In de verte loopt de enige echte dichter van de stad, degene met de
kasjmieren jas in de winter en de zijden sjaal,

damesondergoed aan de waslijn, harde heupen en warme handen,
de dode poes in de achtertuin en de smaak van

koffie met cognac in zijn mond, dat weten we omdat we zoenden
in het voorportaal, de enige dichter die mijn vader

ontmoette en huilde bij de zoon die aan mijn arm trok, die voorbij
het ouderlijk huis fietste en slechts een keer afstapte,

en hij komt steeds dichterbij, heel rustig en grijs en bijna voornaam,
en ik ruik aan zijn halslijn en leg even mijn hoofd in

zijn colbert voordat hij me groeten kan, weifelend nu omdat iets in
ons veranderd is. Duizend kaartjes zond hij, zonder

postzegel en op kousenvoeten, sluipend rondom, en zomaar wil ik ze
eerst nu beantwoorden, zacht en warm als zijn winterjas.