Bij de steegdeur staat hij en neemt zijn hoed af zoals mijn moeder nog
op haar fiets zit en hem tegen de muur parkeert, liefdes
die alleen in dromen mij nog bezoeken en waarvan niet zeker meer is
hoe hun stem klinkt, alleen het ruwe uit hun handpalmen
is nog bekend, een vage geur uit hun hals, een glimlachje. Ze moeten
mijn kleinzonen nog ontmoeten, mijn nieuwe woorden,
de boomhut in deze stad, mijn langere haren, mijn twijfels, binnenkomen
eerst. Zij heeft het liefst een lepel slagroom op haar
espresso, een puntje wit op haar neus, hij drinkt het lauw en vergeet te
roeren, de kopjes even klein als toen maar zonder
gouden randjes of donkerrode bloemen, koekjes apart in een schaal. En
hier is niet eens een steeg. De achterdeur hoort bij
het waterhuis, het atelier, hoe hebben ze mij gevonden en tussen ons lopen
gangen met deuren die altijd openstaan, blijven ze daar staan?
Reacties door alja
vaak ongewild
dank Frank
het verkeerde perkje
bij alles dat W. vertelt, zegt hij 'maak daar maar ...
hoe lief tegelijkertijd
dank Leonore
de 2e column voor de site van Pom Wolff
Hij is er nog, speelt piano en leest! Dank voor ...
mijn veiligheid
ik houd in alle opzichten meer van het suggestieve, x