Geen tijd, alle tijd, de datum rechts in de hoek lezen als jaartal,
doen alsof je ergens anders bent, parallelle tijd,

een klok die stilstaat, een kind nog klein, opnieuw alle tijd. Nu
de buurman hier ver onder geen bus meer rijdt,

geen oude mensen vervoert, niet dezelfde tijd opstaat, niet het
gordijn opentrekt en de deur uitstapt, niet knippert

met zijn lichten, zijn we de enige hier die onszelf uitspreiden
over tafel alsof we een krant zijn die gelezen moet

worden. Vroegere tijd, vakantietijd, verspilde tijd, gedeelde tijd,
als je eenmaal zou oud bent als ik, zegt hij, geen

tijd, reservetijd, tijd genoeg. Ik kan alleen op zondag, zegt de
allerkleinste, gewonnen tijd, extra tijd, kwaliteit,

een kort rokje voor het tijdloze, iets lichts zoals de lucht, zomertijd,
bloesem op de grond, opnieuw alle tijd.