Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: zijn (page 1 of 50)

hoe lekker warm ze daar lagen

Ze plukt het haar van mijn jasje, engelenhaar, zegt ze, omdat
het krult maar mijn stroblonde haar valt

recht naar beneden, kan ik daarom niet tegen die zachte en
dwingende aanraking van handen die

verzamelen en tegelijkertijd corrigeren alsof mijn moeder aan
de zoom van mijn kleding trekt in de hoop

dat het minder ordinair wordt, minder vol en minder zwart?
Ik wil niet voelen, zelfs al is het nauwelijks

en ik wil niet dat zij zegt dat ook zij haar verliest en naar de
grond wijst, ik wil niet delen en ik wil

het bestaan van engelen ontkrachten. Dan zegt ze nog iets over
de lengte en mijn schouders krimpen en op

straat denk ik steeds achterom te moeten kijken of zij me niet
volgt, kokette stappen die leeg en hol klinken.

ons allen

We doen graag wat men niet doet, we hangen niet in de parken
en bedelen niet om het eerste ijs maar lezen een

heel boek in een zonovergoten boomhut, denken aan vroeger en
giechelen in onszelf. We herinneren ons

en proberen dat in het verhaal te passen dat we lezen, negeren
daarmee de klaterende stemmen buiten, het

wezen in het trappenhuis, een rij supporters midden op de weg
en te ver opengedraaide versterkers van de aan

onderhoud onderhevige open Opel Kadett, zelfs de man daarin
zien we niet. We doen niet graag wat men

zoal doet. Aan de buitenkant lijkt alles hetzelfde, ook dit raam
staat open, ook dit gordijn wappert, we

diepen een zonnebril op uit onze tas, maar van binnen zijn we
mijlen ver en van jaren her, winter 1756 misschien.

als de nacht zich herhaalt

Als ik hem in de ochtend vasthoudt, mag ik niet loslaten, we
rijden in een trein, we zijn, zegt hij,

nog niet bij een station. Uit zijn oplichtend mobiel komt een
herhalende cadans van spoorgeluiden, zelfs

de fluit van een locomotief, het stampen van de wielen, nu,
zegt hij, gaan we over een brug. Er zijn wat

vage bijgeluiden die hij niet hoort maar ik wel. Ik denk aan
het controleren van de kaartjes en wat

etenswaar in een rieten mandje, drank en een halve worst die
je deelt met de buurman. Hij slaapt. Bij

elke beweging van mij omklemt hij mij, er is nog een hand over,
ik schrijf ermee terwijl ik op zijn rug de zon

teken die er later echt is. Ik zet koffie, doe de gordijnen open,
verover de wereld alvast, hij is nog onderweg.

zonder dat er iets beweegt

Misschien is het dichten wel een vorm van eigenlijk niet
willen delen, een beetje zoals ik liever niet

vertel, en is mijn proza de vorm waarmee een roddeltante
zich in het circuit begeeft, luid en vol en

morsend want ondertussen snoepend van een taartje. Zeker
is de zorgvuldigheid waarmee ik onbewust want

half slapend de mededelingen doe, een tegemoetkoming
aan mezelf, een vaag schuldgevoel want heb

ik niet recht op overzichtelijke informatie zoals ik mezelf
die vroeger, hardop pratend, en dan ook nog

chronologisch, in het bad gaf, tikkend onderwijl op de bergen
schuim die mij bedekten. Suggestief,

zegt iemand, maar nog steeds wil ik niemand in datzelfde
water, en blijft de rand van mijn bassin schoon.

vragen

Het is heel gek, zegt meneer B. die voorheen mijn naam
nog op de muis van zijn hand had staan, maar

ik heb niet het idee dat ik u ken, misschien dat we eerst wat
kennis moeten maken alvorens ik met u meega.

Nu gaan we nergens naar toe, we zitten halverwege de gang
van het tehuis maar ook deze komt hem niet

bekend voor, ik merk het aan zijn twijfel en wantrouwende
blik, maar eenmaal in de groep die zich

herpakt na iedere bijna dodelijke afloop en nu is uitgebreid
met een miauwende kat waartegen men gewoon

‘kom maar’ zeggen kan zonder dat er iets beweegt, knikt hij
mij beminnelijk toe. Zijn buurman vraagt hij

toestemming mij aanstonds naar huis te brengen, ik leek wat
verloren. Buurman ook, zijn poes wellicht?

kinderen nog

Meidje, zegt de een en dat klinkt alsof hij me kent, me vagelijk
troost met iets maar tegelijkertijd als jong en

onervaren weg zet, zo kijkt hij ook naar me: het is heerlijk al
mijn eten maar ik ben een idioot dat ik het hem

voorschotel. Dat terwijl ik niets laat zien verder, ik zorg dat de
gekleurde lijnen over mijn vel niet uit mijn mouwen

kieren, dat mijn borsten niet voorover tuimelen in zijn soep,
dat mijn woorden niet aan de muur hangen en

zeker dat mijn beweringen eigenlijk vragen zijn die hij moet
bevestigen, toch? Ik zou nooit jochie kunnen zeggen.

De ander prik ik in zijn zij, we knipogen, ik sla een bladzijde
open en zomaar vloeit iets blauws en roods uit

mijn shirt, wat is het eigenlijk voor soep, vraagt hij en of hij meer
mag en of ik nog iets gewonnen heb laatst?

iets over die bomen of hoe hoog we nu zitten vandaag

Soms verplaats je jezelf in zijn geheel, niet eens daadwerkelijk
maar in gedachten zoals dromend bij een muziekje

naar keuze, een man naar je hart, soep naar je smaak. Soms ook
neem je jezelf echt op en zit je pas weer

meters verder neer, te wakker om nog iets te wensen, gespitst op
bijgeluiden en vreemde geuren, kleverige handjes

in je nek, flemende stemmen die om ‘de allerlaatste vragen’, keer,
boek, kus, cadeautje. Als je je klein maakt, waai je zo

met ze de hoek om en misschien kom je in een land dat je niet
eerder kende, juist omdat je je ogen open hield.

Vaak ook doe je alsof, je denkt sneller dan je je verplaatst, er blijft
een been achter, een arm houdt vast, trekt zich

tergend langzaam uit, wist je dat ook kleine kevers moeders hebben
die hun pootjes tellen alvorens te slapen?

niets had te maken met de vorm waarin

een nieuwe compilatie van beelden

niets had te maken met de vorm waarin

In plaats van een prijsje, zegt hij, kun je dit je familie aanbieden.
Hij doelt op een nieuwe compilatie van beelden,

niet op die van feiten. Ik denk aan een vertoning in de werkkamer
waar concentratie en discipline nog hangt maar

de handen voor de ogen zullen worden geslagen of de blik naar
de lege bomen buiten, er is niemand die tussen

de oogharen wil staren naar diegene die ze niet kennen, een volle
en bijna ordinaire verwante die over taboes

spreekt en met wapperende handen de eenzaamheid bestrijdt. Er
zal gevraagd worden om nog een kopje koffie, er

is koek, men geeft elkaar iets anders door, een zekere verlegenheid
en onwil, een misplaatste grap, een vergelijking met

een hemelend gezinslid en iets over die bomen of hoe hoog we nu
zitten vandaag, kijk maar naar die tuimelende vogel.

een belofte tot beterschap

De taalvaardigheid die een recensent noemt, is niets meer dan
de poging die ik jaren geleden deed zijn beste en

enige vriend te winnen voor het leven. Eindeloos lang berichtte
ik hem vanaf mijn buik en uit mijn bed de redenen

door te rijden, hij was er bijna, het lijk van zijn vrouw leek nog
op de leren achterbank te liggen van zijn bolide,

de kinderen ontroostbaar plaatjes plakkend op de zijramen, de
tegenliggers tellend, toeterend, ontwijkend, de

bergen hoog, de dalen gevaarlijk daarnaast. Uren praatte ik in
op zijn onwilligheid, zijn hardheid, blinde vlek

en blaffende hond, daar leer je van te schrijven, niets had te maken
met de vorm waarin. Ik was bloot en lag hem te

verlangen, hij was onderweg en wilde niets. Zo ontstond het rijm,
afwezig voor de lezer, slechts een behoefte van mezelf.

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑