Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: mamma (pagina 1 van 20)

tussen uitspraak en denkbeeld

Er zit bloed in mijn droom, teveel van dat lichte rode
dat wegsijpelt in sponsachtige onderdelen die

uit het lijf geperst dampend op een schaal voor me liggen.
Er zit te veel bloed in mijn droom, het

gesprek gaat achter gesloten deuren verder maar mijn
gedachten zijn elders, koortsachtig. Behoedzaam

leg ik mijn handen terug op mijn buik. Ik fiets langs de
straten van asfalt waarboven lichtgele bomen

zachtjes hun geur naar me toe wuiven, ik kan fietsen,
zie je wel, er is niets om ongerust over te zijn.

Mijn moeder zal op me wachten met twee plakken koek
bij de koffie en met een koud neusje ergens

in mijn hals, daar stopt mijn pijn. Ik zie wat bleek, zal ze
zeggen, en voor de grap prikt ze in mijn zij.

niet rechtdoor maar plotseling linksaf

Ze had mijn vader verzocht naar mij toe te rijden, de
dorpsweg af, de stad in en met haar uit te stappen,

voor mijn deur te wachten en naast haar te blijven staan
zoals hij uit zichzelf altijd al deed, ze had

haar puntige vinger op mijn deurbel gelegd en nogmaals,
ze had zich gemeld door het rooster naast de bel,

ik was naar beneden gekomen, had hen daar zien staan
en ze niet uitgenodigd naar boven, ze had

een zomerjurkje gedragen en hij had zijn hemdsmouwen
naar beneden geduwd, ze had haar zonnebril in

haar tas gedaan, ze zei ‘ik heb zo’n verlangst naar jou
en ik had haar niet binnen gelaten en dus

staat ze daar nog altijd en na al die jaren klinkt nog dat
halve Fries en verlang ik niets meer dan

haar binnen te laten, omhoog te duwen mijn trappen op
en haar te zeggen hoeveel, hoeveel ik van haar hou.

de cirkels steeds wijder

Even ben ik terug in de koele keuken van het ouderlijk
huis waar mijn wangen tegen de tegeltjes rustten,

mijn handen gevouwen in mijn schoot, mijn ogen stijf
dicht, schimmen om me heen die de staat van

God door de ramen heen verklaarden, mijn vader die altijd
beweerde dat de bui reeds overgetrokken was

en mijn mamma die steevast telde en de maan ontwaarde
en ook als toen is de genade de vrede en stilte

achteraf, het ruisen van regen door de opengezette deur,
de geur van nieuwe zomers en herstel, de

zucht van hem, een boterham of alleen de kaas, en haar
theorieën of hoe luchten weer helder werden, leeg

totdat er opnieuw iets was dat ik verkeerd deed en waar
ik voor gestraft zou moeten, zo wist ik zeker.

als eerste bewoner

Maar hij dan, wat doet hij daar, uit welke tijd is hij
gegooid, uit welk onderdeel, welke film, uit

welke foto weggesneden, past zijn hoofd wel op deze
romp, voegt zijn lijf wel in het mijne. Er

is een hapering in handelen, een bijna niet herkennen,
ik word oud blijkbaar, het duurt uren voordat

zijn naam naar boven komt, er drijft witte wijde kleding
bij en een kralensnoer, een rood-wit pakje

sigaretten, hij rookte niet, beweerde hij. Ik geloof niet
dat hij echt leeft. Dagen later hoor ik mijn

moeder giechelen om hem, ze knijpt haar ogen bijna
dicht en leunt naar zijn zijde, o ja, het

lijf paste, er zijn drie foto’s, het hoofd ligt in mijn schoot,
hij moest daar zijn, zegt hij stellig.

per ongeluk met natte vinger

Zomaar is de avondlucht, dampend en kil, dezelfde die om
het oude huis hing waar ik deuren nog moest

afsluiten, in alle dromen hangen ze los in hun sponningen,
en waar je met toegeknepen ogen in het veld

rondom altijd ongewenste indringers ziet lopen, de was van
je moeder ziet wapperen, hem ziet als laatste

bezoeker en zomaar ook mijn hart vol tranen. Zo traag als
ik wegfiets, de treinen leeggestroomd, zo

snel neemt de heimwee bezit van me, benen zwaar en banden
bijna leeg. O om dat alles mee te kunnen nemen,

hen bij de hand, en van het ene land naar het andere te kunnen
gaan en door de flarden mist voorgoed de

contouren te herkennen van je eigen thuis, niemand onwelkom
en deuren altijd open, hij als eerste bewoner.

zij was reuze handig

Ze was het niet eens met mijn gezwalk in de nacht, zo
noemde zij het, haar scherpe ogen turend in

mijn zwakke vel, haar handen gevouwen in haar schoot,
buiten veelal het krijsend gevogelte dat zij

voerde of bomen die zwiepend tegen het glas beukten.
Er reden treinen waar geen rails lagen, mij

pappa was zo vreselijk afwezig en ik leek een beetje op
haar dochter, zei ze. Ik ben je dochter,

beweerde ik, en in de nacht slaap ik gewoon. Dan begon
langzaam het hoofd te schudden als een koppig

kind dat wist dat ze gelijk had, je weet best, zei ze, wat
ik bedoel. Dan keek ze even naar buiten, kwam

terug naar binnen en slingerde me mijn ongeloof in mijn
open mond. Nergens in, siste ze.

echt alleen voor hen

Hetzelfde boek, dezelfde lezer, andere markeringen in tijd en
plaats, andere aanduidingen, dezelfde

gretigheid, dezelfde moeite de enorme omvang in de hand te
houden, wisselen van het linker naar de

rechter. Een opdracht in potlood, twee briefjes halverwege, het
een van een kind uit de beginjaren, het gezin uit

het tweede deel, de ander een rijmpje voor de Sint, overgebleven
snoepgoed, waarschuwingen kinderlijk lachend

en niets van de man uit het eerste deel. Andere zegswijzen, een
nieuwe conclusie, een samenvatting die eerst

nog niet gegeven kon worden, een dode moeder, een overspelig
feit, een kind zo trouw, een beheersbaarheid,

ballen in de lucht, nog altijd het idee dat de act een andere is als
die van haar, nochtans dezelfde.

zoiets misschien

Verdriet hoort bij de nacht, bij het vruchteloos zoeken naar
het beeld dat je daarvoor nog droomde, gangen

in een huis waar je doorheen dwaalt, schimmen van haar
jurkje dat om de hoek verdwijnt, het

bodemloos kil verschieten van haar kleur, het roepen van
het kind dat haar niet bereikt, mijn mamma

vliegt. Verdriet hoort bij de eerste uren van de ochtend, het
zwart dat op je drukt, het ruiken van haar

eau-de-cologne, ze heeft het zakdoekje in vieren gevouwen
en nog op mijn voorhoofd gelegd, het

murmelen van haar taal terwijl ik haar wat wilde zeggen en
zij mij nooit meer zou verstaan, haar vinger

priemt nog in mijn lucht, ze wijst naar de stand van de maan,
zij voorspelt mij het weer en haar dagen.

ongeordende lichteffecten

Er zijn beduidend meer mensen in de supermarkt op die
ene stille ochtend en allemaal lopen ze te

zoeken naar dat missend ingrediënt dat noodzakelijk is
voor de familiedis later deze maand, het

zijn veelal de mannen die een rondje om wilden, zon
tenslotte, en nu aarzelend op een briefje

kijken en de looproute versperren of zelfs met kinderen
als onbetaalbare hulpjes een familie-uitje

organiseren rond het koffieapparaat. Mijn vader wachtte
die zeldzame keren bij de auto terwijl mijn

moeder voor het eerst van haar leven in een grote winkel
de Franse vruchtjes zocht, zonder papiertje en

zonder oponthoud, een beetje zoals ik altijd winkel: snel,
doelgericht en buiten bereik van de Kerstman.

in het gat

Hij filmde haar die laatste dagen zoals hij dat altijd deed
met iedereen die weg zou gaan, zichzelf

nog even in de spiegel groetend want ook hij zou, eens
en voorgoed, en hij hield de ogen open alsof

de ontmoeting de eerste was en hij zichzelf pas zag door
de lens, tussen alle attributen die opgestapeld

tussen ons en het gebaar lagen: de roze deken waarin zij
zich krulde, de bril op het boek op de tafel,

verbandjes op de wastafel, een potje zalf, de foto aan de
muur, daar waar zij vandaan kwam met

bomen die niet meer groeiden, en mij, als baby in zilver
gevat, niet tot lachen bereid nog en dan

de weg buiten, vriezend en wit zoals nu en de zon die over
die laatste akkers scheen terwijl hij draaide.

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑