Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: onderweg (pagina 1 van 21)

van haar wortels ontdaan

Erger dan de lege plekken zijn de blanco gezichten
die net nog onder je lagen met lachjes en

verhalen. Kom niet bij me met lege handen, zeg niet
dat iedereen hen kent. Pijnlijker dan

verdwenen schuilplekken zijn verdwenen redenen
om te schuilen, groot geworden past

zoveel niet meer. Het komt omdat we op de terugweg
zijn maar wie wilde vertrekken, het

pistoolschot te luid bij het oor en blijkbaar op handen
lopend in plaats van op de voeten. Verhalen

zijn om gerust te stellen dus het is goed dat ze op zijn,
de echte reden is de echte wereld, daar

wil je heus niet blijven. Zonder je om te draaien weet
je de lucht van een doorzichtig blauw.

later kwamen daar de bijzonderheden bij

Als je hem lopend over straat tegen was gekomen, een
kleine jongen nog met uitpuilende broekzakken,

een pleister op de ene knie, losse veters en afzakkende
sokken, krullen ernstig in de war en ogen

van het waterblauwe, onpeilbaar diep water waarin
zwarte beesten allang verdronken waren, en

je afvroeg waar zijn moeder was en of hij geen vriendjes
had of wat het was dat hij verzamelde en

schatten noemde dat daar zo in zijn zijden gekoesterd
werd en of hij wel genoeg te eten kreeg, en op

gelijke hoogte met hem, zijn sproetjes tellend, bezorgd
hem dan staande hield, zei hij dat hij

uit Amsterdam kwam en vergat hij moedwillig de vier
straten achter hem en wist zeker zijn bestemming.

en dus staat ze daar nog altijd  

Beheerde ik eerst alleen maar zijn tijd en de personen
die erin voorkwamen, alsof ik bij de ingang van

de bus kinderen telde die later op de grond lagen en
deden alsof er geen thuiskomst was, pleisters

uitdelend met rode viltstift markeringen, giechels in
broeiende hitte, later kwamen daar de

bijzonderheden bij, de attracties als het ware. Ik zette
alles in een rij en maande tot geduld, er

waren ijsjes uit te delen met een dun laagje chocola,
op elke vraag een antwoord. Nu sta ik

aan de kant van de weg en tuur de route af, ik heb de
bomen verwijderd, rood-witte vlaggetjes

verhangen, de zon achter een wolkje verschoven, de
stenen geteld, het zwaaien begint.

een optelsom van wat we hadden kunnen doen

Een vreemde op straat die me zegt voorzichtig te doen
komt dichter bij me dan de vriend die

achter me schuifelend beweert voor me te zorgen. U ook,
antwoord ik en zomaar ben ik bekender

en geliefder dan tevoren. Zo was de oude dichter die
zijn ogen tot spleetjes kneep alvorens hij

mij herkende en groette, vriendelijker dan het liefje dat
in mijn nek beet. Was u mij vergeten, zeg

ik de eerste terwijl het kleine gilletje bij de tweede met
veel minder plezier vergezeld ging en van

geheugenverlies geen sprake was. Dan zwaait mijn kleine
broertje die opeens in familielijn opgeschoven

helemaal niet meer op mij lijkt en de buurman voor laat
gaan. Jij hier, vraagt deze en adopteert mij terstond.

terwijl hij zijn benen over de rand van het enorme bed gooide

Vroeger kon ik weglopen, met vaste tred en dansende
haren, en niet omkijken terwijl ik wist hoe

hij daar stond en keek tot ik opgelost was in de straat,
verdwenen met eenzelfde verlangen. Nu

ik hem niet meer bezoek, kan ik ook niet vertrekken,
geen grapjes over hoe de treinen niet

meer rijden, de kat van honger omgekomen, kinderen
verwaarloosd en een moeder reeds in

het andere land. Er zijn alleen nog berichten over de
andere route die ik kan nemen, tijden in de

toekomst of hoe hij een keer deze kant opkomt, heus,
en dat alles meeneemt dat ik vergeten ben,

vragen over dichte deuren, een optelsom van wat we
hadden kunnen doen, terwijl het bed al open ligt.

iemand neuriet

Het was heel simpel geweest, je parkeert je auto aan
het water, loopt om de kerk heen, volgt

het aandoenlijk scheef bordje met pijl en hoort het
geroezemoes van een groepje mensen

op dezelfde plek, de tuin is open, er klinkt muziek,
kunst in de perken en nog een boom om

achter te verschuilen. Ze zou daar op het stoepje zitten,
tas tussen haar benen, haar werk opgerold

in haar handen, wachtend tot haar naam klonk, je had
niet eens hoeven applaudisseren na afloop.

Je had je nuttig gemaakt: wat plastic bekertjes bijeen
geraapt, een foto of twee met

rechte horizon, een groet hier en daar en met een blik
op de kerk had je je auto weer teruggevonden.

de inhoud van zijn heimwee

Er zijn opmerkingen over zomeravonden en de geur van
het weiland, aardbeien die ze stal die

vlekken maakten in haar handen, er zijn kreten over het
hete asfalt van zijn stad, haar schoenen klepperend

over de bruggen, ze is niet gebleven, zij zijn niet gebleven.
Er zijn versjes waarin hij terugkomt, hij

draait zich om en om, verwart zich in de dekens, haar, hen,
voelt hoe ze op hem klimt, wat heb je aan

liedjes als je ze niet kunt zingen, iemand neuriet, hij heeft
last van zoemende muggen die met

de warmte paren, ziet opeens het rood tussen haar vingers. Er
zijn vragen die hij zich nooit stelde, besluiten

die hij nooit nam, opeens is de tijd stil blijven staan op dat
ene beeld dat doorbrandt en ratelt, die hitte toen.

hoe laat er morgen gespeeld wordt

Hij viert het leven, vanmiddag, zegt hij, tussen vijf en
acht, en als ik ook kom hoef ik geen bevestiging

te sturen, er zijn is voldoende. Een laatste keer had hij
nog andere plannen, ik moest niet schrikken

maar omdat ik dat niet deed, ik knikte slechts, mag ik
erbij zijn. Volgens mij is er weinig verschil tussen

beide gebeurtenissen, alleen is het nu zomer en hangt
hij buiten lampions op en wiegen er zacht

reuze paraplu’s in verschillende kleuren. Hij zal zich
uit de keuken toveren en mij kleine hapjes

voeren, de wijn heeft nu ijsblokjes en insecten krioelen
uit protest aan onze voet, hij neuriet opnieuw

en ook zomaar dampen zijn ogen. Dit keer zal ik bloemen
meenemen, groot en roze en bijna open.

hij kan nu eenmaal niet alles

Van heel ver kom ik vanmorgen, vanuit drie rondes om
een kerk, vanuit de woestijn en veertig dagen

lopen, vallend vanaf een berg, uit zijn armen, ergens waar
ik eerder was, lang niet gezien. Even ook

weet ik niet wie ik onderweg gesproken heb, misschien
heb ik aan een glas geroken en een inhoud tot

me genomen die niet voor mij bestemd was, is het mijn
hoofd dat in het zand rolde. Dat allemaal

nog binnen de tijd; ik sla mijn benen over de rand en sta
in het water, kijk naar de voorbije minuten, tel

de komende, hijs me in mijn houding, het haar hangt
tenslotte aan iets waarin ogen en mond opnieuw

registreren en de handen doen wat ze kunnen: openslaan,
licht beroeren, zacht bewegen, terughalen.

bloemenschikken in een vaas

Er is een dichter die zegt ‘laat me eens naar je kijken’
alsof ik een afspraakje ben zonder naam, een

eersteling in een rij mogelijke kandidaten voor een
droomeiland in de zon, een oplossing,

het probleem onvergeeflijk, een bijzonder exemplaar
vervolgens waaraan mijn moeder het woord

‘apart’ koppelt zoals ze dat bij elk gerecht en elke
creatie deed, ik draai nog net niet op

mijn tenen rond maar ik lach wel zoals men van mij
verlangt. ‘Hmmm’ zegt de dichter, ‘daar

ben je dan’ en opnieuw is het alsof ik in het schap lag
en afgeprijsd mijn waarde bewijs, alleen

voor mannen misschien, in een ander shirtje wellicht,
tegen de ochtend en voordat ik buk.

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑