Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: onderweg (page 1 of 25)

in de andere versie

Tegenover mij tikt een jongen traag en vele malen verschillende
punten van zijn lichaam aan, alsof hij een kruis slaat

met niet eerder gekende onderdelen, een lijf heeft dat hij eerst nu
bemerkt, een gebed dat alleen voor hem

geldt of een oefening in concentratie zodat alles dat hierna komt
eenvoudiger wordt of beloond met resultaat.

Pas daarna neemt hij een slok uit de beker koffie waarvan hij het
deksel al heeft weggegooid. Ik denk aan

springen op alleen de zwarte strepen van de zebra of hoe de eerste
koffie het lekkerst smaakte na de kerkgang,

vroeger en in hoeverre zijn buurvrouw niet hetzelfde doet: sjaaltje
knopend en weer los, haar achter het oor en weer

voorovervallend, herhalend wat het meest vertrouwd is en of het
niet beter zou zijn een hand te leggen op zijn knie.

doelgericht

Alsof het de rode verf is die ik in mijn krullen spoelde, de massa
optilde en zo behoedzaam liggen ging en toch de volgende

ochtend verwachtte de lakens rood te vinden, zo drapeer ik het
lijf rond zijn laatste ingreep, de deken daar

bovenop, en denk aan schaduwen maar dan in kleur en leeglopen
maar dan op een verkeerde manier en de

witte was roze. Ik denk aan de vrouwen die mij hielpen en die
vroegen of ze in mijn verhalen zouden voorkomen

een volgende dag, hun handen sterk en warm, een moederschoot
tegen mijn uitstekend been, als altijd een

zoon daar aan het voeteneind, te jong en te knap om serieus te
worden genomen, en hoe ik hen toeschreef

de hoofdstukken over te slaan om meteen in de dichtste bomenrij
terecht te komen en het blikkerend zonlicht op de afrit.

noodzakelijk

De angst is zo groot als het pad lang is, over het hek, langs de
velden, dwars door de bomenrij. Als er honden

los zijn, wacht men. Er fluiten mensen. Bij het oversteken de
handen in de zakken, de kilte van de gebouwen,

eenmaal binnen strepen over de gangen, wie die niet volgt is
af, iedereen komt ergens. Ook daar bang voor

te zijn. Kleuren van de stoelen bedrieglijk vriendelijk, meisjes
met zangstemmen, mannen met gezag, optelsommen

van cijfers die duizelingwekkend hoog worden, altijd iemand
in slaap, achtergebleven en alleen. Dezelfde

weg terug. Het pad leeg, bij het passeren van de hekken de paarden
zien staan, treurig veraf, een huppeltje bij

de hoeken van het weiland, tussen de vingers een overgebleven
restje vrees, stappen tellend tot de bestemming.

de achterdeur

Overgebleven is een herinnering: steun zoekend tussen de
duizenden op het plein is er geen hand nodig maar de balans
tussen het ene lijf en het andere, zacht

zwiepend van links naar rechts en voor en achter, niet kunnen
zien wat er vooraan gebeurt maar een golfje voelen dat daar
begint en dan langzaam naar achteren schuift,

een knikje van een hoofd, een knieval voor een ander, keurig
opgevangen in het leger van mensen dat ongeordend toch in
het gelid staat en afwacht tot de bazuinen klinken.

Een ijle stem gaat een gil vooraf, iets op rijm weerkaatst een
in haast geroepen verdriet, als plotselinge regenval de handen
boven het hoofd, wiegend bijna en voor even

een geheel, dan weer uit elkaar vallend in de straten rondom,
geef ons twee minuten en we zijn weer weg, niet geroken geur
van bloemen, niet geroken lucht van dood maar

onrust en haast en thuis willen komen en de deur open vinden
en naar binnen rennen en onder de tafel willen schuilen en
niet meer voelen dan dat ene gedeelde moment.

 

Amsterdam, 4 mei 2012

tijd

In het stukje lucht dat overblijft tussen de volle boomtoppen
wisselt zich een zilveren vogel af met de zwarte,

terwijl de witten blijven krijsen op de besmeurde lantaarnpaal,
het licht is in de nacht blijven steken. Ook

daartussen de trotse pluimen van de bloeiende kastanje en ver
beneden de rode kerstkrans van de ene deur die

nog zichtbaar is, alsof de kijker, de lege-lucht-snoever, de
vogelteller, in verwarring gebracht moet en zich de

juiste tijd niet herinnert. Pas als er staande wordt gemeten hoeveel
ruimte er is en we de mooiste auto (een witte

Peugeot 504 met een wiel op een betonblokje) overhouden, weten
we een zomer waarop we in een rivier vaststonden,

dunne slangen schoten onder onze voeten door, bovenlijven waren
ontbloot en de hemel was onbewoond.

bloesem en boerenerf

Even te wachten maar waarop, iets dat buiten het weten om
op de stoep plaatsneemt maar nog niet naar

binnen wil, iets dat fleemt en bedelt maar nooit genoegen
neemt, dat niets dat uit de ruimte opeens bovenop

zit of misschien dat alles dat nooit volledig is, nalaat en zich
afkeert van. Uitstel. De lucht oogt vriendelijk,

dotjes van wolken, vogels onzichtbaar in uitgevouwen bomen,
verdere bewoners afwezig nog, alleen een

stationair draaiende auto drie straten verder. Voordeelaanbiedingen
bij de kassa straks, een stroom toeristen rond onze

enige attractie, een bibliotheekboek klem in de daarvoor gemaakte
gleuf, een kerkklok die teveel slaat, altijd

iemand de weg kwijt, het enige verzet de foute verwijzing naar
het juiste centrum en de gniffel daarna.

eerst als Lola het goedvindt

Tegenover mij overweegt ze haar mogelijkheden, er is er maar
een eigenlijk. Ze draait haar gezicht naar het raam

en staart terwijl haar vingers friemelen aan haar mobiel en soms
trekken aan de kabeltjes in haar schoot. Ter

afwisseling schudt ze af en toe met haar haar van links naar rechts
maar ze weet dat het niet baat, ze blijft hopeloos

onzeker, te laat, ongeschikt en afgeschreven alvorens, ze ziet het
voortdurend in het raam weerspiegeld. Misschien

heeft haar broer vanmorgen bij het ene hapje dat ze nam iets over
gulzigheid gezegd of haar moeder commentaar geleverd

op de scheuren in haar broek die bij haar van boven naar beneden
lopen in plaats van overdwars, misschien plaste de

hond over haar schoen, de dag mislukt voordat ze begon en deze
coupé vol mensen alleen maar grinnikende tegenstanders.

de vlekken oplosbaar

Niet de zee te hoeven noemen meer. Geen grapjes over gebieden
die buiten bereik liggen omdat we niet kunnen zwemmen.

Geen reisjes onder al dat water door, niet opnoemen hoe het Fries
van onze moeder eigenlijk het buitenlands is van

de taal van mijn ene kind, niet de ernst van de kleinzoon waarmee
hij vertaalt, niet wuiven naar de lucht omdat zij

daar vliegt en helemaal niet denken aan hoe zij uit beeld verdwijnt,
nooit meer de haperende telefoonlijn of het vervormen

van haar stem, alles net een seconde later dan zij het uitspreekt. Nooit
meer voorzichtig vragen of er nog meer water

bij komt, bij de wijn dan graag, of huilend van gemis uit het raampje
kijken van de overvolle slangen die vies en krijsend

uit hun holen kronkelen. Voortaan knuffels op mijn schoot en zonen
hijsen op mijn heupen zoals ik dat vroeger deed.

 

 

een keuvelend gesprek

Alleen heel vroeg op straat groet men elkaar, dan is opeens
de buurman van de hoek bereid zijn ogen op te slaan,

de vrouw met de gevaarlijke hond in staat te knikken terwijl
ze hem in bedwang houdt, hij is de meest

enthousiaste begroeter, de man vanuit zijn autodeur tot een
weersvoorspelling genegen en de bakker deelt zijn

geuren vanachter zijn open zaak. Daar of in de wachtkamer
later waar de gapers moe in een tijdschrift

bladeren terwijl ze wachten op het nummer dat ze elkaar niet
gunnen, plastic bekertjes met koffie bibberend

op de leuning, de tas tussen hun voeten, jassen nog aan alsof
het echt maar heel even duurt: deze

kennismaking met de werkelijkheid. Dan trekken ze de sjaal
weer langs hun hals en vergeten de ander.

kijk haar eens wachten

Op de moedige poging tegen de laatste windvlagen in het park
te bereiken met daarin de gewenste ruimte voor kind

en verliefd paar, oudere vrouw met hoofd vol snot en gedachten,
wordt de oversteek gehinderd door een breeduit

marcherende, met rookpluimen, angstaanjagende lichtflitsen,
hinderlijke spandoeken en scanderende leuzen, groep

supporters die langs de kinderboerderij naar het stadion trekken
waar vanuit straks de massa galmt en juicht, joelt

en krijst, om na uren, begeleid door de blauwe ME-busjes en
politie te paard dezelfde weg terug te nemen, het

park inmiddels verlaten op de snoodaard na die zijn hond nu
los laat rennen, de poep laat liggen zoals de bal

die vermoedelijk in het verkeerde doel als oorzaak dient voor de
vernielingen aan de rand van haar bestaan.

 

 

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑