Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: de stad (page 1 of 18)

we gunnen haar ook wat

De enige verte hier zit in de lucht, net voorbij de kastanjebomen
die versierd met pilaren zwaar in elkaar vallen,

het kruispunt van straten en de vieze rode daken en op sommige
ochtenden, zoals deze vandaag, alleen in

de opgevulde driehoekjes met grijs, een ondoorzichtige zwaarte.
Was het een kindertekening geweest of een

droedel langs de kantlijn, dan was er een zon toegevoegd, stralen
tot op de grond, een bliksemflits wellicht en zeker

een konijn in het gras, een familie in een auto, een omgekeerde
vuilnisbak en ganzen dwars over de weg of

dat alles door elkaar, de tekenhand is gul met haar verzinsels. Daar
lag het uitzicht tussen de wortels van

de bomen, krioelende beesten met de buit van de dag, druppende
struiken en bladeren die bogen, de tuin groter dan ooit.

noodzakelijk

De angst is zo groot als het pad lang is, over het hek, langs de
velden, dwars door de bomenrij. Als er honden

los zijn, wacht men. Er fluiten mensen. Bij het oversteken de
handen in de zakken, de kilte van de gebouwen,

eenmaal binnen strepen over de gangen, wie die niet volgt is
af, iedereen komt ergens. Ook daar bang voor

te zijn. Kleuren van de stoelen bedrieglijk vriendelijk, meisjes
met zangstemmen, mannen met gezag, optelsommen

van cijfers die duizelingwekkend hoog worden, altijd iemand
in slaap, achtergebleven en alleen. Dezelfde

weg terug. Het pad leeg, bij het passeren van de hekken de paarden
zien staan, treurig veraf, een huppeltje bij

de hoeken van het weiland, tussen de vingers een overgebleven
restje vrees, stappen tellend tot de bestemming.

de achterdeur

Overgebleven is een herinnering: steun zoekend tussen de
duizenden op het plein is er geen hand nodig maar de balans
tussen het ene lijf en het andere, zacht

zwiepend van links naar rechts en voor en achter, niet kunnen
zien wat er vooraan gebeurt maar een golfje voelen dat daar
begint en dan langzaam naar achteren schuift,

een knikje van een hoofd, een knieval voor een ander, keurig
opgevangen in het leger van mensen dat ongeordend toch in
het gelid staat en afwacht tot de bazuinen klinken.

Een ijle stem gaat een gil vooraf, iets op rijm weerkaatst een
in haast geroepen verdriet, als plotselinge regenval de handen
boven het hoofd, wiegend bijna en voor even

een geheel, dan weer uit elkaar vallend in de straten rondom,
geef ons twee minuten en we zijn weer weg, niet geroken geur
van bloemen, niet geroken lucht van dood maar

onrust en haast en thuis willen komen en de deur open vinden
en naar binnen rennen en onder de tafel willen schuilen en
niet meer voelen dan dat ene gedeelde moment.

 

Amsterdam, 4 mei 2012

tot honderd zelfs

Alles heeft zijn vaste plek. De boom tikt net tegen het randje
van het raam, het stukje lucht is bijna even groot

als gisteren, de ruimte in mij teruggebracht tot het ene hart,
de wapperarmen, de stoffige knieën, het haar

torende boven de weke hals, buigend veelal, de geluiden tot
nul gereduceerd. O er is een tikkende wasmachine,

een bonkend apparaat dat aftelt tot het einde, een auto met
startproblemen geparkeerd onder de kast, twee

drie filmpjes op het kleine scherm waarin hoge stemmetjes de
holle ruimtes vullen. Terwijl hier gezocht wordt

naar tekenen van verblijf, ontstaat daar een nieuwe orde. Het
stukje lucht is bijna even groot als

de afstand tussen hand en aanraken. Glijdend naar rechts zijn
schaterlach, zwaaiend naar links de mijne.

 

 

niets sist

Nu we niet langer tegenover het park wonen waar in het water
de restanten van een koning of zijn feest, onder de

bomen zijn onderdanen of toevallige passanten, boven het platte
gras de wolkjes rook van te hard gestookte vuren waarin

worstjes uit hun vel springen en marshmallows zachte puddingen
worden en we geen begerenswaardige buurmannen

ontdekken die de rest van het jaar schuil bleven achter het hoofd
van het gezin of attributen waarover we slechts

ooit droomden, plastic reuze krokodillen, cd’s met ontuchtige
handelingen (al dan niet in combinatie met het

voorgaande), hamburgertorens, tasjes van een grootmoeder, het
picknickkleed uit de auto van mijn vader, slingbacks

met dat krokodillenhuidje, is de afstand die we altijd al voelden
opeens een voldongen en toch wat jammerlijk feit.

tijd

In het stukje lucht dat overblijft tussen de volle boomtoppen
wisselt zich een zilveren vogel af met de zwarte,

terwijl de witten blijven krijsen op de besmeurde lantaarnpaal,
het licht is in de nacht blijven steken. Ook

daartussen de trotse pluimen van de bloeiende kastanje en ver
beneden de rode kerstkrans van de ene deur die

nog zichtbaar is, alsof de kijker, de lege-lucht-snoever, de
vogelteller, in verwarring gebracht moet en zich de

juiste tijd niet herinnert. Pas als er staande wordt gemeten hoeveel
ruimte er is en we de mooiste auto (een witte

Peugeot 504 met een wiel op een betonblokje) overhouden, weten
we een zomer waarop we in een rivier vaststonden,

dunne slangen schoten onder onze voeten door, bovenlijven waren
ontbloot en de hemel was onbewoond.

bloesem en boerenerf

Even te wachten maar waarop, iets dat buiten het weten om
op de stoep plaatsneemt maar nog niet naar

binnen wil, iets dat fleemt en bedelt maar nooit genoegen
neemt, dat niets dat uit de ruimte opeens bovenop

zit of misschien dat alles dat nooit volledig is, nalaat en zich
afkeert van. Uitstel. De lucht oogt vriendelijk,

dotjes van wolken, vogels onzichtbaar in uitgevouwen bomen,
verdere bewoners afwezig nog, alleen een

stationair draaiende auto drie straten verder. Voordeelaanbiedingen
bij de kassa straks, een stroom toeristen rond onze

enige attractie, een bibliotheekboek klem in de daarvoor gemaakte
gleuf, een kerkklok die teveel slaat, altijd

iemand de weg kwijt, het enige verzet de foute verwijzing naar
het juiste centrum en de gniffel daarna.

staartdelingen

Het terugfietsen deed aan vroeger denken, de straat verlaten,
de stad nog net niet helemaal donker, de geluiden

intiem, de geur van bloesem en boerenerf, een zomer die eraan
kwam, een terras waarop je nog net elkaars ogen

kon zien, het eindeloze van toen. Bijna neem ik de route naar
het oude huis en al haar bezoekers, de fiets

door de voordeur, het ene licht in de keuken of kom ik langs
de gracht en tussen de kerken waar ooit zo

hartstochtelijk werd gezoend en zomaar ben ik in de tuin van
het hofje en buk onder de struiken. Weer

is het thuiskomen het belangrijkste maar ook in de handelingen
vooraf, herken ik vroeger. Een vergadering, een

afspraak delend tegenover elkaar en tekeningen in de kantlijn
van mijn papieren, een handdruk, de koffie lauw.

voor alle partijen

In een lentegroen hokje zit een ijverig ambtenaar met zwetende
handen te vernemen wat het poëzieklimaat in zijn,

ons stadje A. is. Misschien is dat wel kenmerkend voor het stadje
en voor het gevraagde klimaat: het begin van een

nieuwe periode waarin alle mogelijkheden nog op uitkomen staan
vermits het hem en zijn partij gegeven is en het

onbekende van een toestand voor een man die beslissingen mag
nemen waar vooral cijfers de doorslag geven. Heb ik,

vraagt hij, om een onderhoud gevraagd of deed hij dat? Het was
het laatste, een datum die steeds opgeschoven werd

naar het belang van de kwestie, ook dat is typerend. De vrouw
tegenover hem is bevlogen, constateert hij, er gaat

een raampje open. ‘U bent in uw eentje? Geen bestuur, vrijwilligers
of denktank? Maar het lijkt zo professioneel!’ Het

voelt niet als een compliment, daarna doen we – ik en mezelf –
nog harder ons best. We houden van de herfst.

afgeschreven alvorens

We vullen het voor elkaar in, horen iets dat niet gezegd is en
lezen tussen de regels door, het misverstand is dat

we geloven dat we gelijk hebben, we wisten het immers altijd
al. Een droom duurt vaak nog langer, de ochtend

schudt met moeite de figuren van je af, je speelt nog een halve
dag een ontsnapping na die ternauwernood

en jammerlijk alleen voor die nacht gold, helden zijn ongewenst
in het daglicht, je hijgt alleen maar. Buiten adem

begint het echte leven. Denken dat zij hetzelfde zouden doen,
hoorbaar en opnieuw. Nog twee zinnen en je hebt

een verklaring, er was gewoon een geluid dat storend was, een
vuilnisbak die omviel tegen een gierende auto die

zestig mensen vervoerde met hoge snelheid en enorm plezier, je
had je ritje gemist, de bak tolde nog wat na.

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑