig kleur bij

de heuvels in het kleinste magisch centrum dat weer in het
grotere in het nog groter hart staat, de ander

richt een niet geheel welwillend oog en vertraagd door de
techniek door een krappe kijkcirkel en klikt.

Mijn lijf glijdt door de tijd en botst tegen de hardere punten
die zich fier oprichten ver beneden dat

hart en omzeilt de wanden die haarzelf begrenzen, de mannen
kletsen erover hoe het resultaat te verkopen.

 

Magisch Centrum Amsterdam, Stedelijk, 14 juli 2018

ver uit het zicht van

Ik ben altijd alleen, weet je dat en ik draag altijd alleen
jouw vertrek met me mee en ik kan het

opschrijven en je kunt het lezen en voelen, zeg je, ik kan
het bijna voelen want het was zo en niet anders,

maar niemand corrigeert die feiten en geen enkel persoon
komt ervoor in de plaats, mooi gevoel

schamper ik, fijn leeswerk, verzin nog eens wat. Het was
niet je bedoeling, zeg je. Ik ben gemaakt voor

dit alleen zijn, ik praat tegen het papier, ik kras tegen de
ruit, ik druk je weg zodra je kopjeduikelend je

kunsten vertoont, geen enkele moeite, zeg je. Het zou iets
zijn waarvoor ik je bedanken moest. Nee,

je hoeft niet te komen, je weet niet waar ik ben, oefen nog
maar wat in het je bewegen van hier naar daar.

het achterland het uitzicht

Strijkend langs de kleine groene blaadjes van mijn kruidentuin,
op zoek naar de gaten makende, gulzige onverlaat, houd

ik alleen de geur aan mijn vingers over en daarmee de herinnering
aan mijn mamma die op haar knieën in het groentebed lag,

haar klompjes onder haar rokken geschoven, en met het schilmesje
de ingrediënten afsneed voor de soep of de

gevulde vleestomaten die uit elkaar spatten in de oven alvorens ze
op ons bord kwamen, en ik huil zomaar omdat

naast deze heerlijkheden al het andere meekomt: zomers die in
de achtertuin gevierd werden, ver uit het zicht van

de dorpsbewoners, beesten die hun warmte aan ons afstonden en
met de bek in onze hand meeliepen, een vader die –

ach, alles was daar nog, en ik zelf, ik zelf, en het land onbegrensd
en voor altijd van ons, licht wuivend en geurend.

van haar wortels ontdaan

Erger dan de lege plekken zijn de blanco gezichten
die net nog onder je lagen met lachjes en

verhalen. Kom niet bij me met lege handen, zeg niet
dat iedereen hen kent. Pijnlijker dan

verdwenen schuilplekken zijn verdwenen redenen
om te schuilen, groot geworden past

zoveel niet meer. Het komt omdat we op de terugweg
zijn maar wie wilde vertrekken, het

pistoolschot te luid bij het oor en blijkbaar op handen
lopend in plaats van op de voeten. Verhalen

zijn om gerust te stellen dus het is goed dat ze op zijn,
de echte reden is de echte wereld, daar

wil je heus niet blijven. Zonder je om te draaien weet
je de lucht van een doorzichtig blauw.

dat hij verzamelde en schatten noemde

Lopend door het huis is alles opgenoemd, een inventaris
van de levende die met blikkerige stem in het

apparaat gestopt wordt, achter hem aan herhalen we de
route. Iets ruikt naar bederf, een oude zomer die

opgeruimd moet, er dansen vlekken op het tapijt. De leuning
van de trap hangt los. Zoals bij iedereen ligt

onder de nok van het dak het meest kostbare, tegen de
met paisley motief bespannen wanden staan

in rijen dik de kunstwerken, het lichtknopje bij de deur
zet hen allemaal in een eeuwige zon. Op

tafel een mapje voor iedereen, de kaart met naam maar
zonder datum steekt eruit. O mag ik een foto

waarop zijn haar nog zichtbaar, zijn wenkbrauwen nog
zwart en in boogjes opgetrokken, hij nog onder ons?

later kwamen daar de bijzonderheden bij

Als je hem lopend over straat tegen was gekomen, een
kleine jongen nog met uitpuilende broekzakken,

een pleister op de ene knie, losse veters en afzakkende
sokken, krullen ernstig in de war en ogen

van het waterblauwe, onpeilbaar diep water waarin
zwarte beesten allang verdronken waren, en

je afvroeg waar zijn moeder was en of hij geen vriendjes
had of wat het was dat hij verzamelde en

schatten noemde dat daar zo in zijn zijden gekoesterd
werd en of hij wel genoeg te eten kreeg, en op

gelijke hoogte met hem, zijn sproetjes tellend, bezorgd
hem dan staande hield, zei hij dat hij

uit Amsterdam kwam en vergat hij moedwillig de vier
straten achter hem en wist zeker zijn bestemming.

en dus staat ze daar nog altijd  

Beheerde ik eerst alleen maar zijn tijd en de personen
die erin voorkwamen, alsof ik bij de ingang van

de bus kinderen telde die later op de grond lagen en
deden alsof er geen thuiskomst was, pleisters

uitdelend met rode viltstift markeringen, giechels in
broeiende hitte, later kwamen daar de

bijzonderheden bij, de attracties als het ware. Ik zette
alles in een rij en maande tot geduld, er

waren ijsjes uit te delen met een dun laagje chocola,
op elke vraag een antwoord. Nu sta ik

aan de kant van de weg en tuur de route af, ik heb de
bomen verwijderd, rood-witte vlaggetjes

verhangen, de zon achter een wolkje verschoven, de
stenen geteld, het zwaaien begint.

op kleur gekozen

Poëzie is ook je best doen, niet door het vinden van
bepaalde woorden in een zekere rangschikking,

het combineren van ritme en klank en betekenis en
het laten proeven van dat wat

mogelijk is, maar het voortdurend blijven kijken naar
wat onderweg onthuld wordt of niet

zichtbaar wordt gemaakt dan eerst in jouw regels. Steeds
een dans in je hoofd zoals je op straat om

een lantaarnpaal draait en nog eens en dan niet rechtdoor
maar plotseling linksaf gaat, een

beweging die ontstaat in je hart en doortrekt naar je buik,
je armen, je benen, in je borst klopt, je

nek spant, je haren schudt, je ogen toeknijpt, je mond
open stoot en daarna je neerlegt op het wit.

een heel zacht help klonk in mijn kamer 

Ook zij heeft de gekleurde, stoffen omslagen van de
kleine, vierkante boekjes eerst bevoeld, in

de hand genomen en gewogen, geopend en de rossige
weerschijn van de lijnen op het dunne papier

tegen het rode koordje zien opdoemen, en op kleur
gekozen: er zijn er met meer blauw erin,

er zijn er met meer groen erin. Als ze verstandig was,
zou ze meteen tien van dezelfde hebben

gekocht maar ook bij haar zijn het er drie die daarna
verwisseld worden voor harde kaften,

rood met zwarte hoeken, dunne schriften, alsof de
inhoud zich moet voegen naar dat uiterlijk.

Onder haar hand hebben zij zich verbogen, vervormd
tot elk compromis en haar leesbaar gemaakt.

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑