Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: het dorp (pagina 1 van 11)

nog een bezoekje

Het is opvallend hoeveel oninteressante mensen er in
één kamer passen terwijl zij in haar eentje

naast mijn bed staat in een droom waarin ik omgekeerd
in mijn ouderwets bed lig, de gehaakte sprei

op de grond gevallen, de kastanjetakken tikkend tegen
het venster, de deur met het ruitje op

een kier. Mijn jongste zoon staat volwassen op de gang
met een sigaar in zijn mond, hij heeft haar

duidelijk binnengelaten, en ik ben zo klein als toen. En
terwijl niemand in die ene kamer iets zei, babbelt

zij de oren van mijn hoofd terwijl ze daar blijft staan.
Ik moet dit onthouden, dacht ik en

opstaan maar terwijl ik dat deed, plotseling in gesprek
met honderd tegelijk, proefde ik de sigarenrook.

Het was zo’n heel dikke sigaar en de kleine kon rondjes
blazen met getuite lippen.

de cirkels steeds wijder

Even ben ik terug in de koele keuken van het ouderlijk
huis waar mijn wangen tegen de tegeltjes rustten,

mijn handen gevouwen in mijn schoot, mijn ogen stijf
dicht, schimmen om me heen die de staat van

God door de ramen heen verklaarden, mijn vader die altijd
beweerde dat de bui reeds overgetrokken was

en mijn mamma die steevast telde en de maan ontwaarde
en ook als toen is de genade de vrede en stilte

achteraf, het ruisen van regen door de opengezette deur,
de geur van nieuwe zomers en herstel, de

zucht van hem, een boterham of alleen de kaas, en haar
theorieën of hoe luchten weer helder werden, leeg

totdat er opnieuw iets was dat ik verkeerd deed en waar
ik voor gestraft zou moeten, zo wist ik zeker.

per ongeluk met natte vinger

Zomaar is de avondlucht, dampend en kil, dezelfde die om
het oude huis hing waar ik deuren nog moest

afsluiten, in alle dromen hangen ze los in hun sponningen,
en waar je met toegeknepen ogen in het veld

rondom altijd ongewenste indringers ziet lopen, de was van
je moeder ziet wapperen, hem ziet als laatste

bezoeker en zomaar ook mijn hart vol tranen. Zo traag als
ik wegfiets, de treinen leeggestroomd, zo

snel neemt de heimwee bezit van me, benen zwaar en banden
bijna leeg. O om dat alles mee te kunnen nemen,

hen bij de hand, en van het ene land naar het andere te kunnen
gaan en door de flarden mist voorgoed de

contouren te herkennen van je eigen thuis, niemand onwelkom
en deuren altijd open, hij als eerste bewoner.

een kind liet een fietsje liggen

Er zijn auto’s in het weiland, snelle bestuurders die met
raampjes open langs het riet stuiven, als

eerste bij het duin willen zijn, het appelgebak met slagroom,
de winderige attractie: de zee terwijl deze

fietser voortdurend afstapt, de verten neemt, de paarden
dichterbij haalt, gretiger dan anders.

Op de verzamelplek van kunst en schetterende mensen in
op elkaar afgestemde kleuren, grijs veelal,

neemt zij de tegengestelde route en het weerkaatste licht.
een bezoeker zet zijn zonnebril op om haar

te herkennen, de mooiste beelden komen echter van buiten:
de bomen wachten, er zijn rode wangen, losse

jasjes, blote benen en vermoedelijk reeds druppende ijsjes
in jengelende handen, kleverige neusjes.

aangevuld met alles van haar

Komen er eerst nog rozen uit de kopieermachine, droge
harde die knappen bij het vallen op het bureau,

later zijn het vlammen en knallen en stort het hele kantoor
in terwijl ik urenlijsten vermenigvuldig die

ieder nog invullen moet. Er zijn twee vrouwen die op de
schoot van een collega genomen worden,

er zijn een heleboel nieuwkomers die nog ingewerkt moeten
en mijn vader bezwijkt op straat waar mijn

moeder zich weer vreselijk aan ergert. Het zijn allemaal
fragmenten van een vorig werkend leven,

de opwinding hoe uren vol te maken en te verantwoorden
en een grote mate van collegialiteit blijkbaar, plus

een licht gemis aan mijn kibbelende ouders, terwijl de
buren op straat wijzen naar het verkoolde restant.

onderaan een brief staat een weerzien

Dat het ruikt naar vroeger maar wat is dat vroeger dan, dat
je een restje gebak snoept als ontbijt omdat je

eens de keldertrap afsloop en met je vinger langs de rand
en vol slagroom nog even de dag uitstelde, dat

elke maandag een nieuw begin vormde (en dan ook: van
wat) omdat je in de harde kerkenbanken om

vergeving vroeg (en dan ook: voor wat), dat je het pad langs
het huis nam en een hekel had aan het natte gras dat

tussen broekspijp en sok kroop, dat je beesten vermoedde die
naar boven zouden kruipen, dat je langzaam ook,

veel langzamer dan later, het dorp uitliep, dat er stilte bij
hoorde, later kwam de bui, later kwam alles

en dat je nu dan, wakker van de afwezigheid, door de open
deur hetzelfde ruikt als toen, met kruimels aan je handen.

het uitzicht bewaren

Ik zag haar fietsen als een ooievaar op hoge poten, de
vriendin van mijn vader. Ik herkende de

manier waarop ze fietste, met lelijke kuiten in een te
korte rok en te modieuze laarzen. Pas

toen ze naar de zijkant keek, herkende ik haar gezicht.
Daarna zag ik de uitgroei van haar haar, bruin

en grijs te midden van rood en de oude, veel kleinere,
figuur naast haar. Ik vroeg me af hoe

oud zij was en ik vergat hoe oud ik zelf was, ik ging
tellen. Even zinspeelde ik erop het

mijn moeder te vragen maar ik deed niet. Ik noteerde
het in mijn dagboek zoals ik

elke keer dat ik haar min of meer ontwaarde, het lijf
van mijn vader van me wegduwde.

altijd links van me

Voor het ‘verloren lopen’ of ‘uit de tijd vallen’ zoals de auteur
dat noemt voor verdwalen of

sterven, moeten we toch met dezelfde eenvoud en helderheid
ons leven hebben kunnen beschrijven, de

opdracht wordt steeds duidelijker zoals de noodzaak zich steeds
vaker aandient maar ook het uitstel, het

schuifelen over het ingezaaide grasland, het volgen van de vogels
die laag over scheren en vanuit de geulen het

zaad oppikken, het turen in de verte waar de katten roven en met
de buit thuis zullen komen, nog even de

damp boven het land die de dorpen van elkaar scheidt, de torens
van de kerken eenzaam, scheephoorns tegen

de haven. Er moet altijd een oever zijn, schrijft hij, altijd een
overkant zichtbaar, anders blijf ik nergens.

(naar aanleiding van het werk van Rinus Spruit)

een scheef geschreven tekst

Daar was het een aarzelende streep tussen gordijn en
de wereld buiten, een bezoeker die zich

aankondigde door bukkend onder de lage takken met
fietsbanden traag tikkend in het gat te

verdwijnen, druppels in de hals, een langzaam omhoog
trekken van het doek dat alles dan onthulde

op het moment dat het dag werd. Hier verzamelt men
zich boos op straat, stemmen gooien zich

hoog tegen de kerstballen in het trappenhuis, niemand
bukt, alles is meteen duidelijk en ook

al is het gat hetzelfde zwart als daar, de kennismaking
is bruter, de randen rafeliger, de ochtend

viezer en het is niet een bepaald moment dat het leven
begint, het is de herhaling van alles daarvoor.

een schroefje

 

Bij terugkeer naar het dorp dacht ik aan ronde cirkels en
opdrachten als levensgeschiedenis, kruipen

op klompjes of de knieën op bevroren aarde van toen en
het bijzetten van familieleden, gebeurtenissen

en ervaring, niet aan halverwege omdraaien met een hekel
aan nicht C. of mezelf, de beperkte draai op

het kruispunt of het langzame handgebaar waarmee men
begroette of ging, ik hoopte eigenlijk op

voor altijd blijven en toch stegen we, met de overblijvers
op de rug en zonder te klimmen, halverwege

de blauwe lucht, tot deze takkenbos vol krijsende vogels
die kukelend en duwend elkaar het

leven bevochten en het voedsel misgunden en hadden we
het alsnog over voltooiing en zin, tot slot, en honger.

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑