Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: de stad (page 1 of 19)

een in beweging

Met de houten breinaaldenkokers van mijn moeder, versierd met
bloemen en bladeren en symbolen uit een andere tijd,

loop ik te sjouwen over de straten van een verpauperde stad, klim
over mensen, brandnetels, lappen, huisraad en straten

en kom uit in een betonnen en ondergronds station. Onduidelijk
is waar ik naar toe ga en waarom ik alle breinaalden

gekregen heb. Vroeger deden we het grapje dat we een breinaald
in onze mouw staken, precies onder onze oksel, alsof

we onszelf doorboorden; ook kon je mikado spelen met reuze
attributen. In ieder geval werd iedereen nerveus van

de snelheid waarmee mijn moeder en ik met de pennen tikten, ook
al zaten wij rustig op het leer in de huiskamer.

Misschien ben ik onderweg daar naar toe, naar haar koele wangen
en onverdroten ijver en dat zachte breigoed in haar schoot.

wachten op je beurt

Aan de ene kant van de boomhut hangen de druppels nog op de
ramen als vergeten schilderwerk van een twijfelachtige

meester die onregelmatig zijn handschrift heeft verdeeld, aan
de andere valt een zonnestraal slordig tussen

omvergeblazen planten, bladeren die op een hoop tegen de deur
kleven, kussens op de grond en niet op de stoelen,

een vogelhuisje scheef tegen de muren. Bij de rechterkant horen
grijze pluimen en kleine scherven blauw, bij

de linker een vogel die op de rand hipt en gevaarlijk onder het
lege blauw balanceert, aan beide zijden is de

wereld verder leeg op een gerommel na dat aanzwelt zodra we
plaatsnemen op onze beste plek. Nog even en

alles wordt van het donkerste groen en donkerste blauw en nog
hebben we geen geluid gehoord dan die zachte vogel.

de volgorde willekeur

De stad die al weken onrustig is, gonst en protesteert, een vrouw
die schreeuwt tegen een winkelier dat het godgeklaagd is, deze
winstderving, dit nodeloos verspillen van

gemeenschapsgelden, dit geen keuze hebben, dit feestje voor een
afscheidnemende burgemeester, laat hem toch gewoon oprotten,
mijn stad, voert hekken en zand aan, plaatst

nieuwe borden, waarschuwt, stuurt folders en vrijwilligers, wappert
met nieuwe vlaggen waarop dezelfde fiets als die nu op een sokkel
verheven bij het station uitnodigend de weg wijst,

stadsomroepers die tot ver kunnen schreeuwen, kermisvolk, markt-
koopman, Europees! 2019!, scherpt haar lieflijke straatjes aan, zet
zichzelf in haar bochten scherp en sluit rond

mijn huis het parcours aan op de buitenwegen, kinderhoofdjes, lege
weilanden en aarzelend overstekend wild zodat we vanaf morgen
alleen nog het zoevend geluid zullen vernemen van

een overmoedig peloton, dat in felle kleuren en begeleid door agenten
die parmantig hun conditie testen, de bewoner een claustrofobisch
genoegen zullen geven en een scherp gevoel van tijd.

dat bijna te lang durend moment

Het was beslist geen zweven, toch zat er even uitstel in de
beweging alsof inderdaad nagedacht was of moest

worden, de handen geplaatst konden en het gezicht afgewend
en de ogen gesloten, dat vooral. Van te voren

leek er een lasso geworpen om de benen, de rest nog vrij maar
niet meer in staat tot, en alles kwam met een

enorme klap zo onder mijn raam terecht terwijl toch gewoon
de voordeur genomen was, keurig afgesloten.

Een man kwam aanfietsen en zei dat ze niets aan hem had, hij
bleef staan zonder af te stappen en had het over

gebrek aan diploma’s maar ze kon beter haar broek uitdoen,
dat wist hij wel. Zou u denken, zei ze nog, verlegen

met de situatie. Ze was al opgestaan, controleerde in gedachten
alle onderdelen en groette hem. Ze fladderde.

lades die diep en leeg zijn

Je zou hier niet kunnen liggen, niet bovenop de warmte en ook
nog eens bovenop mijn lijf, je zou je niet

kunnen bewegen, alles zoveel zwaarder en tegelijkertijd zo zonder
betekenis. Handelingen worden zinloos bij

temperaturen als deze. Het lichaam verdraagt slechts een puntje
laken en je zou klagen over tocht, de wind die

opsteekt en de boomhut doet schudden, je dromen nachtmerries
door het klapperen van de gordijnen, je zou

stemmen horen in het gerommel en je hoofd is al zo vol. Niet dat
ik het me niet voorstel. Ik zie druppels zweet

vallen en volg het spoor en wapper met mijn hand en tover koele
vingers die totaal overbodig nog een zonnetje

tekenen op je flank. Je zuchten is als klagen. Er zijn vliegen, zou
je beweren, maar ik heb ze allemaal al teruggestuurd.

ergens doet iemand open

Om bijna bovenin te wonen, tussen de kleinste bladeren en het
lichtste groen, de ijle witte flarden in de lucht

bereikbare stroken land, mee te doen met het gekwetter van vogels,
opgetild en voorzichtig neergezet, wachttoren en

verblijf. Vanaf de kijkgaten het overzicht, door de openingen de
geur van toen, alsof dat wat beneden ligt nog altijd

bereikbaar is maar het gekrioel van beesten niet meer zichtbaar
en het gestruikel over de wortels, het zacht achterover

vallen, het volgen van de voetstappen, overbodig. In een droom
de ontmoetingen, hoe daar ergens mijn vader

wacht, zoals hij dacht, mijn mamma, zoals zij hoopte, gekke schilder
W. tussen zijn portretten, dat was de afspraak, of

de rode kater, de waakhond en meisje J. maar voorlopig wakker
van geen enkel vertrek weten en niets beloven.

de ruimte om ons heen

We zouden beter moeten weten, zegt iemand op straat. De zin
stijgt naar boven als een ballon zonder touwtje, de rest

van het gesprek staat misschien op een briefje in het roze ding,
buiten bereik van iedereen. Wat, denk ik,

en wie zijn we? Een fietser buigt zich over een kind voorop,
een man scheldt op een langzame hond, de

achterbuurvrouw rookt haar honderdste sigaret, er is een auto
die niet wil starten. In het trappenhuis de lucht van

gebraden vlees. Vliegtuigen lijken lager dan ooit te hangen en
blikkeren tussen roerloze bomen, tuinen zijn

op slot, terrasstoelen opgestapeld, er hangt een jurkje aan een
hek. Er wordt langdurig gebeld, ergens doet iemand

open. Beter dus dan we nu doen en met z’n allen en gisteren
eigenlijk al, liever nog vandaag.

het laatste licht vangend  

Daar waar mijn Friese familie afscheid nam alvorens weer de
oversteek te maken, dit keer met de witte weke

kadetten en het lichtroze vlees ertussen die de ober zo vriendelijk
in de servetten wikkelde en met meer geluid dan

in het dorp beneden, toeterend en een gesprek nog voerend onder
de raamposten, daar waar mijn zwangere buik in

ivoorwit omhuld omzichtig werd bewonderd, wij elkaar kussend
om de hals vlogen terwijl het toetje brandend

binnengedragen werd, daar waar ik mijn ouders nog had, mijn
minnaar achter een plant verscholen, daar waar ik later

alle dichters ontmoette en alle doden van deze stad en over een
vluchtroute nadacht dwars door het bosje, de

geiten al mekkerend en de ganzen snaterend, komt straks een
enorm zwart gat waarin dat alles verdwijnt.

 

(wand in het trapgat naar de eerste verdieping van Koekenbier,
beeld op de omslag van mijn laatste bundel)

het lichte heimwee

De stemmen zo hoorbaar door de open deur, het feestje in het
donker en tegen de buien aan, de kinderen

slapend, de gesprekken ernstiger, de maaltijd reeds sissend ten
onder gegaan. Mijn activiteiten al lang gestaakt.

Kleur op kleur bracht ik aan, voorover gebogen het laatste licht
vangend, nieuwe vormen in een vertrouwd

gebaar zoals ik bladzijden las tegen het laatste licht, nieuwe
verhalen vond die ik de mijne maakte zodat ik voor

even een ander was. Bijna ging ik op visite bij de buren en liet
mijn eigen geluid naar boven stijgen zodat het

door de deurspleet tegen me aan zou tikken, slapeloos geraakt
en van alles moe, licht hijgend en met bijna

die regen, die zachte regen, op me. Gebedeld had ik om het
restje in de pan of een gilletje in de zin.

de staat van poëzie

Het was alsof iemand in haar nek hijgde en bijna toe zou slaan,
ze zou ongetwijfeld verslonden worden en dan

uitgespuugd in het water belanden, ze liep midden op de brug,
in de bocht kwam een rondvaartboot heel

langzaam tevoorschijn, kinderen in een rubberen bootje met
peddels die sloegen op de bijna witte golfjes,

een hond die schudde met zijn vacht, pratende en etende mensen
aan de waterkant, uitgestrekt en vrolijk terwijl zij,

ze durfde even opzij te kijken en zag niets en dus was er niets,
toch versnelde ze haar pas, hield haar tas alsof

ze daarmee elke vijand zou kunnen neerslaan en merkte toen
dat het piepende, zuchtende, steunende geklaag

vanaf de straat kwam waar de auto’s in een file stonden met
opengedraaide ramen en de zon blikkerend op het dak.

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑