Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: mannen (page 1 of 16)

haar rug draait zich eindelijk

Ik dacht dat je naast me zou gaan zitten, met dat glunderend
gebaar van een opgetogen kind, me zou vragen wie dat allemaal
waren, al die mensen die zo zorgvuldig

op een rij gingen zitten, en waarom. Dat je me aan zou stoten
met een bungelende voet, ze waren veel te groot om ze rustig
te houden, zodra de muziek zou gaan spelen,

waar kwam het geluid vandaan, en je dan om zou draaien en
naar boven zou kijken waar een koor bijna van een balustrade
kieperde en probeerde gelijkstemmig te zijn,

het lukte net niet helemaal, of je zou je hand even op mijn knie
leggen, ik wiebelde misschien uit lichte ergernis. Je zou er gewoon
de hele tijd zijn, zo voelbaar aanwezig en niet,

zoals nu, tussen een erewacht naar buiten gedragen, meteen het
commentaar krijgen dat je zoveel geldingsdrang had en best wel
moeilijk was soms in de omgang, hoe lang kende ik hem?

En ik wou zeggen, lang genoeg of in ieder geval, niet zoals jullie
hem kennen, want dat is wat je denkt als iemand vertrekt die je
nooit eerder uitgezwaaid hebt, alleen binnengehaald.

er was geen sprake van enig vergrijp

Op het moment dat ik aan hem dacht, ging hij dood. Dat heb je
soms. Tussen de stormen in en de regen, dacht ik aan

fietsen en dan op de terugweg, maar ik ging nooit zonder afspraak
en ik had niet gebeld. Ik zou hem mailen, zo sprak

ik met mezelf af. Vanmiddag lagen er twee handgeschreven witte
enveloppen in de brievenbus, dat gebeurt zelden meer.

Kenden we elkaars handschrift eigenlijk? Twee brieven, de een
zei dat hij er niet meer was en of ik afscheid kwam

nemen, losse bloemen graag, de ander zei hee, ik ga er vandoor,
ik heb genoten, ik ben dankbaar, ik zie je in

gedachten, wie je was en wat je als waardevol zag, ik heb het
nagenieten en ik zal mijn tranen de vrije loop laten.

Blijf trouw aan jezelf. Goed, dacht ik eerst, en later waarom heb
ik je niet opgezocht op het moment dat ik aan je dacht.

 

(voor A.)

zijn opsomming werd steeds luider

Onderweg de velden, kale akkers nog waarover een zilveren
laagje, een waas van vroegte en regen, een molen

in de verte, de rij knotwilgen langs de sloot, automobilisten
bij het stoplicht, scholieren met jassen los die

moeiteloos inhalen, geen gesprek verliezen, zich omdraaien
naar elkaar, terwijl dat

voorovergebogen figuurtje met de ogen toegeknepen foto’s
maakt en uitgeputte bewegingen, slingerend.

Dan de eerste rotonde, de tweede, afslaan naar rechts, oversteken,
een stukje lopen, zwarte hopen daar in het land,

vogels erboven, het hek open, een zwaaiende hand, bekers met
koffie. Het nieuwe schilderij aan zijn wand een

samenvatting van alles dat ik langs de weg trof maar met licht
nu, stroperig geel en dunne schaduwlijnen.

helemaal in mij

Ben je alleen, vraagt hij en ruikt aan mijn haar, ik kan geen
antwoord verzinnen. Bij het opstaan en mij

formeel een hand geven had ik hetzelfde kunnen vragen of
het overbekende of alles goed was maar rechts

van hem zit zij en haar hand blijft om haar theeglas plakken
en ik had alle clichés willen vermijden dus

liet ik hen zitten en liep door naar achteren, bestelde mijn
ochtendkoffie en pakte de krant. Er was alleen

nog maar mijn rug, toevallig in de buurt van de toiletten. Hij
moest heel nodig blijkbaar. Bij het wetenschapskatern

dook hij opeens ergens tussen mijn hals en dat haar en vroeg
wat hij al wist. Het was maar heel even en ik kon

het net zo goed verzonnen hebben. Ik had de druppel gebruikt
die op de bodem van zijn flesje parfum lag.

een belofte tot beterschap

De taalvaardigheid die een recensent noemt, is niets meer dan
de poging die ik jaren geleden deed zijn beste en

enige vriend te winnen voor het leven. Eindeloos lang berichtte
ik hem vanaf mijn buik en uit mijn bed de redenen

door te rijden, hij was er bijna, het lijk van zijn vrouw leek nog
op de leren achterbank te liggen van zijn bolide,

de kinderen ontroostbaar plaatjes plakkend op de zijramen, de
tegenliggers tellend, toeterend, ontwijkend, de

bergen hoog, de dalen gevaarlijk daarnaast. Uren praatte ik in
op zijn onwilligheid, zijn hardheid, blinde vlek

en blaffende hond, daar leer je van te schrijven, niets had te maken
met de vorm waarin. Ik was bloot en lag hem te

verlangen, hij was onderweg en wilde niets. Zo ontstond het rijm,
afwezig voor de lezer, slechts een behoefte van mezelf.

een bevroren houding

Het is haar foto, ze heeft hem laten kijken naar een het vogeltje
maar dat vloog blijkbaar de verkeerde kant op, ze

weet niets van rechte horizonnen of andere juiste verhoudingen,
waarschijnlijk lacht ze zelf wat dommig of

steekt haar duim op, nagels puntig en lang en roze. Hij kijkt mij
niet aan, gelukkig ook maar. Ze heeft het

kraagje onder zijn trui omhoog getrokken en toen over de rand
gevouwen zoals ze hem uit een vreselijk verhaal

heeft gered en rechtop heeft gezet, hij was werkelijk in een zeer
slechte staat toen ze hem aantrof maar kijk nu

eens. Allemaal haar werk, ook die belabberde kleurkeuze, die
achtergrond, zelfs die vogel. Ik herinner me dat ik

bovenop hem zat en zijn pupillen donker werden terwijl de rest
vervaagde en tot honderd telde voordat hij kwam.

het snoer lichtjes

Omdat het Kerst is, gaat hij met haar mee naar het zaaltje waar
ze met haar vriendinnen vaak wegdroomt boven

de beelden uit andere verhalen, heel verstandig alleen maar
tussen half drie en vijf, en stelt zich, net zoals zij,

tien minuten voor aanvang in de rij en schuifelt dan voor de
beste plaats langzaam naar boven om ook, nog

voor de aftiteling begint, in het donker zelfs, af te dalen en de
beste plek aan de bar te bemachtigen want het drankje

na afloop is gratis. Het enige wat hij fout doet, is een kort
gesprekje aanknopen met de vrouw naast hem die

heus niet bij haar vriendinnen hoort, ze is zelfs wat ordinair
en er kruipt een tattoo onder haar hals vandaan en

hij lacht om haar, dat kost hem zijn toetje en nog wel een heel
bijzondere want het is Kerst tenslotte, slagroom!

de gewenste positie

Het onderwerp is uitgesleten zoals de handeling, glad als
een steen die te lang onder een miezerend straaltje

water heeft gelegen, met eenzelfde lichte glooiing waarmee
de rug overgaat in de bilpartij. Om te strelen

zo mooi en toch niet meer de begeerte opwekkend die het
vroeger deed. Ze ligt daar maar. Anderen

zien haar eerder, niet dat hij niet kijkt maar op het netvlies
staan voorgangers en niet eens keurig op een

rijtje en wat doet buurvrouw K. daartussen, zijn moeder of
het meisje in de melkwinkel van D., die nu

natuurlijk allang dood is. Alleen die beelden blijven, hij
schat zichzelf veertig of misschien twintig, kijk

hij had nog die enorme krullen en let op dat nonchalante
waarmee hij op haar ligt alsof ze er altijd zou zijn.

met tegenzin

Het weer is te slecht, zei ze, je kunt beter daar blijven terwijl
het koud noch nat was, niets dreigde, de lucht zelfs

bedrieglijk leeg en zij een zomerjurkje droeg waarin nauwelijks
nog de kreukels, ze had alleen maar

het hoofd hoeven uitsteken en door de opening om in de stof
te glijden die dansend langs haar ging. Hij

zei niets. Er zou altijd een waarschuwing volgen zoals moeders
die maken of de man op de radio die waterstanden

opdreunde, filevorming, omleidingen en hoe hoog de maan en
hij zou iedere keer rekening houden met

de temperatuursomslag in haar lijf. Zij nam een vest uit de kast
en deed alsof het herfst was, ze droeg binnenshuis

een muts, ze stapte in laarzen rond alsof de zondvloed gekomen
was terwijl hij op het droge naar de zwaluwen keek.

alleen maar jassen

Denkend dat hij goed voor me is, herhaalt hij dat ik goed
voor mezelf moet zijn, wie doet het anders,

roept hij. Ik dacht nou ja, misschien, jij. Terwijl hij adviseert,
samenvat alvorens ik uitspreek,

onderbreekt alvorens ik durf, lopen de tranen over mijn
wangen, leun ik tegen het

zachte van mijn stoel, donker al, naakt in al mijn zijn, zoveel
herfst buiten, zoveel bladeren onder mijn

slippende hak, zoveel eikels onder de fietsband, wegspringend
ploffend, takjes waar ik schrikkend overheen ga.

Ik loop naar de kapstok, trek mijn jas aan, vochtig nog en
stop bijna mijn blote voeten weer in de laarzen,

durf ik dag te zeggen en weg te gaan, zegt hij dat ik duidelijk
moet zijn in mijn afspraken, alle.

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑