Het gedicht laten liggen, eigenlijk net zoals mezelf. Niet uitgestrekt
maar op de rechterzij en dan voorzichtig voet voor

voet. En eerst met een oog open en dan twee en dan rondkijken of
het nog dezelfde ruimte is als vannacht.

Met mijn hand willen voelen wat er achterbleef. Dan de eerste regel,
ver van zee, dichtbij huis, een schelp die je opraapt,

een meeuw die over je hoofd scheert, het zand koud. Koffie in het
nog gesloten strandtentje terwijl de keuken zo dichtbij is.

Opstaan zonder alles te bewegen en dan al halverwege zijn zoals een
baby ooit die zich door de vertrekken rolde en

grijnsde. Pas veel later ging lopen en schaterend tuimelde. Nog maar
twee strofen te gaan. Het hoofd nog elders,

de handen ijverig, een bootje in de verte, een mond die zich vormt tot
een kus. Proviand voor een hele week in de kajuit.