Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: het dorp (page 1 of 13)

met opengedraaide ramen

Als een nieuwsgierig kind komt hij heel dicht naar de lens en
kijkt, bijna scheel, mijn wereld in. Hij trekt haar

met zich mee en grijnst. Ik kan sproetjes tellen en zien hoe haar
wenkbrauwen smalle getekende streepjes zijn,

haar lippen bijgevuld zijn en getuit voor een oranje kleur die
het gezicht geel maakt. Bij hem ook. Er is iets

ondefinieerbaars veranderd en het duurt lang alvorens ik hem
terugvind, ik neig een stapje achteruit te doen,

een terras in de zon, het centrum van Z., weinig verkeer, een
blaffende hond, waarschijnlijk staat haar

gelaarsde voet op een riem van een klein opgewonden harig
accessoire, ligt er een peuter te slapen in

een hete auto op het dorpsplein, is ze vergeten de ramen open
te draaien, heeft ze hem dat allemaal niet verteld.

mijn planning

In de vier wanden van haar bestaan kleven de haren aan de
vloerdelen, wuiven de jurken haar na, kraken

de ramen en piepen de deuren, de zwarte vlekken zijn de
bomen die tegen het glas tikken, schaduwen

van dromen, een verre sirene. Ondergedoken in lichte lakens
met zwaar de warmte op haar drukkend

zoals hij dat doet, een jengelend kind dat een ijsje laat vallen
vraagt om meer. Met een kalme hand zou

je de muren opzij willen duwen of het hele dak willen optillen
als bij een maquette die je afgekeurd hebt en

waaraan je nog wat wilt werken, het stof blaas je tezelfdertijd
uit de hoeken. Als alles omvalt is er nog

het weiland, een strootje in je mond, grenzeloze verte boven
je, hij speelt in de sloot en vangt kikkervisjes.

de werkelijkheid is de bladzijde

Bij het opstaan zijn mijn knokkels zwart alsof ik nu al typend
door grafiet ben gerold, een ambachtsman die tussen

rook en zware geluiden zijn dag begint. Ik veeg mijn handen
aan elkaar af en verzin het gruis. Zo

liggen er bij hem op tafel oorbellen terwijl er geen vrouw was,
niemand die bewijzen moest dat ze de eerste was

van die dag, en raad ik hem goed te zoeken onder de bank, er
zal een lijk liggen misschien. Het kofferdeksel

van de groene Citroen is ondertussen onvindbaar terwijl het
zojuist nog aan de auto hing, open voor

vertrek en vakantiebestemming, een iets te jeugdige bestuurder
kruipt voor me over de route. In een droom

trok er een optocht voorbij het huis en frituurde ik vellen deeg,
wachtend tot ik zwaaien kon naar een bekende.

we gunnen haar ook wat

De enige verte hier zit in de lucht, net voorbij de kastanjebomen
die versierd met pilaren zwaar in elkaar vallen,

het kruispunt van straten en de vieze rode daken en op sommige
ochtenden, zoals deze vandaag, alleen in

de opgevulde driehoekjes met grijs, een ondoorzichtige zwaarte.
Was het een kindertekening geweest of een

droedel langs de kantlijn, dan was er een zon toegevoegd, stralen
tot op de grond, een bliksemflits wellicht en zeker

een konijn in het gras, een familie in een auto, een omgekeerde
vuilnisbak en ganzen dwars over de weg of

dat alles door elkaar, de tekenhand is gul met haar verzinsels. Daar
lag het uitzicht tussen de wortels van

de bomen, krioelende beesten met de buit van de dag, druppende
struiken en bladeren die bogen, de tuin groter dan ooit.

noodzakelijk

De angst is zo groot als het pad lang is, over het hek, langs de
velden, dwars door de bomenrij. Als er honden

los zijn, wacht men. Er fluiten mensen. Bij het oversteken de
handen in de zakken, de kilte van de gebouwen,

eenmaal binnen strepen over de gangen, wie die niet volgt is
af, iedereen komt ergens. Ook daar bang voor

te zijn. Kleuren van de stoelen bedrieglijk vriendelijk, meisjes
met zangstemmen, mannen met gezag, optelsommen

van cijfers die duizelingwekkend hoog worden, altijd iemand
in slaap, achtergebleven en alleen. Dezelfde

weg terug. Het pad leeg, bij het passeren van de hekken de paarden
zien staan, treurig veraf, een huppeltje bij

de hoeken van het weiland, tussen de vingers een overgebleven
restje vrees, stappen tellend tot de bestemming.

tijd

“Er zijn ogenblikken waarop ik, voor dit papier zittend, alleen nog maar merken kan dat ik nooit het wezenlikste zal opschrijven, omdat het te dichtbij en te levend is.”

E. du Perron

ondertussen

Vaak was het een combinatie die mijn mamma maakte: een
zachtgeel of lichtblauw, een jasje bij een rokje, een vestje
bij een heel licht kriebelend truitje, het was

het feest waarbij in de deuropening een narcis werd uitgereikt
naast de warme hand van de voorganger of de, ook gele, plak
cake van de bakker op de hoek die blijkbaar bezorgde

in het bijgebouw naast de kerk waar plots alle kinderen in het
nieuw gestoken waren en de ouders van een zeldzame vrolijkheid
getuigden en stemmen, door elkaar, een

heel nieuw seizoen aankondigden. Dit was de overgang naar
een beter leven, een hernieuwd leven, een leven sowieso en
Hij had dat ons bezorgd en de zon, ook geel,

was getuige zoals al die geknakte bloemen, vochtig geworden
in de hand. Ze kwamen in een lege melkfles, net met hun kopjes
boven de hals en stonden nog drie dagen in de keuken.

een brief uit de toekomst

Misschien is het een droom. Zo een waarbij je met een flits en
knal ontwaakt, verbijsterd om dat wat je achterlaat en

dat wat je aantreft, het bed wanordelijk zonder een tastbare
bezoeker, deuren klepperend open, de geur

van vers gezette koffie zonder een spoor van broodkruimels op
de tafel, je eet trouwens geen brood op dat tijdstip.

Er was een zoektocht waarbij je uiteindelijk op de hoek van een
straat een grote man de hand schudde alsof je

na jaren op familiebezoek ging bij de boeren in je moeders land,
handen die gemolken hadden waren extra stevig.

Er was een reuze baby die je op een aanrecht legde, strijkend
over zijn blijkbaar pijnlijke buik, hij huilde.

Er was het zeker weten wat je ging doen als je groter was, dat ook
maar nogmaals, misschien was dat alleen in je slaap.

kwijtgeraakt

Van deze dagen zou ze zeggen dat ze wel kon huilen omdat de
streperige ramen haar uitzicht beperkten, de bomen

zwaar en zwart de planten het groeien belemmerden en haar als
lijfwachten tegenhielden van het erf te gaan,

de klei zompig aan haar hakken bleef hangen en er niets te halen
viel dan de broodkruimels die ze voor een ander

uitstrooide bij de deur, dat niemand daaraan dacht en ze bedoelde:
aan haar. Ze zweeg soms ook gewoon aan de

andere kant van de lijn alsof alleen haar ademstoot door de hoorn
voldoende was om het lijden te melden. Bij sneeuw

was het een ansichtkaartje dat ze weliswaar vrolijk kon rondsturen
maar dezelfde gevangenschap inhield, altijd was het pad

naar de bewoonde wereld onbegaanbaar terwijl ze niet eens weg
wilde, niet echt, maar een onbeperkte vrijheid miste.

zijn opsomming werd steeds luider

Onderweg de velden, kale akkers nog waarover een zilveren
laagje, een waas van vroegte en regen, een molen

in de verte, de rij knotwilgen langs de sloot, automobilisten
bij het stoplicht, scholieren met jassen los die

moeiteloos inhalen, geen gesprek verliezen, zich omdraaien
naar elkaar, terwijl dat

voorovergebogen figuurtje met de ogen toegeknepen foto’s
maakt en uitgeputte bewegingen, slingerend.

Dan de eerste rotonde, de tweede, afslaan naar rechts, oversteken,
een stukje lopen, zwarte hopen daar in het land,

vogels erboven, het hek open, een zwaaiende hand, bekers met
koffie. Het nieuwe schilderij aan zijn wand een

samenvatting van alles dat ik langs de weg trof maar met licht
nu, stroperig geel en dunne schaduwlijnen.

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑