Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: de stad (page 1 of 15)

een innig goede vriend

Een ochtend de gordijnen open te schuiven als niemand het
nog ziet, het grote bloot onzichtbaar, het

vel nog niet wit oplichtend, ruiten nog vol regen, bomen als
staketsels van gebouwen roerloos bijna en

geluiden nog nergens en dan vanuit het bed langzaam dingen
duidelijk zien worden. Contouren in je kamers die

een voor een onthullen wat zij waren, gisteren nog, vlagen
koude lucht spelen met de attributen, een

auto zet zich bijna in beweging op de vensterbank, iets of
iemand sluipt door je vertrek, de ochtend die

steeds groter wordt. Dan af te tellen hoelang nog, misschien
tot de smalle strook licht nog net de route tekent

naar je werktafel, deze beweging achter het scherm bijna al
oplost in die van de grote wereld die ontwaakt.

de bewoner nog niet thuis

Een vrouw op straat zegt, tegen niemand in het bijzonder,
dat daardoor wel wat dingen losgekomen zijn.

Ik denk aan het bandje van mijn beha dat niet meer wil
sluiten, de opgestapelde producten in de super,

de uiteengescheurde vuilniszakken op het voetbalveldje
hiernaast en herhaal haar uitspraak zodat ik

daar iets mee kan doen. Een auto met rood-wit geblokte
racestreep passeert, meeuwen pikken nog iets

mee van mijn inhoud, een jongen heeft een ijsmuts tot
over zijn ogen. Pijn gedaan, vraagt mijn kleinzoon

bij een botsing aan al zijn autootjes, en kust ze alvorens
ze weer recht te zetten. En dat allemaal zonder

een toehoorder, iemand in het bijzonder zeg maar en met
al die losse dingen om ons heen.

er ratelt iets

In de straat nog het blauwe licht van een plastic boom die tegen
de gevel van de Peugeotrijder is geplakt, de bewoner

nog niet thuis, het schijnsel spookachtig tussen de huizen door.
Het wachten is op de lamp op zolder die soms

tegelijk met de mijne aangaat en mij ongezien doet zwaaien, ik
vind de auto, oud en soms met zijn voorwielen omhoog,

van een ontroerende schoonheid en zie een autobaan voor me
met modellen op schaal die met een dun penseeltje

bijgewerkt worden met een zorgvuldigheid die bij geen van de
andere attributen past. Soms groeten we elkaar,

nooit zeg ik iets over mijn voorkeur, hij wel over het weer, ik ben
dan ook onzichtbaar voor hem zodra in de ochtend

mijn raam oplicht, contouren die niet lijken op een blauwe den
hoewel met toegeknepen ogen wel op een Volvo 544.

alleen op hoogtijdagen

Een van die herinneringen is het opeen gepropt in de Volvo
over een beijzelde weg naar de stad rijden, nacht,

sterren aan de hemel, achter ons een pesterig vriendje dat
probeerde in te halen maar niet deed, mijn

vader nonchalant maar rustig, mijn moeder met gilletjes en
op haar zondags gekleed terwijl wij een lange

broek aan mochten omdat het vroor en de Grote Kerk zou
tochten, zij had haar bontjasje net over haar

billen hangen en haar pumps schraapten over de graven, en
dan de mensen in het heilig ruim waartussen

hinderlijk vaak net die ene klasgenoot op wie ik het hele jaar
in stilte verliefd was, de kaarsen walmden en

dropen en als altijd bezorgde de samenzang niet getoonde
tranen en ergernis, het wachten was op het Amen.

hinderlijk persoonlijk

De buurvrouw hing met kerstbal en klok uren in het trapgat,
het huishoudtrapje als bewijs van haar bemoeizucht

en ijver, haar moed ongekend en alleen op hoogtijdagen in
het zicht terwijl de buurjongen van de laagste

vloer zijn brommers startte in de berging en de trap nam via
de houten loopplank, de buitendeur hing al

aan het touwtje uit mijn bovenste plank, en het donker instoof,
zijn vriendin achterlatend die het zware geval

niet in haar eentje op dezelfde manier beheerste en de tijdelijke
intrek van een door noodlot achtervolgde vrouw

daarnaast werd een blijvende. Haar vuilniszak stond nu voor
de zevende dag dreigend in de hal. Het

wachten is op de geur van kerstbrood en wildgebraad dat alle
menselijke uitwerpselen zoete gevoelens geeft.

de hindernissen

Een paar dagen zonder mensen, anderen dan de poppetjes
ver beneden op straat en hun dichtslaande autoportieren,
vroegtijdig afgestoken vuurpijlen en blaffende

honden, zonder gesprekken, aanwezigheid, tegenspraak en
geduld, als een weiland zonder beesten maar alleen met
laagtrekkende meeuwen of vallende zwaluwen

en regen dus natte aarde en geen uitzicht dan het zelfbeeld
in de huilende vensters, geen geluid dan het neervallen van
het water en geen beweging dan het meten van

de omringende muren aan de stappen van alleen jezelf, het
schilderij aan de ene, de foto aan de andere, het papier tussen
je vingers al bijna uit elkaar vallend van ouderdom,

verzet binnen de letters, als een herinnering een uitspraak
herhalend, dat van troost, dat van liefde, dat van toekomst,
dat van geheel, gebaar van voortgaan, wachtend

op de ster aan de hemel, het breken van het massieve zwart
dat andermaal het begin is tot daar een kind ketst tegen de
zachte wanden in je lijf en begint met praten.

ze weten zondermeer wat er speelt

Bij de huizen die ik passeer, zie ik mijn eigen adem nog kringelen
uit het badkamerraampje samen met de rook uit het

gestookte hout, de stoom van het troostende bad, de warmte van
een levenslange liefde; de geluiden uit de keuken

klinken nog, de geuren hangen blijvend in de voegen alsook de
misverstanden, verwijten, wensen, het speeksel, zaad,

het tranenvocht. Opgenomen door de tijd geeft ze nu pas betekenis
aan al die landverhuizingen, constructies, medestanders,

deze herinnering alsof het gisteren was. Tegelijk met het orgelspel
uit de kerk die ik passeer, hoor ik deuren slaan, het

getrippel van kattenpoten op de trap, de claxon van mijn vader als
teken van vertrek, vragen uit een naburig huis.

Er is een kind dat buiten wil spelen. Ook zie ik mezelf vergeefs
aanbellen bij mijn eigen voordeur om te smeken of zij mag.

met een buiging

Nu weer zichtbaar wordt wanneer de overkant wakker is, gordijnen
opgeschoven tot grote vlakken gelig licht alsof ijs

gesmolten voor gevaar zorgt en schaduwen lijken op door schaatsen
getrokken banen, nu weer duidelijk wordt wie waar

woont en met welke bedoeling, auto’s toegedekt, schatten half op de
stoep, het seizoen reeds aangekondigd geïllustreerd met

kleine snoertjes feestverlichting en half schuddende bolle mannetjes,
nu alleen nog maar de vogels de ruimte vullen vallend

tussen hen en mij en ikzelf te zien ben in de beslagen ruit, voorover
gebogen in aanbidding en uit dwang, alleen nog

te raden valt waar de grond begint en waar de lucht en wie er het
eerst naar de hemel tuimelt, kunnen we niet langer

slechts met kippenvel bedekt en benen iets uit elkaar ons verslag doen
van deze spijtige vertrouwdheid met de wereld.

kiekeboe

Nederland ligt maar een wijzend jongenshandje weg, net
onder het thuisland van de stinky mouse, de

gesprekken via Skype is televisie on demand, mijn tekeningen
die hij eerst zachtjes van mijn lijf af wil vegen

zijn stickers die hij later vanaf het raam trekt en op zijn armen
plakt en alles is een cadeautje dat hij deelt

met de slapende, fronsende broer die zich laat wiegen in de
voorbijkomende familieleden, ach het is –

zo zou de grootvader zeggen op de terugreis – typisch iets
voor jou dit zo te benoemen. Hij puft kleine

wolkjes stoom boven de toxic air uit terwijl we elkaar volgen,
een onverzettelijkheid die vanzelfsprekend is.

Echt iets voor jou, denk ik maar ik zeg het niet. We verdwalen
namelijk niet en rechtdoor is vooral vooruit.

daar maken we weer poëzie van

(in Arti et Amicitiae met de Jeanne Oostingprijswinnaars 2018 Bettie van Haaster en Henk Visch en de ontroerende installaties van Marie Ilse Bourlanges en Elena Khurtova onder de titel Dust to dust; het prachtige kleed op de trappen natuurlijk van Barbara Broekman)

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑