Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: onderweg (page 1 of 24)

kijk haar eens wachten

Op de moedige poging tegen de laatste windvlagen in het park
te bereiken met daarin de gewenste ruimte voor kind

en verliefd paar, oudere vrouw met hoofd vol snot en gedachten,
wordt de oversteek gehinderd door een breeduit

marcherende, met rookpluimen, angstaanjagende lichtflitsen,
hinderlijke spandoeken en scanderende leuzen, groep

supporters die langs de kinderboerderij naar het stadion trekken
waar vanuit straks de massa galmt en juicht, joelt

en krijst, om na uren, begeleid door de blauwe ME-busjes en
politie te paard dezelfde weg terug te nemen, het

park inmiddels verlaten op de snoodaard na die zijn hond nu
los laat rennen, de poep laat liggen zoals de bal

die vermoedelijk in het verkeerde doel als oorzaak dient voor de
vernielingen aan de rand van haar bestaan.

 

 

dat je eerst iets moest verzinnen

Er bleef een jongetje staan in een plas vanmorgen, een regenpakje
en laarsjes en een onverzettelijkheid die zijn moeder,

verder op de hoek met een ingepakte kinderwagen, tot razernij
bracht. Ze ging hem niet halen maar schreeuwde

terwijl hij met zijn ene voet cirkeltjes trok boven het water, het
was alsof alle schatten van de zee daar lagen, hij

zag een zeepaardje en een bijzondere schelp, een kwal misschien
en een kwijtgeraakt kettinkje en droomde van reizen en

heel ver weg zijn, verder dan die hoek die zijn moeder inmiddels
verlaten had voor een volgende. Heel aarzelend

verzette hij een been en toen nog een, zij vloekte nu maar bleef
staan en reed de wagen doelloos heen en weer.

Gelukkig was er geen sleurende arm, geen kletsende hand of ander
machtsvertoon, alleen een verloren toekomstbeeld.

zijn opsomming werd steeds luider

Onderweg de velden, kale akkers nog waarover een zilveren
laagje, een waas van vroegte en regen, een molen

in de verte, de rij knotwilgen langs de sloot, automobilisten
bij het stoplicht, scholieren met jassen los die

moeiteloos inhalen, geen gesprek verliezen, zich omdraaien
naar elkaar, terwijl dat

voorovergebogen figuurtje met de ogen toegeknepen foto’s
maakt en uitgeputte bewegingen, slingerend.

Dan de eerste rotonde, de tweede, afslaan naar rechts, oversteken,
een stukje lopen, zwarte hopen daar in het land,

vogels erboven, het hek open, een zwaaiende hand, bekers met
koffie. Het nieuwe schilderij aan zijn wand een

samenvatting van alles dat ik langs de weg trof maar met licht
nu, stroperig geel en dunne schaduwlijnen.

haar eigen stem

Op een bankje in de drukke winkelstraat ligt een vel papier op
zijn knieën en reciteert een man in geel regenpak met

rugtas tussen zijn benen ons en zichzelf de goede boodschap,
ik herhaal het als ik mijn rondes maak. Ik keek

op de keurig in blokletters geschreven melding, honderd zinnen
onder elkaar, ik passeerde hem tot

aanraken toe, dacht aan wat er in die rugtas zou zitten en of hij
kwaad kon, die man. Het regende niet meer.

Zijn opsomming werd steeds luider terwijl hij op het blad bleef
kijken, het had toch meer indruk gemaakt als

hij staande op de hoek bij de bloemenstal en de koffietent, met
armen wijd en uit zijn hoofd, stralend en

naar ons gericht, zijn waarheid declameerde, nu moest hij vooral
zichzelf overtuigen. ‘Wij zijn gered door God’,  zei hij.

helemaal in mij

Ben je alleen, vraagt hij en ruikt aan mijn haar, ik kan geen
antwoord verzinnen. Bij het opstaan en mij

formeel een hand geven had ik hetzelfde kunnen vragen of
het overbekende of alles goed was maar rechts

van hem zit zij en haar hand blijft om haar theeglas plakken
en ik had alle clichés willen vermijden dus

liet ik hen zitten en liep door naar achteren, bestelde mijn
ochtendkoffie en pakte de krant. Er was alleen

nog maar mijn rug, toevallig in de buurt van de toiletten. Hij
moest heel nodig blijkbaar. Bij het wetenschapskatern

dook hij opeens ergens tussen mijn hals en dat haar en vroeg
wat hij al wist. Het was maar heel even en ik kon

het net zo goed verzonnen hebben. Ik had de druppel gebruikt
die op de bodem van zijn flesje parfum lag.

de dag leeg als de datum

De trein volgt een fietser in het witte landschap, een rode
streep over zijn shirt zoals een boom scheef

langs een magere sloot, de lucht weinig helder, een kleine
opening boven het water, verder niets. Soms

kun je een heel eind reizen zonder daadwerkelijk aan te
komen, uit te stappen, zoals je

de camera ronddraaiend, tollend om je as, niets kunt zien
op de foto’s die je neemt. Van het ene

compartiment in het andere, de stemmen overal hetzelfde,
vermaak, treurnis, geklaag, onzin, heel vaak

onzin, een familiegeschiedenis waarbij gekke oom H. weer
ontsnapt uit zijn tijdelijk verblijf. In plaats van

de beelden die ik had willen zien, zag ik dat razende figuurtje
in wit en rood dat nauwelijks bij te houden was.

het bestaan van engelen

Niets erger dan de verbinding verliezen zonder dag te zeggen,
zonder te zwaaien en kusgeluiden te maken,

zonder bijna tranen in de ogen, zonder wegfloepen van het
beeld, alles naar het midden gezogen en tot

het laatste lichtpuntje even zichtbaar nog. Vergelijkbaar met
het beginnen zonder te schrijven of weg te gaan

zonder dit te melden, de dag leeg als de datum, geen tastbaar
bewijs van aanwezigheid, geen thuiskomst

ook. Het eerste is per ongeluk, te wijten aan de techniek die
elke afstand moet overbruggen, het tweede is

van minder belang zijn, een ochtend waarop je vergeten raakt,
een nonchalance waarmee je de hoek omvliegt,

niemand immers die je nazwaait, nog iets aanbrengt, achterop
springt, zelfs niet je wiel plagerig tegenhoudt.

als de nacht zich herhaalt

Als ik hem in de ochtend vasthoud, mag ik niet loslaten, we
rijden in een trein, we zijn, zegt hij,

nog niet bij een station. Uit zijn oplichtend mobiel komt een
herhalende cadans van spoorgeluiden, zelfs

de fluit van een locomotief, het stampen van de wielen, nu,
zegt hij, gaan we over een brug. Er zijn wat

vage bijgeluiden die hij niet hoort maar ik wel. Ik denk aan
het controleren van de kaartjes en wat

etenswaar in een rieten mandje, drank en een halve worst die
je deelt met de buurman. Hij slaapt. Bij

elke beweging van mij omklemt hij mij, er is nog een hand over,
ik schrijf ermee terwijl ik op zijn rug de zon

teken die er later echt is. Ik zet koffie, doe de gordijnen open,
verover de wereld alvast, hij is nog onderweg.

vragen

Het is heel gek, zegt meneer B. die voorheen mijn naam
nog op de muis van zijn hand had staan, maar

ik heb niet het idee dat ik u ken, misschien dat we eerst wat
kennis moeten maken alvorens ik met u meega.

Nu gaan we nergens naar toe, we zitten halverwege de gang
van het tehuis maar ook deze komt hem niet

bekend voor, ik merk het aan zijn twijfel en wantrouwende
blik, maar eenmaal in de groep die zich

herpakt na iedere bijna dodelijke afloop en nu is uitgebreid
met een miauwende kat waartegen men gewoon

‘kom maar’ zeggen kan zonder dat er iets beweegt, knikt hij
mij beminnelijk toe. Zijn buurman vraagt hij

toestemming mij aanstonds naar huis te brengen, ik leek wat
verloren. Buurman ook, zijn poes wellicht?

iets over die bomen of hoe hoog we nu zitten vandaag

Soms verplaats je jezelf in zijn geheel, niet eens daadwerkelijk
maar in gedachten zoals dromend bij een muziekje

naar keuze, een man naar je hart, soep naar je smaak. Soms ook
neem je jezelf echt op en zit je pas weer

meters verder neer, te wakker om nog iets te wensen, gespitst op
bijgeluiden en vreemde geuren, kleverige handjes

in je nek, flemende stemmen die om ‘de allerlaatste vragen’, keer,
boek, kus, cadeautje. Als je je klein maakt, waai je zo

met ze de hoek om en misschien kom je in een land dat je niet
eerder kende, juist omdat je je ogen open hield.

Vaak ook doe je alsof, je denkt sneller dan je je verplaatst, er blijft
een been achter, een arm houdt vast, trekt zich

tergend langzaam uit, wist je dat ook kleine kevers moeders hebben
die hun pootjes tellen alvorens te slapen?

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑