Alsof we met vakantie zijn, de boot in een bocht van een rivier,
straks eieren gaan rapen in een hooiberg en een

gevaarlijke hond op het erf staat, nergens een telefooncel om mijn
moeder te bellen en het eind van de wereld daar aan

de rand van het weiland, we zullen er vanaf vallen met het scheepje
en het wrakhout sieren met bloed, proberen

om hulp te roepen, zon op een heel ander tijdstip en een taal die
we niet kunnen verstaan. Alsof we vrij zijn te doen

wat we willen maar gebonden zijn met het laatste touw van zolder,
hij had eindelijk geleerd knopen te maken, een schipper

van niets, en engelen liggen languit met hun armen te wapperen
boven op de klaver en boterbloemen. Geloven dat je

giechelt of om hulp roept, sowieso moet je niet zeuren met al die
natuur om je heen. Dat zei de kapitein waarschijnlijk.