Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: onderweg (page 1 of 26)

een in beweging

Met de houten breinaaldenkokers van mijn moeder, versierd met
bloemen en bladeren en symbolen uit een andere tijd,

loop ik te sjouwen over de straten van een verpauperde stad, klim
over mensen, brandnetels, lappen, huisraad en straten

en kom uit in een betonnen en ondergronds station. Onduidelijk
is waar ik naar toe ga en waarom ik alle breinaalden

gekregen heb. Vroeger deden we het grapje dat we een breinaald
in onze mouw staken, precies onder onze oksel, alsof

we onszelf doorboorden; ook kon je mikado spelen met reuze
attributen. In ieder geval werd iedereen nerveus van

de snelheid waarmee mijn moeder en ik met de pennen tikten, ook
al zaten wij rustig op het leer in de huiskamer.

Misschien ben ik onderweg daar naar toe, naar haar koele wangen
en onverdroten ijver en dat zachte breigoed in haar schoot.

een geheime voorraad

Een man in de stiltecoupé vraagt hoe of dat nou voelt en een
onzichtbare maar duidelijk aanwezige vrouw

antwoordt nauwgezet, bovendien is iedereen met die vraag bezig,
lijkt het, het gonst en krioelt van ongewenste

intimiteit en het uitzicht, een hangende regen boven industrie en
verlaten beesten, wordt erdoor beperkt. Met ogen

dicht kom ik niet verder. In dit kleine vertrek voel ik me de jongste,
een indringer ook, er is een enkel meisje dat

met minirok bruine dijen toont terwijl ze kauwend op de maat van
muziek uit haar koptelefoon over haar mobiel scrolt, de

overigen zijn samen op pad, delen het proviand na de eerste bocht,
het routeplan op schoot, een in beweging en

uiterlijk, het regenpak puilt uit de tas, de voorzichtigheid is dezelfde
als van de buren, een echt antwoord is het niet.

dat bijna te lang durend moment

Het was beslist geen zweven, toch zat er even uitstel in de
beweging alsof inderdaad nagedacht was of moest

worden, de handen geplaatst konden en het gezicht afgewend
en de ogen gesloten, dat vooral. Van te voren

leek er een lasso geworpen om de benen, de rest nog vrij maar
niet meer in staat tot, en alles kwam met een

enorme klap zo onder mijn raam terecht terwijl toch gewoon
de voordeur genomen was, keurig afgesloten.

Een man kwam aanfietsen en zei dat ze niets aan hem had, hij
bleef staan zonder af te stappen en had het over

gebrek aan diploma’s maar ze kon beter haar broek uitdoen,
dat wist hij wel. Zou u denken, zei ze nog, verlegen

met de situatie. Ze was al opgestaan, controleerde in gedachten
alle onderdelen en groette hem. Ze fladderde.

zo goed als echt nagemaakt

Ik hoorde de stem van de dichter des vaderlands door de intercom
in de treincoupé, met daarin het lichte heimwee

naar mijn moeders heitelân en de vertraging die hij langzaam, als
was het vanwege een smorende hitte of

weloverwogen bedoeling, ons uitlegde waarbij hij zelfs tamelijk
geruststellend klonk terwijl het toch om een

aanrijding met een persoon ging en wij alleen het weiland zagen
met daarin de koeien die achter elkaar het pad

namen, staarten zwiepend over vieze poten, op weg naar een
dagelijkse vrijheid die zomaar aansloot bij de

gebeurtenis. Zo’n man, dacht ik nog, moet natuurlijk gewoon iets
bijverdienen, wie zit er nog op hem te wachten

en zomaar verlangde ik naar mijn mamma als medepassagier die
met gulle hand een snoepje uit haar tas zou toveren.

de staat van poëzie

Het was alsof iemand in haar nek hijgde en bijna toe zou slaan,
ze zou ongetwijfeld verslonden worden en dan

uitgespuugd in het water belanden, ze liep midden op de brug,
in de bocht kwam een rondvaartboot heel

langzaam tevoorschijn, kinderen in een rubberen bootje met
peddels die sloegen op de bijna witte golfjes,

een hond die schudde met zijn vacht, pratende en etende mensen
aan de waterkant, uitgestrekt en vrolijk terwijl zij,

ze durfde even opzij te kijken en zag niets en dus was er niets,
toch versnelde ze haar pas, hield haar tas alsof

ze daarmee elke vijand zou kunnen neerslaan en merkte toen
dat het piepende, zuchtende, steunende geklaag

vanaf de straat kwam waar de auto’s in een file stonden met
opengedraaide ramen en de zon blikkerend op het dak.

blote tenen die nauwelijks wiebelen

Alle tijden had ze opgeschreven, alles in tweevoud. Het briefje
stak nog uit haar linker jaszak terwijl de kopie

in haar handen wapperde, ze keek er voortdurend op. Zodra
echter de trein met vijf en toen tien en

uiteindelijk zestien minuten te laat op het eerste station binnen
kwam, leek niets meer te kloppen, ze frommelde

het ene briefje in elkaar en liet de ander als bewijs van haar
poging zitten. Haar buurvrouw zei dat het altijd

zo ging en mopperde luid. De helft van de reizigers deed dat,
de andere helft deed niets. Het alternatief

van alles lag in hun handen, ze sleepten, krasten, wuifden en
lachten op en naar hun schermpje, stonden

eensgezind op voor de uitgang en zagen niet het weiland aan
hun voeten in plaats van de platgetreden stad.

zeker niet in een bepaalde toestand

In het natte land de natte paarden, hoofden bij elkaar, licht
huiverend de flanken, het groen dieper van kleur,

de sloten donkerder, borrelend bijna van nieuwe inhoud,
de trein snijdt het laatste weiland, gretig als

de wind die raast over de schuren, de daken optilt en laat
vallen. Verderop wacht in groepjes de mens

onder de hellende gevels, tegen de muren, benen bij elkaar,
kleding fel of vergeten, sissend tegen

elkaar of de lucht terwijl de straten glimmen, leeg nu op de
voorovergebogen fietser na die met natte handen

het stuur probeert te houden, ledematen zwaar van het vocht,
verkild en langzaam. Alles verlangt de stilte

en de terugkeer van de warmte en die helderheid, nieuw land
dat ruikt naar vroeger en thuis.

de werkelijkheid is de bladzijde

Bij het opstaan zijn mijn knokkels zwart alsof ik nu al typend
door grafiet ben gerold, een ambachtsman die tussen

rook en zware geluiden zijn dag begint. Ik veeg mijn handen
aan elkaar af en verzin het gruis. Zo

liggen er bij hem op tafel oorbellen terwijl er geen vrouw was,
niemand die bewijzen moest dat ze de eerste was

van die dag, en raad ik hem goed te zoeken onder de bank, er
zal een lijk liggen misschien. Het kofferdeksel

van de groene Citroen is ondertussen onvindbaar terwijl het
zojuist nog aan de auto hing, open voor

vertrek en vakantiebestemming, een iets te jeugdige bestuurder
kruipt voor me over de route. In een droom

trok er een optocht voorbij het huis en frituurde ik vellen deeg,
wachtend tot ik zwaaien kon naar een bekende.

zodat je tenslotte zou knipogen

Dat wat je ruikt, zegt hij, is niet de zee maar de plek waar het
water het land raakt, zo is dat met bepaalde grenzen, getijden,
stromingen ook. En mensen, denk ik of

handelingen. Zoals altijd heeft hij meer woorden nodig voor
hetzelfde en ik ben een goede luisteraar. Ik zeg iets soortgelijks
in een regel of veertien, je herhaalt je,

zegt hij, er is niets mis met mijn orde, beweer ik dan, en je had
het over de zee, ga verder. Soms valt hij stil, raakt met zijn teen
het water en voelt de temperatuur of voert met

schoolslag en sterke beenspieren de wedstrijd op. Het is geen
krachtmeting, zegt hij, om dan toch te winnen, iedere keer weer.
Terugkomen op die grens is om zich heen kijken en

dan mij veroveren, landinwaarts trekken met zijn leger, opgeheven
zwaard en drift, ik vloei dan over al zijn zinnen heen (en trek mijn
rokken hoog om veilig het zand te bereiken).

in de andere versie

Tegenover mij tikt een jongen traag en vele malen verschillende
punten van zijn lichaam aan, alsof hij een kruis slaat

met niet eerder gekende onderdelen, een lijf heeft dat hij eerst nu
bemerkt, een gebed dat alleen voor hem

geldt of een oefening in concentratie zodat alles dat hierna komt
eenvoudiger wordt of beloond met resultaat.

Pas daarna neemt hij een slok uit de beker koffie waarvan hij het
deksel al heeft weggegooid. Ik denk aan

springen op alleen de zwarte strepen van de zebra of hoe de eerste
koffie het lekkerst smaakte na de kerkgang,

vroeger en in hoeverre zijn buurvrouw niet hetzelfde doet: sjaaltje
knopend en weer los, haar achter het oor en weer

voorovervallend, herhalend wat het meest vertrouwd is en of het
niet beter zou zijn een hand te leggen op zijn knie.

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑