Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: mannen (pagina 1 van 14)

je kunsten

Ze is gek op aandacht, zegt het vriendje tegen de suppoost
die mijn capriolen in de zachte hut niet

kan zien, maar wel de verwoede pogingen van de fotograaf
mij te laten doen wat hij wil. De een bewaakt de

witte handschoenenbak en de plastic overtrek schoentjes en
eigenlijk ook mij terwijl ik zo aardig kleur bij

de heuvels in het kleinste magisch centrum dat weer in het
grotere in het nog groter hart staat, de ander

richt een niet geheel welwillend oog en vertraagd door de
techniek door een krappe kijkcirkel en klikt.

Mijn lijf glijdt door de tijd en botst tegen de hardere punten
die zich fier oprichten ver beneden dat

hart en omzeilt de wanden die haarzelf begrenzen, de mannen
kletsen erover hoe het resultaat te verkopen.

 

Magisch Centrum Amsterdam, Stedelijk, 14 juli 2018

hoe laat er morgen gespeeld wordt

Hij viert het leven, vanmiddag, zegt hij, tussen vijf en
acht, en als ik ook kom hoef ik geen bevestiging

te sturen, er zijn is voldoende. Een laatste keer had hij
nog andere plannen, ik moest niet schrikken

maar omdat ik dat niet deed, ik knikte slechts, mag ik
erbij zijn. Volgens mij is er weinig verschil tussen

beide gebeurtenissen, alleen is het nu zomer en hangt
hij buiten lampions op en wiegen er zacht

reuze paraplu’s in verschillende kleuren. Hij zal zich
uit de keuken toveren en mij kleine hapjes

voeren, de wijn heeft nu ijsblokjes en insecten krioelen
uit protest aan onze voet, hij neuriet opnieuw

en ook zomaar dampen zijn ogen. Dit keer zal ik bloemen
meenemen, groot en roze en bijna open.

in één kamer

Terug te reizen naar waar het begon, waar de duinenrij
in zee zakte, doperwtjes naast een rand rijst in

een sausje dreven, kleuren verliepen als een oude wond,
je niet wist waaraan je je bezeerd had. Het huis

een bovenwoning in een straat waarin je verdwaalde
eerder, de kat zwart en hoog vanaf een kast

springend, je zus je vriendinnetje, alles een geheim dat
gemakkelijk onthouden kon. Het weer zonnig,

de auto snel, de taal die van een willekeurig toerist, de
geluiden uit een disco langs de snelweg.

Op het toilet een giechelend overleg, de zaak beklonken,
zij de een, ik de ander, zacht doen voor

elkaar, de ramen beslagen, de ochtend misplaatst, de rest
van het leven uiterst volwassen en hongerig.

als eerste bewoner

Maar hij dan, wat doet hij daar, uit welke tijd is hij
gegooid, uit welk onderdeel, welke film, uit

welke foto weggesneden, past zijn hoofd wel op deze
romp, voegt zijn lijf wel in het mijne. Er

is een hapering in handelen, een bijna niet herkennen,
ik word oud blijkbaar, het duurt uren voordat

zijn naam naar boven komt, er drijft witte wijde kleding
bij en een kralensnoer, een rood-wit pakje

sigaretten, hij rookte niet, beweerde hij. Ik geloof niet
dat hij echt leeft. Dagen later hoor ik mijn

moeder giechelen om hem, ze knijpt haar ogen bijna
dicht en leunt naar zijn zijde, o ja, het

lijf paste, er zijn drie foto’s, het hoofd ligt in mijn schoot,
hij moest daar zijn, zegt hij stellig.

bloemenschikken in een vaas

Er is een dichter die zegt ‘laat me eens naar je kijken’
alsof ik een afspraakje ben zonder naam, een

eersteling in een rij mogelijke kandidaten voor een
droomeiland in de zon, een oplossing,

het probleem onvergeeflijk, een bijzonder exemplaar
vervolgens waaraan mijn moeder het woord

‘apart’ koppelt zoals ze dat bij elk gerecht en elke
creatie deed, ik draai nog net niet op

mijn tenen rond maar ik lach wel zoals men van mij
verlangt. ‘Hmmm’ zegt de dichter, ‘daar

ben je dan’ en opnieuw is het alsof ik in het schap lag
en afgeprijsd mijn waarde bewijs, alleen

voor mannen misschien, in een ander shirtje wellicht,
tegen de ochtend en voordat ik buk.

voor vier dagen toe

In mijn slaap hoor ik hem zeggen hoe hij mijn enkels
ruikt, mijn enkels? Mijn met bloemetjes

omgeven nog smalle enkels waarlangs ik veters strik
die met los gebaar mij laten struikelen,

witte onderdelen die ik op tafel kan leggen, kruislings,
zodat hij, een ander, mijn voeten kan pakken,

ruiken? Er was altijd iets dat hij rook: de kwaliteit van
zijn eten, de houdbaarheid van zijn waar,

het zweet onder mijn oksels, de natte strepen uit mijn
lijf, de schaterende poriën, de verbergende

plooien, het teveel aan patchoeli, de zomer in al mijn
haar. Ik verdedig me in de nacht, gooi hem

alles voor de voeten, omklem hem met wurgende dijen
en benoem elk stinkend commentaar van hem.

weet je nog hoe

Opnieuw lag ik op mijn knieën en voor hem en opnieuw
vroeg hij zich af wat ik deed en hoewel hij zich

niet zou verzetten, hoe kon hij ook, hij was verdwenen
door de zijdeur, voetstappen holden nog na,

en even warm was als altijd, zijn hand alleen niet door
mijn haren of even op de schouder als een

uitgestelde klop, zijn vingers niet hakend in mijn hals en
nergens meer de kracht dan uit zijn lendenen,

het gezicht niet langer de grimas van pijn die ik nooit zo
begreep of hoe dood aan hetzelfde gekoppeld werd,

ik, daar, zo nederig gebukt, dacht hij alleen aan hoe hij
met goed fatsoen zijn oponthoud zou

kunnen verklaren aan de eerste belanghebbende partij die
toevallig niet meer zo ver haar mond openen kon.

omkijkend waar of dan toch het gezelschap blijft

Iedereen doet mee, zelfs de knuffels komen tot leven, springen
in mijn fietsmand en rijden mee, stappen uit als hij

dat zegt. Alle kinderen gedragen zich naar zijn wensen, goed,
ze mopperen onderhands en begrijpen niets van

de instructies, dragen kleding in andere kleuren, echte dieren,
kartonnen dozen met planten, praten

nauwelijks, vragen aan mij of dit wel zo moet, mijn nog levende
ouders zitten op klapstoeltjes in

een grasveld, er loopt een spin langs een knuffel die ik water geef,
hij belt voortdurend wijzigingen door, er is een

assistente die ik niet ken en zelf, zegt hij, mag ik niet te veel opvallen.
Het zijn beelden waar ik doodmoe uit opsta,

partijen die allemaal gesust en aangespoord moeten worden, niet
echte situaties die hij vergeefs regisseert.

stelliger dit keer

De klusjes zijn de minnaars van toen, verschillende
werkzaamheden zijn de activiteiten rond

hen, de opdrachten hetzelfde streven naar erkenning
dat ik toen, bedelend veelal, bedong. Ze

liggen stil, gekaderd in een rooster dat op vaste tijden
zucht en gilt, wringt en barst, soms

wisselen ze van plek. Mijn hand dirigeert ze, mijn
mond stuurt ze, er is niet

veel veranderd. Onderling raden ze elkaars bedoeling,
vergaderen zelfs over structuur en nut, maken

mij gek, hangen mij ondersteboven en proberen me te
laten springen, vaak mag ik niet

alles tegelijk en ook niet meer en zeker niet minder en
erover schrijven is echt alleen voor hen.

de figuur naast haar

Een vriendin die het laatste woord had, vindt hem daar.
Door de stad gesneld nadat hij

even niets meer zei. Zijn trap opgestormd, zijn deur los,
zijn lijf uitgewaaierd over tafel. Ik stel

me voor hoe verbaasd hij nog kijkt of misschien nog om
het laatste grapje lacht, hoe mooi eigenlijk

de afwezigheid is van pijn, op die ene minuut na, tergend
afscheid, langgerekt bedoeld om

ons te sparen. Zoals hij reisde, weinig bagage, opeens, de
dag van vandaag altijd morgen. Ook

zitten we weer naast elkaar, het hout donker, de geluiden
gonzend, het glas geheven en beweert hij,

stelliger dit keer, hoe mooi mijn ogen zijn en het leven en
mijn vader en alle keren dat we elkaar zien.

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑