Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: mamma (page 1 of 22)

een enorm zwart gat

De heer A., die naast me zit en van wie af en toe de hand op
mijn arm verschijnt, noemt een naam die mij

de huiskamer terugbrengt en mijn moeder die vlak op het
radiotoestel haar favoriete taal hoort, zwaar

christelijk en met bulderende stem, doorsneden met lijzig gezang,
dik als het pluche dat over de tafel liep. Daar

zitten ook de andere leden van de groep, de heer T. met zijn voet
in een teiltje, mevrouw V. met een ketting in de

knoop en mevrouw De H. met alle koekjes van het schaaltje. Als
mamma verdwijnt, komt mijn vader die nonchalant

ons achterin zijn auto stopt, de bochten neemt als een held, het
picknickkleed, zwart/wit geblokt, uitspreidt

langs de route en iedereen laat raden naar merk en kleur van de
voorbijganger. Mevrouw De H. voert de vogels.

zo goed als echt nagemaakt

Ik hoorde de stem van de dichter des vaderlands door de intercom
in de treincoupé, met daarin het lichte heimwee

naar mijn moeders heitelân en de vertraging die hij langzaam, als
was het vanwege een smorende hitte of

weloverwogen bedoeling, ons uitlegde waarbij hij zelfs tamelijk
geruststellend klonk terwijl het toch om een

aanrijding met een persoon ging en wij alleen het weiland zagen
met daarin de koeien die achter elkaar het pad

namen, staarten zwiepend over vieze poten, op weg naar een
dagelijkse vrijheid die zomaar aansloot bij de

gebeurtenis. Zo’n man, dacht ik nog, moet natuurlijk gewoon iets
bijverdienen, wie zit er nog op hem te wachten

en zomaar verlangde ik naar mijn mamma als medepassagier die
met gulle hand een snoepje uit haar tas zou toveren.

het feestartikel

Hij staat op de vluchtheuvel bij het kruispunt waar iedere fietser
door het rode licht rijdt en draagt een nauwsluitend

blauw pak met capuchon die half over zijn gezicht valt en roept
oi als ik voorbij kom en ik kijk om, schrik, en kijk

weer voor me en denk dat kan niet want hij is dood en ik hoor
mezelf roepen, geen oi maar iets veel harders, ik

heb mijn moeder nodig, nu! Dat hij dood is, goed, maar dat hij
daar nu staat in dat enge pak dat als plastic blikkert

en over zijn hoofd gegoten lijkt, dat oi, dat omkijken van mij!
Mijn moeder reageert evenwel niet en de nacht

is te warm om weer in slaap te vallen. Ze zou gewoon langs
kunnen komen hoewel misschien van de

andere kant en mijn vader zou hinderlijk claxonneren en zonder
meer de stoepen nemen, het blauw zou zich uitspreiden.

wit nog

Wat is je haar lang geworden, zou ze zeggen en even trekken
aan de onderkant, en ze zou staren naar een bijna

fatale combinatie van rood en oranje of een diep uitgesneden
shirt dat achterstevoren nog iets bedekte, ze

zou ook daar aan gaan trekken, ze zou haar ogen dichtknijpen
en even peinzen en dan over de kinderen beginnen,

waren ze alleen thuis en moest ik reeds de terugweg nemen,
hadden ze zelf inmiddels kinderen, was de

tijd zo snel voorbij gegaan, waarom had ik haar niet eerder
gebeld of was ze hardhorend en had ze nooit

opgenomen. Maar lieverd, zou ik zeggen, en andere koosnamen,
je hebt geen bereik, je bent al jaren heel ver

weg van me, je ging zonder te groeten, de kinderen moesten
huilen, weet je nog, maar ze wist van niets.

 

(In 2014 voltooide ik de gedichtenbundel ‘zij draagt alvast het wit‘,
opgedragen aan mijn mamma. Deze bundel is niet gepubliceerd.)

het scheve land

Op de hoeken van de deken legde ze haar pumps en voorzichtig
zat ze daar, keurig, alles overziend, ontspannen en

toch meteen tot ingrijpen bereid terwijl hij in het midden van
de zwart-witte blokken languit met zijn ogen dicht

de hemel bestudeerde maar gewoon in slaap was. Ze nipte aan
haar beker koffie, peuzelde aan een koekje, tuurde

in de verte terwijl wij heel dichtbij waren, achter een twee bomen
misschien, zo bepaalden zij beiden hun eigen

afstand. Na even werd de deken dan uitgeklopt en opgevouwen,
het proviand in de tas, haar kleding rechtgetrokken,

hij kreukelig achter het stuur, zij met haar schoenen aan rechtop
achter het glas, wij achter dezelfde boom maar

dan achterin, verzinnend hoe wij kwijt waren of hoe de wereld
begon na de punten van de deken.

de vlekken oplosbaar

Niet de zee te hoeven noemen meer. Geen grapjes over gebieden
die buiten bereik liggen omdat we niet kunnen zwemmen.

Geen reisjes onder al dat water door, niet opnoemen hoe het Fries
van onze moeder eigenlijk het buitenlands is van

de taal van mijn ene kind, niet de ernst van de kleinzoon waarmee
hij vertaalt, niet wuiven naar de lucht omdat zij

daar vliegt en helemaal niet denken aan hoe zij uit beeld verdwijnt,
nooit meer de haperende telefoonlijn of het vervormen

van haar stem, alles net een seconde later dan zij het uitspreekt. Nooit
meer voorzichtig vragen of er nog meer water

bij komt, bij de wijn dan graag, of huilend van gemis uit het raampje
kijken van de overvolle slangen die vies en krijsend

uit hun holen kronkelen. Voortaan knuffels op mijn schoot en zonen
hijsen op mijn heupen zoals ik dat vroeger deed.

 

 

de terugweg

Veel gaat ook over het verleden, zegt de dichter tegenover mij,
toch? Vandaag zou ze jarig zijn, denk ik alleen maar,

zou ze met rode wangen en een volle koelkast net doen alsof
dat niet belangrijk was, geen cadeautjes willen en

teleurgesteld zijn als ze er niet waren, haar taartpunt delend en
met muizenhapjes etend. Liefde? Probeer ik nog,

dood? Hij buigt zich verder over tafel, het ene oog naar buiten,
het andere op mijn glas. Zij zou nog meer

kleuren, haar schoenen gingen eindelijk uit, het jasje misschien
dat al half open stond. Hoe kun je iemand bereiken,

vraagt de man tegenover mij, als je haar niet kenbaar maakt, als
je haar ons niet voorstelt, als je niet uitlegt dat

ze jarig zou zijn geweest of hoe ze at? Stilzwijgend schuif ik haar
mijn bordje toe en probeer haar jasje te passen.

kwijtgeraakt

Van deze dagen zou ze zeggen dat ze wel kon huilen omdat de
streperige ramen haar uitzicht beperkten, de bomen

zwaar en zwart de planten het groeien belemmerden en haar als
lijfwachten tegenhielden van het erf te gaan,

de klei zompig aan haar hakken bleef hangen en er niets te halen
viel dan de broodkruimels die ze voor een ander

uitstrooide bij de deur, dat niemand daaraan dacht en ze bedoelde:
aan haar. Ze zweeg soms ook gewoon aan de

andere kant van de lijn alsof alleen haar ademstoot door de hoorn
voldoende was om het lijden te melden. Bij sneeuw

was het een ansichtkaartje dat ze weliswaar vrolijk kon rondsturen
maar dezelfde gevangenschap inhield, altijd was het pad

naar de bewoonde wereld onbegaanbaar terwijl ze niet eens weg
wilde, niet echt, maar een onbeperkte vrijheid miste.

het effect

De kamer van het waterhuis is uitgetrokken tot een balzaal
die naast mijn oude zilveren bed een slaapplaats heeft voor
mijn jongste en zijn vader, een kinderbedje

waar niemand meer in past. Er volgt een verhaal in een verhaal,
een doos in een doos, een huilen in een droefenis waaraan geen
einde lijkt te komen. Terwijl ik droom loopt

iemand over mijn rug. Ik denk aan een inbreker maar weet
tegelijkertijd hoe absurd dit is, ik gil en mijn vorige man komt
kijken en haalt een konijn van mijn rug, daarna

mijn moeder die zich uitgespreid heeft neergevlijd, gaat dan
zelf daar liggen, bovenop de dekens, en drukt mij zachtjes neer.
Ik weet dat ik droom in die droom en ik hoor

mezelf snikken maar de hele nacht verloopt rustig en behalve
die figuren kom ik niemand tegen, ik slaap tot de ochtend en
weet alleen dat ik ze ontmoet heb en gevoeld.

De morgen is donker van regen en wind, de boomhut knarst,
bijna dek ik de tafel met extra bordjes. Dan vertrek ik in een
blauwe jurk en sluit de deuren zachtjes.

hoe lekker warm ze daar lagen

Ze plukt het haar van mijn jasje, engelenhaar, zegt ze, omdat
het krult maar mijn stroblonde haar valt

recht naar beneden, kan ik daarom niet tegen die zachte en
dwingende aanraking van handen die

verzamelen en tegelijkertijd corrigeren alsof mijn moeder aan
de zoom van mijn kleding trekt in de hoop

dat het minder ordinair wordt, minder vol en minder zwart?
Ik wil niet voelen, zelfs al is het nauwelijks

en ik wil niet dat zij zegt dat ook zij haar verliest en naar de
grond wijst, ik wil niet delen en ik wil

het bestaan van engelen ontkrachten. Dan zegt ze nog iets over
de lengte en mijn schouders krimpen en op

straat denk ik steeds achterom te moeten kijken of zij me niet
volgt, kokette stappen die leeg en hol klinken.

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑