Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: mamma (page 1 of 22)

het kind met grote ogen

Langzaam dringt het tot ons door, de herhaling van kinderen
en ouders en het geheim dat we denken te

delen met het leven, fluisterend zoals mijn moeder dat vroeger
deed alsof het een roddel betrof over de buren, ze

was iets luider bij een vergrijp door mijn vader, en steunend
vanwege de zwaarte en onbegrip van al dat moois.

Een wonder bleef het en alle reden tot dankbaarheid, al moesten
haar dochters er soms wat bij verzinnen, had ze

ooit goed gekeken naar de buurkinderen en de geluiden niet
gehoord? Geschiedvervalsing zoals plaatjes in

een boek over het prille ontstaan, de afwezigheid van haar Heer
maar wel heel grote beesten die op aarde stampten, nee,

ze had haar vermoedens maar die zaten niet in die mysterieuze
afspraak die tussen ons in de ruimte hing.

symbolen uit een andere tijd

Met zijn bril op tafel huilt hij zonder geluid te maken, wrijft
in zijn ogen, laat het haar vallen, kijkt mij aan terwijl

mijn armen te kort blijven, mijn lijf keurig rechtop. Ik heb geleerd
niets te bevestigen, niet dit verdriet, niet dit zijn.

Chronologisch, zeg ik en dwing hem het verhaal af en het duurt
lang voordat hij bij haar uit bed valt, haar lijf

koud. Hij huilt niet om wat er gebeurde maar om wat hij niet deed.
Hij had nog, en dit en dat en hij heeft nooit en

niet voor haar is dit schuldgevoel maar voor zichzelf. Ik vertel hoe
ik bij mijn stervende mamma in bed kroop, een

vogeltje in een roze dekentje, dat helpt, of hoe ik nu veel vaker aan
mijn vader denk dan daarvoor. Later pas

herinner ik me welke mannen nog meer huilden en waarom en of
ik meer vormen van geruststelling kende dan dat ene.

een in beweging

Met de houten breinaaldenkokers van mijn moeder, versierd met
bloemen en bladeren en symbolen uit een andere tijd,

loop ik te sjouwen over de straten van een verpauperde stad, klim
over mensen, brandnetels, lappen, huisraad en straten

en kom uit in een betonnen en ondergronds station. Onduidelijk
is waar ik naar toe ga en waarom ik alle breinaalden

gekregen heb. Vroeger deden we het grapje dat we een breinaald
in onze mouw staken, precies onder onze oksel, alsof

we onszelf doorboorden; ook kon je mikado spelen met reuze
attributen. In ieder geval werd iedereen nerveus van

de snelheid waarmee mijn moeder en ik met de pennen tikten, ook
al zaten wij rustig op het leer in de huiskamer.

Misschien ben ik onderweg daar naar toe, naar haar koele wangen
en onverdroten ijver en dat zachte breigoed in haar schoot.

ergens doet iemand open

Om bijna bovenin te wonen, tussen de kleinste bladeren en het
lichtste groen, de ijle witte flarden in de lucht

bereikbare stroken land, mee te doen met het gekwetter van vogels,
opgetild en voorzichtig neergezet, wachttoren en

verblijf. Vanaf de kijkgaten het overzicht, door de openingen de
geur van toen, alsof dat wat beneden ligt nog altijd

bereikbaar is maar het gekrioel van beesten niet meer zichtbaar
en het gestruikel over de wortels, het zacht achterover

vallen, het volgen van de voetstappen, overbodig. In een droom
de ontmoetingen, hoe daar ergens mijn vader

wacht, zoals hij dacht, mijn mamma, zoals zij hoopte, gekke schilder
W. tussen zijn portretten, dat was de afspraak, of

de rode kater, de waakhond en meisje J. maar voorlopig wakker
van geen enkel vertrek weten en niets beloven.

een enorm zwart gat

De heer A., die naast me zit en van wie af en toe de hand op
mijn arm verschijnt, noemt een naam die mij

de huiskamer terugbrengt en mijn moeder die vlak op het
radiotoestel haar favoriete taal hoort, zwaar

christelijk en met bulderende stem, doorsneden met lijzig gezang,
dik als het pluche dat over de tafel liep. Daar

zitten ook de andere leden van de groep, de heer T. met zijn voet
in een teiltje, mevrouw V. met een ketting in de

knoop en mevrouw De H. met alle koekjes van het schaaltje. Als
mamma verdwijnt, komt mijn vader die nonchalant

ons achterin zijn auto stopt, de bochten neemt als een held, het
picknickkleed, zwart/wit geblokt, uitspreidt

langs de route en iedereen laat raden naar merk en kleur van de
voorbijganger. Mevrouw De H. voert de vogels.

zo goed als echt nagemaakt

Ik hoorde de stem van de dichter des vaderlands door de intercom
in de treincoupé, met daarin het lichte heimwee

naar mijn moeders heitelân en de vertraging die hij langzaam, als
was het vanwege een smorende hitte of

weloverwogen bedoeling, ons uitlegde waarbij hij zelfs tamelijk
geruststellend klonk terwijl het toch om een

aanrijding met een persoon ging en wij alleen het weiland zagen
met daarin de koeien die achter elkaar het pad

namen, staarten zwiepend over vieze poten, op weg naar een
dagelijkse vrijheid die zomaar aansloot bij de

gebeurtenis. Zo’n man, dacht ik nog, moet natuurlijk gewoon iets
bijverdienen, wie zit er nog op hem te wachten

en zomaar verlangde ik naar mijn mamma als medepassagier die
met gulle hand een snoepje uit haar tas zou toveren.

het feestartikel

Hij staat op de vluchtheuvel bij het kruispunt waar iedere fietser
door het rode licht rijdt en draagt een nauwsluitend

blauw pak met capuchon die half over zijn gezicht valt en roept
oi als ik voorbij kom en ik kijk om, schrik, en kijk

weer voor me en denk dat kan niet want hij is dood en ik hoor
mezelf roepen, geen oi maar iets veel harders, ik

heb mijn moeder nodig, nu! Dat hij dood is, goed, maar dat hij
daar nu staat in dat enge pak dat als plastic blikkert

en over zijn hoofd gegoten lijkt, dat oi, dat omkijken van mij!
Mijn moeder reageert evenwel niet en de nacht

is te warm om weer in slaap te vallen. Ze zou gewoon langs
kunnen komen hoewel misschien van de

andere kant en mijn vader zou hinderlijk claxonneren en zonder
meer de stoepen nemen, het blauw zou zich uitspreiden.

wit nog

Wat is je haar lang geworden, zou ze zeggen en even trekken
aan de onderkant, en ze zou staren naar een bijna

fatale combinatie van rood en oranje of een diep uitgesneden
shirt dat achterstevoren nog iets bedekte, ze

zou ook daar aan gaan trekken, ze zou haar ogen dichtknijpen
en even peinzen en dan over de kinderen beginnen,

waren ze alleen thuis en moest ik reeds de terugweg nemen,
hadden ze zelf inmiddels kinderen, was de

tijd zo snel voorbij gegaan, waarom had ik haar niet eerder
gebeld of was ze hardhorend en had ze nooit

opgenomen. Maar lieverd, zou ik zeggen, en andere koosnamen,
je hebt geen bereik, je bent al jaren heel ver

weg van me, je ging zonder te groeten, de kinderen moesten
huilen, weet je nog, maar ze wist van niets.

 

(In 2014 voltooide ik de gedichtenbundel ‘zij draagt alvast het wit‘,
opgedragen aan mijn mamma. Deze bundel is niet gepubliceerd.)

het scheve land

Op de hoeken van de deken legde ze haar pumps en voorzichtig
zat ze daar, keurig, alles overziend, ontspannen en

toch meteen tot ingrijpen bereid terwijl hij in het midden van
de zwart-witte blokken languit met zijn ogen dicht

de hemel bestudeerde maar gewoon in slaap was. Ze nipte aan
haar beker koffie, peuzelde aan een koekje, tuurde

in de verte terwijl wij heel dichtbij waren, achter een twee bomen
misschien, zo bepaalden zij beiden hun eigen

afstand. Na even werd de deken dan uitgeklopt en opgevouwen,
het proviand in de tas, haar kleding rechtgetrokken,

hij kreukelig achter het stuur, zij met haar schoenen aan rechtop
achter het glas, wij achter dezelfde boom maar

dan achterin, verzinnend hoe wij kwijt waren of hoe de wereld
begon na de punten van de deken.

de vlekken oplosbaar

Niet de zee te hoeven noemen meer. Geen grapjes over gebieden
die buiten bereik liggen omdat we niet kunnen zwemmen.

Geen reisjes onder al dat water door, niet opnoemen hoe het Fries
van onze moeder eigenlijk het buitenlands is van

de taal van mijn ene kind, niet de ernst van de kleinzoon waarmee
hij vertaalt, niet wuiven naar de lucht omdat zij

daar vliegt en helemaal niet denken aan hoe zij uit beeld verdwijnt,
nooit meer de haperende telefoonlijn of het vervormen

van haar stem, alles net een seconde later dan zij het uitspreekt. Nooit
meer voorzichtig vragen of er nog meer water

bij komt, bij de wijn dan graag, of huilend van gemis uit het raampje
kijken van de overvolle slangen die vies en krijsend

uit hun holen kronkelen. Voortaan knuffels op mijn schoot en zonen
hijsen op mijn heupen zoals ik dat vroeger deed.

 

 

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑