Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: de stad (page 1 of 16)

op de snoodaard na

De bomen staan eindelijk stil. De huizen aan de straat beneden
gesloten nog, vogels de enigen die uit de lucht

vallen, dwars door de lijn die het ruim verdeelt in licht- en veel
donkerder blauw. Iets aarzelt zich te noemen. Dit

is het begin van het leven, er ligt niets achter ons, er is niets
voor ons, zo herhaalde de schrijver zich wiens

werk wiebelend op mijn schoot belandde. Hijzelf zat achter me
en legde de handen om mijn keel. Dat ik het

niet zou vergeten, dat van dat niets. Behalve dat blauw is er het
wit van de meeuwen, het geel van een

duikelend koolmeesje, de kraaien blijven zwart en strijken neer
op de waslijnen, er is nog een oranje hesje dat

weg probeert te komen, een vuilniszak opengescheurd midden
op de weg, de inhoud een vergeten boodschap.

kijk haar eens wachten

Op de moedige poging tegen de laatste windvlagen in het park
te bereiken met daarin de gewenste ruimte voor kind

en verliefd paar, oudere vrouw met hoofd vol snot en gedachten,
wordt de oversteek gehinderd door een breeduit

marcherende, met rookpluimen, angstaanjagende lichtflitsen,
hinderlijke spandoeken en scanderende leuzen, groep

supporters die langs de kinderboerderij naar het stadion trekken
waar vanuit straks de massa galmt en juicht, joelt

en krijst, om na uren, begeleid door de blauwe ME-busjes en
politie te paard dezelfde weg terug te nemen, het

park inmiddels verlaten op de snoodaard na die zijn hond nu
los laat rennen, de poep laat liggen zoals de bal

die vermoedelijk in het verkeerde doel als oorzaak dient voor de
vernielingen aan de rand van haar bestaan.

 

 

dat je eerst iets moest verzinnen

Er bleef een jongetje staan in een plas vanmorgen, een regenpakje
en laarsjes en een onverzettelijkheid die zijn moeder,

verder op de hoek met een ingepakte kinderwagen, tot razernij
bracht. Ze ging hem niet halen maar schreeuwde

terwijl hij met zijn ene voet cirkeltjes trok boven het water, het
was alsof alle schatten van de zee daar lagen, hij

zag een zeepaardje en een bijzondere schelp, een kwal misschien
en een kwijtgeraakt kettinkje en droomde van reizen en

heel ver weg zijn, verder dan die hoek die zijn moeder inmiddels
verlaten had voor een volgende. Heel aarzelend

verzette hij een been en toen nog een, zij vloekte nu maar bleef
staan en reed de wagen doelloos heen en weer.

Gelukkig was er geen sleurende arm, geen kletsende hand of ander
machtsvertoon, alleen een verloren toekomstbeeld.

haar eigen stem

Op een bankje in de drukke winkelstraat ligt een vel papier op
zijn knieën en reciteert een man in geel regenpak met

rugtas tussen zijn benen ons en zichzelf de goede boodschap,
ik herhaal het als ik mijn rondes maak. Ik keek

op de keurig in blokletters geschreven melding, honderd zinnen
onder elkaar, ik passeerde hem tot

aanraken toe, dacht aan wat er in die rugtas zou zitten en of hij
kwaad kon, die man. Het regende niet meer.

Zijn opsomming werd steeds luider terwijl hij op het blad bleef
kijken, het had toch meer indruk gemaakt als

hij staande op de hoek bij de bloemenstal en de koffietent, met
armen wijd en uit zijn hoofd, stralend en

naar ons gericht, zijn waarheid declameerde, nu moest hij vooral
zichzelf overtuigen. ‘Wij zijn gered door God’,  zei hij.

een voorwaarde tot beiden

Twee, drie maanden te vroeg hurken ze in de achtertuin, laten
de rook omhoog kringelen, de kinderen omlaag, het

plastic badje nog net niet uit de schuur maar wel de ballen, het
stepje, de schoonmoeder en de wiebelende tafel.

Het vlees ligt op het aanrecht klaar en met de achterdeur open
spelen ze de barbecue na waartoe de hele buurt

uitgenodigd wordt, even die warmte lijkt op innerlijke vrede,
met zichzelf en de rest. Als hij nu maar niet

vergeet de komkommer te schillen en de lampjes na te kijken,
zij haar zangrepertoire aanpast en de hond van

drie huizen verder zich gedraagt, kan het heel gezellig worden.
De gesprekken zijn er al, verbazing over

uitbottende knoppen, geur van mest, kwaliteit van kunstgras en
de slager op de hoek en het schaatsen van vorig jaar.

onder dat rechter borstzakje  

Vanuit de kant van het lijf gezucht, gekraak en gesteun, geen
voorjaar maar laatste winterdagen of overwegingen van andere
aard, het opzeggen van een huurcontract of

schuilgaan in een andere substantie. Dat allemaal nadat een
kind meldt dat het misselijk is, liggen blijft, ledematen heeft
die pijnlijk en gezwollen zijn en nee, hij

heeft niet gedronken. Ik fiets met soep en schone lakens dwars
door een opgeluchte mensenmassa die ijsjes likkend achter
elkaar aanhuppelt en foto’s maakt van het

krokusje naast de lantaarnpaal, de poes op het hek, zichzelf en
plant een kusje op een gloeiend voorhoofd. Zijn scherm brandt
nog na, de kamer is verder donker, hij draagt

beslist sokken nog en zijn joggingbroek, zijn krullen uitgezakt,
mijn vingers haken in onwillig gedrag en droefheid, zo moe kun
je worden, zegt hij, van al die sociale contacten.

ons allen

We doen graag wat men niet doet, we hangen niet in de parken
en bedelen niet om het eerste ijs maar lezen een

heel boek in een zonovergoten boomhut, denken aan vroeger en
giechelen in onszelf. We herinneren ons

en proberen dat in het verhaal te passen dat we lezen, negeren
daarmee de klaterende stemmen buiten, het

wezen in het trappenhuis, een rij supporters midden op de weg
en te ver opengedraaide versterkers van de aan

onderhoud onderhevige open Opel Kadett, zelfs de man daarin
zien we niet. We doen niet graag wat men

zoal doet. Aan de buitenkant lijkt alles hetzelfde, ook dit raam
staat open, ook dit gordijn wappert, we

diepen een zonnebril op uit onze tas, maar van binnen zijn we
mijlen ver en van jaren her, winter 1756 misschien.

bergbeklimmen

Het is alsof binnen ook een wit laagje ligt dat dempt en versiert,
het trappenhuis glad en gevaarlijk maar voorzien van

diepe rust, kalme wanden, inspirerende kunst. De nacht was nog
diep donker en met dreunende deuren, in de

buik van dit hol een brullende motor, brekend glas, een gillend
verwijt, een belofte tot beterschap hoewel deze

vrede daar niets mee te maken heeft. Alles staat nu roerloos en
met stijve armen halverwege de lucht, ook

vogels hangen zwart in de tekening, wachtend bijna tot iemand
of iets een tikje geeft tegen dit schilderij, de

maker alsnog zich bedenkt, een hand gul en gretig verder gaat
met strooien, geluiden weer aanzwellen, mensen

de treden nemen naar beneden en zich verzamelen voor het
vervolg, voorzichtig de glasscherven oppakkend.

een innig goede vriend

Een ochtend de gordijnen open te schuiven als niemand het
nog ziet, het grote bloot onzichtbaar, het

vel nog niet wit oplichtend, ruiten nog vol regen, bomen als
staketsels van gebouwen roerloos bijna en

geluiden nog nergens en dan vanuit het bed langzaam dingen
duidelijk zien worden. Contouren in je kamers die

een voor een onthullen wat zij waren, gisteren nog, vlagen
koude lucht spelen met de attributen, een

auto zet zich bijna in beweging op de vensterbank, iets of
iemand sluipt door je vertrek, de ochtend die

steeds groter wordt. Dan af te tellen hoelang nog, misschien
tot de smalle strook licht nog net de route tekent

naar je werktafel, deze beweging achter het scherm bijna al
oplost in die van de grote wereld die ontwaakt.

de bewoner nog niet thuis

Een vrouw op straat zegt, tegen niemand in het bijzonder,
dat daardoor wel wat dingen losgekomen zijn.

Ik denk aan het bandje van mijn beha dat niet meer wil
sluiten, de opgestapelde producten in de super,

de uiteengescheurde vuilniszakken op het voetbalveldje
hiernaast en herhaal haar uitspraak zodat ik

daar iets mee kan doen. Een auto met rood-wit geblokte
racestreep passeert, meeuwen pikken nog iets

mee van mijn inhoud, een jongen heeft een ijsmuts tot
over zijn ogen. Pijn gedaan, vraagt mijn kleinzoon

bij een botsing aan al zijn autootjes, en kust ze alvorens
ze weer recht te zetten. En dat allemaal zonder

een toehoorder, iemand in het bijzonder zeg maar en met
al die losse dingen om ons heen.

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑