Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: het dorp (pagina 1 van 12)

alleen op hoogtijdagen

Een van die herinneringen is het opeen gepropt in de Volvo
over een beijzelde weg naar de stad rijden, nacht,

sterren aan de hemel, achter ons een pesterig vriendje dat
probeerde in te halen maar niet deed, mijn

vader nonchalant maar rustig, mijn moeder met gilletjes en
op haar zondags gekleed terwijl wij een lange

broek aan mochten omdat het vroor en de Grote Kerk zou
tochten, zij had haar bontjasje net over haar

billen hangen en haar pumps schraapten over de graven, en
dan de mensen in het heilig ruim waartussen

hinderlijk vaak net die ene klasgenoot op wie ik het hele jaar
in stilte verliefd was, de kaarsen walmden en

dropen en als altijd bezorgde de samenzang niet getoonde
tranen en ergernis, het wachten was op het Amen.

door de opening

Op een gegeven moment is de tijd op. Er verschijnt een in
zijn handen klappende meester op de stoep van

het grijze schoolgebouw en je propt je in de keurige lijn
die zich op het plein vormt en loopt naar

binnen. Zijn handen raken je in het voorbijgaan niet aan.
Gelukkig mag je weer iets leren, hoef je niet

met benen wijd knikkers op te vangen, voorovergebogen
handen in je rug te voelen en op je beurt te

springen, gelukkig hoef je niet nogmaals het slingerend
touw te ontwijken, achter die deur is het altijd

veiliger voor jou. Toch zou je nu de steeg in willen schieten,
achterop de fiets bij de grootste pestkop desnoods,

gaten willen vallen in je knieën om alleen maar te ontkomen
aan die markering in dat stukje tijd.

alleen een verzinsel

Er stond een witte fiets in de voortuin van het vorige huis,
onbeheerd, modern en simpel en pas toen

ik fietsen ging, merkte ik de stang tussen mijn benen. Ook
ik liet hem onbeheerd achter tot iemand me zei

dat dit de fiets van mijn vader was, dat hij met opzet daar
had gestaan en dat het een teken was dat ik

hem moest vinden, zoeken had ik niet eerder gedaan. Ik
wilde zeggen dat ik toch allang een vader had

gehad en hoe het dan met mijn moeder zat maar ik kocht
een ketting en legde het ding vast. De tuin

overigens veranderd in een fietsenstalling alsof het een
schoolplein was en iedereen met tegenzin

naar school, stiekem rokend en het verkeerde vriendje
knuffelend, de struiken uiteen geduwd.

en toen deed ik dit

De akkers werden leeggeroofd door ijverige, voorover
bukkende kinderen die tegen een volle krat

een vuistvol kleingeld kregen waarvan de helft in de metalen
spaarpot verdween en de andere op de toonbank

van de kleine kruidenier in het dorp die toverballen, slierten
drop en kauwgum met filmsterren verleidelijk

presenteerde. Er was een jongen met de achternaam van een
bekende dichter terwijl de poëzie zoek was of

alleen een verzinsel van mij terwijl ik de horizon afliep en
zijn spierwitte haar zocht, hem riep hoeveel

ik al verzameld had en hij recht overeind ging staan en altijd
meer had en ook eerder voor die kassa stond.

Maar hij wachtte, ruilde de beroemdheden, rode wangen die
rijmden op het verlaten van het dorp, eens.

alleen ik

Opdat niemand verdwijnt, liggen we lijf in lijf. Opdat niemand
valt, liggen we wang tegen wang. Om niet

verloren te zijn, houden we elkaars hand. Soms controleren we
de ogen: staan ze wijd open, dan zijn we bang als

een kind, er schuilt iets in het donker dat ons verslindt, zijn ze
gesloten, dan dromen we ons veilig. Vannacht

was mijn jonge ik, getooid met het paarsblauwe haar uit een
opstandige periode, veranderd in mijn moeder

maar haar kon ik rustig laten liggen. Gisteren was het lijf een
uiteengereten versie van mijn dochter terwijl

haar kinderen zachtjes zwaaiden voor het raam van mijn huis
in het dorp dat ooit langer dan een lint zich

kronkelde onder onze voeten. Blijkbaar hield iemand me even
niet zo goed vast, mijn beide handen los, mijn wang koud.

een dansje wellicht

Dit keer is het een lief die met een Amerikaanse slee vanachter
mijn ouderlijk huis de tuin rondrijdt, het hek uit zonder

te groeten, op de lege plaatsen achterin allerlei apparatuur om
het gezin te vereeuwigen, iets dat mijn moeder

voordien deed, wij spelend in het grasveld, haar ring aan een tak,
een boomstronk, in de kelk van een bloem, een

handstand lukte nog net niet, er is een plooirokje dat over mijn
gezicht valt. Terwijl ik nog iets wil zeggen tegen

de man, passeert hij zonder te kijken en ik weet zeker dat de klus
nog niet gedaan is, ik herinner me niets van

poses en posities en zeker deed hij niets leuks met sieraden en
de natuur. Ik ben zo beledigd dat ik zelfs geen

huppeltje heb mogen doen dat ik wakker van plan ben dit meteen
te melden maar eerder aan mijn mamma dan aan hem.

in de kast

Pratend over ze zie ik hoe ze aan tafel schuiven alsof ze
niet al jaren geleden verdwenen. Zij heeft

rode wangen en een koud neusje, hij schuilt diep in zijn
kraag, verbaasd alsof we hem bevrijd hebben

zonder dat hij riep of klaagde over de omstandigheden.
Ze praten mee, proeven iets, gaan daarna weer,

we zien hen op de rug na en al zouden we willen, niets
haalt hen voorgoed terug, het lukt zelfs niet

te vragen om meer, vaker, langer. Het gesprek duurt een
jaar, op een afgesproken tijd komen we erin

terug, tot zo lang zijn het flarden die als mist boven het
weiland hangen. Hij drijft de beesten in de stal,

zij hangt ondanks alles de was buiten, wij durven bijna
niet van het erf af, er drijft een vlieg in de melk.

mezelf misschien

Omdat ik mijn vader heb horen gillen door het dunne behang,
de ramen klepperend door te tochtstroom, de takken

van de kastanjes roffelend het spookbeeld vergezellend, de
nacht het inktzwarte duister dat boven de velden

bleef hangen, mag ik zelf schreeuwen, mijn schoenen door
de kamer werpen, de bijbel vanonder het

kussen verliezen, de greep op hun handen met een botte bijl
doorklieven, de lakens bevuilen, het kind

kwijtraken. In de beklemmende stilte daarna vonden we alles
terug, hij kauwde traag zijn ontbijt, de kopjes

thee lauw maar recht in hun schoteltje, de gordijnen open, de
deur van het slot, de route langs het water van

hetzelfde aantal kilometers, wind tegen. Het duurde alleen wat
langer alvorens mijn moeder haar mantelpakje vond.

het achterland het uitzicht

Strijkend langs de kleine groene blaadjes van mijn kruidentuin,
op zoek naar de gaten makende, gulzige onverlaat, houd

ik alleen de geur aan mijn vingers over en daarmee de herinnering
aan mijn mamma die op haar knieën in het groentebed lag,

haar klompjes onder haar rokken geschoven, en met het schilmesje
de ingrediënten afsneed voor de soep of de

gevulde vleestomaten die uit elkaar spatten in de oven alvorens ze
op ons bord kwamen, en ik huil zomaar omdat

naast deze heerlijkheden al het andere meekomt: zomers die in
de achtertuin gevierd werden, ver uit het zicht van

de dorpsbewoners, beesten die hun warmte aan ons afstonden en
met de bek in onze hand meeliepen, een vader die –

ach, alles was daar nog, en ik zelf, ik zelf, en het land onbegrensd
en voor altijd van ons, licht wuivend en geurend.

een inventaris van de levende

De open ruimte is zichtbaar vanaf de zijweg, de
kale tuin loopt nu zomaar over de stoep, weg

zijn alle bloemen die ik op mijn fiets vervoerde,
struiken die in de fietsmand mijn zicht

belemmerden, zakgeld dat verdween in de aarde,
voorbij ook het geknaag van de beesten en

het schuilen dat ik beschreef. De grond van mijn
voorvaderen is omgeploegd en van haar

wortels ontdaan zoals ik verweesd ben geraakt,
een afvallige van mijn geloof, ik kijk zelfs

niet of de haan nog op de kerktoren staat. Het
huis een vierkant blok in een

vierkant veld waar geen kind meer speelt, geen
moeder zich bukt, geen vogel hurkt.

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑