Bij de steegdeur staat hij en neemt zijn hoed af zoals mijn moeder nog
op haar fiets zit en hem tegen de muur parkeert, liefdes

die alleen in dromen mij nog bezoeken en waarvan niet zeker meer is
hoe hun stem klinkt, alleen het ruwe uit hun handpalmen

is nog bekend, een vage geur uit hun hals, een glimlachje. Ze moeten
mijn kleinzonen nog ontmoeten, mijn nieuwe woorden,

de boomhut in deze stad, mijn langere haren, mijn twijfels, binnenkomen
eerst. Zij heeft het liefst een lepel slagroom op haar

espresso, een puntje wit op haar neus, hij drinkt het lauw en vergeet te
roeren, de kopjes even klein als toen maar zonder

gouden randjes of donkerrode bloemen, koekjes apart in een schaal. En
hier is niet eens een steeg. De achterdeur hoort bij

het waterhuis, het atelier, hoe hebben ze mij gevonden en tussen ons lopen
gangen met deuren die altijd openstaan, blijven ze daar staan?