Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: het dorp (pagina 1 van 12)

in de kast

Pratend over ze zie ik hoe ze aan tafel schuiven alsof ze
niet al jaren geleden verdwenen. Zij heeft

rode wangen en een koud neusje, hij schuilt diep in zijn
kraag, verbaasd alsof we hem bevrijd hebben

zonder dat hij riep of klaagde over de omstandigheden.
Ze praten mee, proeven iets, gaan daarna weer,

we zien hen op de rug na en al zouden we willen, niets
haalt hen voorgoed terug, het lukt zelfs niet

te vragen om meer, vaker, langer. Het gesprek duurt een
jaar, op een afgesproken tijd komen we erin

terug, tot zo lang zijn het flarden die als mist boven het
weiland hangen. Hij drijft de beesten in de stal,

zij hangt ondanks alles de was buiten, wij durven bijna
niet van het erf af, er drijft een vlieg in de melk.

mezelf misschien

Omdat ik mijn vader heb horen gillen door het dunne behang,
de ramen klepperend door te tochtstroom, de takken

van de kastanjes roffelend het spookbeeld vergezellend, de
nacht het inktzwarte duister dat boven de velden

bleef hangen, mag ik zelf schreeuwen, mijn schoenen door
de kamer werpen, de bijbel vanonder het

kussen verliezen, de greep op hun handen met een botte bijl
doorklieven, de lakens bevuilen, het kind

kwijtraken. In de beklemmende stilte daarna vonden we alles
terug, hij kauwde traag zijn ontbijt, de kopjes

thee lauw maar recht in hun schoteltje, de gordijnen open, de
deur van het slot, de route langs het water van

hetzelfde aantal kilometers, wind tegen. Het duurde alleen wat
langer alvorens mijn moeder haar mantelpakje vond.

het achterland het uitzicht

Strijkend langs de kleine groene blaadjes van mijn kruidentuin,
op zoek naar de gaten makende, gulzige onverlaat, houd

ik alleen de geur aan mijn vingers over en daarmee de herinnering
aan mijn mamma die op haar knieën in het groentebed lag,

haar klompjes onder haar rokken geschoven, en met het schilmesje
de ingrediënten afsneed voor de soep of de

gevulde vleestomaten die uit elkaar spatten in de oven alvorens ze
op ons bord kwamen, en ik huil zomaar omdat

naast deze heerlijkheden al het andere meekomt: zomers die in
de achtertuin gevierd werden, ver uit het zicht van

de dorpsbewoners, beesten die hun warmte aan ons afstonden en
met de bek in onze hand meeliepen, een vader die –

ach, alles was daar nog, en ik zelf, ik zelf, en het land onbegrensd
en voor altijd van ons, licht wuivend en geurend.

een inventaris van de levende

De open ruimte is zichtbaar vanaf de zijweg, de
kale tuin loopt nu zomaar over de stoep, weg

zijn alle bloemen die ik op mijn fiets vervoerde,
struiken die in de fietsmand mijn zicht

belemmerden, zakgeld dat verdween in de aarde,
voorbij ook het geknaag van de beesten en

het schuilen dat ik beschreef. De grond van mijn
voorvaderen is omgeploegd en van haar

wortels ontdaan zoals ik verweesd ben geraakt,
een afvallige van mijn geloof, ik kijk zelfs

niet of de haan nog op de kerktoren staat. Het
huis een vierkant blok in een

vierkant veld waar geen kind meer speelt, geen
moeder zich bukt, geen vogel hurkt.

nog een bezoekje

Het is opvallend hoeveel oninteressante mensen er in
één kamer passen terwijl zij in haar eentje

naast mijn bed staat in een droom waarin ik omgekeerd
in mijn ouderwets bed lig, de gehaakte sprei

op de grond gevallen, de kastanjetakken tikkend tegen
het venster, de deur met het ruitje op

een kier. Mijn jongste zoon staat volwassen op de gang
met een sigaar in zijn mond, hij heeft haar

duidelijk binnengelaten, en ik ben zo klein als toen. En
terwijl niemand in die ene kamer iets zei, babbelt

zij de oren van mijn hoofd terwijl ze daar blijft staan.
Ik moet dit onthouden, dacht ik en

opstaan maar terwijl ik dat deed, plotseling in gesprek
met honderd tegelijk, proefde ik de sigarenrook.

Het was zo’n heel dikke sigaar en de kleine kon rondjes
blazen met getuite lippen.

de cirkels steeds wijder

Even ben ik terug in de koele keuken van het ouderlijk
huis waar mijn wangen tegen de tegeltjes rustten,

mijn handen gevouwen in mijn schoot, mijn ogen stijf
dicht, schimmen om me heen die de staat van

God door de ramen heen verklaarden, mijn vader die altijd
beweerde dat de bui reeds overgetrokken was

en mijn mamma die steevast telde en de maan ontwaarde
en ook als toen is de genade de vrede en stilte

achteraf, het ruisen van regen door de opengezette deur,
de geur van nieuwe zomers en herstel, de

zucht van hem, een boterham of alleen de kaas, en haar
theorieën of hoe luchten weer helder werden, leeg

totdat er opnieuw iets was dat ik verkeerd deed en waar
ik voor gestraft zou moeten, zo wist ik zeker.

per ongeluk met natte vinger

Zomaar is de avondlucht, dampend en kil, dezelfde die om
het oude huis hing waar ik deuren nog moest

afsluiten, in alle dromen hangen ze los in hun sponningen,
en waar je met toegeknepen ogen in het veld

rondom altijd ongewenste indringers ziet lopen, de was van
je moeder ziet wapperen, hem ziet als laatste

bezoeker en zomaar ook mijn hart vol tranen. Zo traag als
ik wegfiets, de treinen leeggestroomd, zo

snel neemt de heimwee bezit van me, benen zwaar en banden
bijna leeg. O om dat alles mee te kunnen nemen,

hen bij de hand, en van het ene land naar het andere te kunnen
gaan en door de flarden mist voorgoed de

contouren te herkennen van je eigen thuis, niemand onwelkom
en deuren altijd open, hij als eerste bewoner.

een kind liet een fietsje liggen

Er zijn auto’s in het weiland, snelle bestuurders die met
raampjes open langs het riet stuiven, als

eerste bij het duin willen zijn, het appelgebak met slagroom,
de winderige attractie: de zee terwijl deze

fietser voortdurend afstapt, de verten neemt, de paarden
dichterbij haalt, gretiger dan anders.

Op de verzamelplek van kunst en schetterende mensen in
op elkaar afgestemde kleuren, grijs veelal,

neemt zij de tegengestelde route en het weerkaatste licht.
een bezoeker zet zijn zonnebril op om haar

te herkennen, de mooiste beelden komen echter van buiten:
de bomen wachten, er zijn rode wangen, losse

jasjes, blote benen en vermoedelijk reeds druppende ijsjes
in jengelende handen, kleverige neusjes.

aangevuld met alles van haar

Komen er eerst nog rozen uit de kopieermachine, droge
harde die knappen bij het vallen op het bureau,

later zijn het vlammen en knallen en stort het hele kantoor
in terwijl ik urenlijsten vermenigvuldig die

ieder nog invullen moet. Er zijn twee vrouwen die op de
schoot van een collega genomen worden,

er zijn een heleboel nieuwkomers die nog ingewerkt moeten
en mijn vader bezwijkt op straat waar mijn

moeder zich weer vreselijk aan ergert. Het zijn allemaal
fragmenten van een vorig werkend leven,

de opwinding hoe uren vol te maken en te verantwoorden
en een grote mate van collegialiteit blijkbaar, plus

een licht gemis aan mijn kibbelende ouders, terwijl de
buren op straat wijzen naar het verkoolde restant.

onderaan een brief staat een weerzien

Dat het ruikt naar vroeger maar wat is dat vroeger dan, dat
je een restje gebak snoept als ontbijt omdat je

eens de keldertrap afsloop en met je vinger langs de rand
en vol slagroom nog even de dag uitstelde, dat

elke maandag een nieuw begin vormde (en dan ook: van
wat) omdat je in de harde kerkenbanken om

vergeving vroeg (en dan ook: voor wat), dat je het pad langs
het huis nam en een hekel had aan het natte gras dat

tussen broekspijp en sok kroop, dat je beesten vermoedde die
naar boven zouden kruipen, dat je langzaam ook,

veel langzamer dan later, het dorp uitliep, dat er stilte bij
hoorde, later kwam de bui, later kwam alles

en dat je nu dan, wakker van de afwezigheid, door de open
deur hetzelfde ruikt als toen, met kruimels aan je handen.

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑