Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: onderweg (page 1 of 23)

geen andere boodschap

De man tegenover me in de treincoupé zwaait met regelmaat
naar de mensen op het perron, houterig en soms

alleen met zijn wijsvinger groet hij een ieder die achterblijft
hoewel ik eerst meen dat er een bedroefd gezin

moet staan of een innig goede vriend. Hij knikt met zijn hoofd
zodra een volgend perron in zicht komt, het is

uitermate vriendelijk natuurlijk. Een meisje in een bloemetjesblouse
krijgt van de conducteur een compliment en voelt

zich heel ongemakkelijk na afloop. We worden allemaal vrolijk
van je, beweert hij, lente! De jongen daarnaast

informeert ondertussen naar haar liefdesleven en vraagt of ze
zou kiezen voor bloemen of chocolade. Wanneer,

zegt ze argwanend, en wat geef ik hem dan? Het is zomaar een
schermloze gebeurtenis met veel voorjaar in de lucht.

de bewoner nog niet thuis

Een vrouw op straat zegt, tegen niemand in het bijzonder,
dat daardoor wel wat dingen losgekomen zijn.

Ik denk aan het bandje van mijn beha dat niet meer wil
sluiten, de opgestapelde producten in de super,

de uiteengescheurde vuilniszakken op het voetbalveldje
hiernaast en herhaal haar uitspraak zodat ik

daar iets mee kan doen. Een auto met rood-wit geblokte
racestreep passeert, meeuwen pikken nog iets

mee van mijn inhoud, een jongen heeft een ijsmuts tot
over zijn ogen. Pijn gedaan, vraagt mijn kleinzoon

bij een botsing aan al zijn autootjes, en kust ze alvorens
ze weer recht te zetten. En dat allemaal zonder

een toehoorder, iemand in het bijzonder zeg maar en met
al die losse dingen om ons heen.

als kind misschien

Mijn zoon vraagt of ik hem goed kende, die dichter die dood
was nu, want we appen waar we waren en ik zei

ik liep over een terrein dat 33 voetbalvelden groot was want
ook dichters gaan dood en hij zei ‘o jee’, nee,

antwoordde ik, hij liet zich niet kennen, alleen in zijn gedichten
dan. Is dat iets goeds of iets verkeerds, vroeg mijn

kind, en ik zei dat het net zoiets was als bij ons. Hij wist zonder
meer wat ik bedoelde. Er is niemand die deelt in

mijn zijn tenzij ik het opschrijf in 7 x 2 regels. Hoe is het daar,
vraag ik, want alle drie kinderen zitten al weken

in het buitenland en hij onderzoekt de levensvatbaarheid van
een relatie. Ik ben al bijna terug, zegt hij, en ik

ga niet nog eens. Dat wordt schrijven dan, noem ik, en geef
een liedje door van die middag, hij appt ons hart.

een heel gedienstig meisje

Tegenwoordig vertel ik hem niet meer dat ik over hem droom
zoals ik verzwijg dat ik hem verlang of mis of

nooit meer binnenlaat, toevertrouw, deel of hoger stel dan menig
ander. Hij is er ook bijna niet. Onderweg kom

ik hem nauwelijks tegen, er lijken altijd kuilen, olifanten of ander
ongemak en de regen snijdt hard mijn pas af.

Een enkele keer voel ik me welkom, toch kom ik nooit aan het
onderwerp toe tenzij dus in het begin van de avond

als ik volzinnen bouw en handgebaren, mijn benen zelfs open en
mijn hand leid, mijn hoofd buig en mijn haren

langer maak. Slapen doe ik eerst na die nachtelijke kennismaking.
In de ochtend zijn er nog vage plannen over, weet

je nog hoe ik, hoe wij dan, maar nu kruipt de storm door de kieren
en brult er een panter op de hoek van de straat.

op hoge lussen van een letter

Mevrouw K. die ook schrijven kon en in al haar roze
zachtheid is blijven steken, licht nasnikkend

en handen wrijvend, zal nooit meer bedanken voor mijn
stem. De plastic bloemen die aan de zijkanten

van haar rollator hingen, bungelen nu aan die van de heer
B. die niet gedacht had, zo zegt hij me,

zoveel van iemand te hebben kunnen houden, zo aan dit
einde van de rit. Ik mag gerust Kees zeggen

nu. Ik had zo geoefend op uw naam, zeg ik, ik op de
jouwe, zegt hij, en noemt me Sandra.

Vorig jaar stond ik op de zijkant van zijn hand; de pen
noteerde tevens de aantallen luisteraars terwijl

zij uit haar hoofd het versje uit haar jeugd citeerde: God
zou haar thuisbrengen, alleen wist ze niet wanneer.

ze weten zondermeer wat er speelt

Bij de huizen die ik passeer, zie ik mijn eigen adem nog kringelen
uit het badkamerraampje samen met de rook uit het

gestookte hout, de stoom van het troostende bad, de warmte van
een levenslange liefde; de geluiden uit de keuken

klinken nog, de geuren hangen blijvend in de voegen alsook de
misverstanden, verwijten, wensen, het speeksel, zaad,

het tranenvocht. Opgenomen door de tijd geeft ze nu pas betekenis
aan al die landverhuizingen, constructies, medestanders,

deze herinnering alsof het gisteren was. Tegelijk met het orgelspel
uit de kerk die ik passeer, hoor ik deuren slaan, het

getrippel van kattenpoten op de trap, de claxon van mijn vader als
teken van vertrek, vragen uit een naburig huis.

Er is een kind dat buiten wil spelen. Ook zie ik mezelf vergeefs
aanbellen bij mijn eigen voordeur om te smeken of zij mag.

kiekeboe

Nederland ligt maar een wijzend jongenshandje weg, net
onder het thuisland van de stinky mouse, de

gesprekken via Skype is televisie on demand, mijn tekeningen
die hij eerst zachtjes van mijn lijf af wil vegen

zijn stickers die hij later vanaf het raam trekt en op zijn armen
plakt en alles is een cadeautje dat hij deelt

met de slapende, fronsende broer die zich laat wiegen in de
voorbijkomende familieleden, ach het is –

zo zou de grootvader zeggen op de terugreis – typisch iets
voor jou dit zo te benoemen. Hij puft kleine

wolkjes stoom boven de toxic air uit terwijl we elkaar volgen,
een onverzettelijkheid die vanzelfsprekend is.

Echt iets voor jou, denk ik maar ik zeg het niet. We verdwalen
namelijk niet en rechtdoor is vooral vooruit.

die gouden toekomst

Verlegen zal hij zich verstoppen tussen deurpost en kapstok,
tussen speelgoed en boekjes, dierfiguren op het venster,

achter zijn broertje, zijn moeder, de wagen in de gang, zijn
handjes, ik zal vanuit het zwarte scherm

stappen en opeens kiekeboe roepen en pas op de grond, naast
de zojuist aangelegde spoorlijn, aanraakbaar zijn en

echt. Dan zal hij mijn naam noemen en combinaties maken
met banaan, baby en het mannelijk gezelschap dat

eveneens over de grond kruipt en stoomgeluiden maakt, de
trein vertrekt, er zijn heuvels waarover en tunnels

waaronder door en bij zekere aankomst wordt er gekust, lippen
tuitend, en gegiecheld, zeven plastic kippen

naast de overgang, broodkruimels op de wissel. Daarna lezen
we, verslaan monsters en meten onze neuzen.

(de komende dagen zijn wij overzee)

een onbeantwoord verleden

Pas als het een titel heeft, een naam waaronder iedereen het
kan noemen, het liefst met een plaatje erbij, een

vorm die iedereen kan aanraken, kneden of koesteren, bestaat
het. Eerst als je het hardop zegt, wel of niet in

gezelschap, is het een feit, iets om rekening mee te houden of
iets dat juist genegeerd moet, je kunt

altijd doen of je doof bent. Door de telefoon vraag ik hem het
te herhalen, ik schrijf het op maar mijn handschrift

verandert terwijl ik ernaar kijk en als ik het teruglezen wil, weet
ik het niet zeker, wat is dat derde woord terwijl

een andere keer het boek al in mijn hand ligt, de wind het open
bladert en alles als een mantra en vooral

onderweg herhaald wordt: dat er niets was om bang voor te zijn
omdat het nu een bestemming heeft.

poses en posities

De vragen die hij heeft en het gebrek aan medestanders stuurt hij
mee met zijn laatste beelden waarbij het onduidelijk is

of ik moet inkleuren, bijstellen, het tempo vertragen of gewoon
plaatsnemen in het publiek, op het puntje van mijn stoel.

Beide zaken liggen in een onbeantwoord verleden, een kind moet
een ouder hebben dat hem bij de hand neemt en

geruststelt, met een vinger wijzend naar de lucht om ons heen en
daarboven en desnoods verzint dat er altijd over

en voor hem gewaakt wordt, niet dat hij dat geloven zou. Zoveel
is duidelijk: er was nooit een voorbeeld, nooit

die hand, niet die troostende uitkomst op een probleem en waar
zouden we allemaal blijven, tenslotte, uiteindelijk,

zoals een kind weet dat het nooit past, daarboven en met ons allen
en een tijger nooit toelaat ernaast te liggen en te slapen.

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑