Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: kinderen (page 1 of 38)

de gunstigste temperatuur

Soms is er een regenboog in de lucht, vertel ik het scherm
waarachter grote ogen mij volgen, omdat de zon

en de regen er tegelijkertijd zijn, mijn kleinzoon glijdt van
zijn stoel en kijkt door het raam, komt terug

en klimt weer in mijn beeld. Voorlopig zijn er alleen kleuren
in het voorleesboek waaronder beesten uit

de stal in een groen weiland staan, hij schatert als ik andere
namen noem, neeee oma, roept hij. Er is

een ‘wordt vervolgd’, de koe doet alsof hij een olifant is, het
gras is nat, achtereenvolgens wit en weer later

bruin. In de lucht sterren, een maan en dikke vlokken sneeuw,
hij weet waar ik woon maar eerst moet

de koe in de stal, de boer voert haar hooi, dan wijst hij naar
Nederland en zegt geen bye maar doeg.

voordat iemand anders het doet

Er waren altijd andere redenen tot opstaan: pannenkoeken bakkend
om half vijf in de ochtend, tollend van slaap omdat

een kind ploegendienst draaide, fietsen in de steeg terwijl het nog
zwart was buiten en tassen onder de snelbinder met

briefjes en driedubbel gelaagde boterhammen en zoenen nat en
veel opdat alle kinderen op tijd kwamen, drie

lijven tillend op een fiets zodat ik voordat ik werken ging het plein
kon verkennen en het humeur van de leerkracht,

zo vroeg ergens zijn dat er altijd koffie was als de anderen binnen
kwamen, nodig zijn kortom of de gedachte dat ik dat

was, terwijl nu de nacht helder en bijna wit het spiegelende oppervlak
toont van besneeuwde wegen en lege natte velden,

wakker dus verzinnen wij vakanties, logeerpartijen, afwezige derden,
lekke banden; alleen de pannenkoeken blijven.

soms is dat genoeg

Alkmaar, 13 januari 2018

soms is dat genoeg

Hun lange vingers steeds soepeler, hun lijven steeds langer, hun
blik op het scherm gericht of even, vaag bijna, op mij

en in mij, ze kunnen drie dingen tegelijk, zeggen hoe onzeker ik
nog steeds ben, welk level het interessants is en dat

spelen en alles eten dat ik hen voor schuif. Ze kunnen elkaar hard
raken, de een heeft een baard die sneller groeit, de

ander is te blond, de een heeft zojuist een meisje achtergelaten,
de ander wordt door haar aangezet tot protest, met

hem zou niemand ruzie krijgen en bij beiden moet ik op mijn
tenen om in de armen te passen terwijl ze zich

vooroverbuigen. Dat gebaar is nieuw, vroeger stompten ze alleen
op mijn rechterschouder of sloegen die ene arm goedmoedig

in het voorbijgaan op dat kleine moedertje. Ze kunnen loslaten,
dat is het misschien wel, ik nog niet.

de bewoner nog niet thuis

Een vrouw op straat zegt, tegen niemand in het bijzonder,
dat daardoor wel wat dingen losgekomen zijn.

Ik denk aan het bandje van mijn beha dat niet meer wil
sluiten, de opgestapelde producten in de super,

de uiteengescheurde vuilniszakken op het voetbalveldje
hiernaast en herhaal haar uitspraak zodat ik

daar iets mee kan doen. Een auto met rood-wit geblokte
racestreep passeert, meeuwen pikken nog iets

mee van mijn inhoud, een jongen heeft een ijsmuts tot
over zijn ogen. Pijn gedaan, vraagt mijn kleinzoon

bij een botsing aan al zijn autootjes, en kust ze alvorens
ze weer recht te zetten. En dat allemaal zonder

een toehoorder, iemand in het bijzonder zeg maar en met
al die losse dingen om ons heen.

de plek

Of het genoeg is, weten we niet. We kennen onze honger onderweg
maar we stappen zo stevig door dat we nauwelijks toekomen

aan de rijk belegde boterhammen, bovendien heeft alles zich van
plaats verwisselend door onze cadans, er is

alleen nog de knoop in het plastic zakje. Wellicht kijken we niet eens,
er hangt iets over onze rug dat vergroeid lijkt met ons

lijf. Zo schrijven we ook niets over dat wat we zien: we vinden een
kat terug, verwaarloosd en nat, er staat een paard zonder

benen in een omheind veld, de kinderen zijn er maar zijn ze allemaal
van ons en mijn vader wijst wapperend een bocht aan maar

blijft achter. Ik kom langs het ouderlijk huis en kan mijn ene been niet
voor het andere plaatsen, zet mijn eigen beeld stop, er

ratelt iets. Natuurlijk is het genoeg, het is van een hoeveelheid die
ontroert en minuten lang terugkomt, gistend in je buik.

als kind misschien

Mijn zoon vraagt of ik hem goed kende, die dichter die dood
was nu, want we appen waar we waren en ik zei

ik liep over een terrein dat 33 voetbalvelden groot was want
ook dichters gaan dood en hij zei ‘o jee’, nee,

antwoordde ik, hij liet zich niet kennen, alleen in zijn gedichten
dan. Is dat iets goeds of iets verkeerds, vroeg mijn

kind, en ik zei dat het net zoiets was als bij ons. Hij wist zonder
meer wat ik bedoelde. Er is niemand die deelt in

mijn zijn tenzij ik het opschrijf in 7 x 2 regels. Hoe is het daar,
vraag ik, want alle drie kinderen zitten al weken

in het buitenland en hij onderzoekt de levensvatbaarheid van
een relatie. Ik ben al bijna terug, zegt hij, en ik

ga niet nog eens. Dat wordt schrijven dan, noem ik, en geef
een liedje door van die middag, hij appt ons hart.

hij is er ook bijna niet

Van zachte roze klei vouw ik een lapje dat zich als een tong
laat bewegen en duw het tegen een ijswand in

een leeg hol, misschien omdat ik aan het deeg voor het brood
denk en al die andere huishoudelijkheden voor

het winters feest, misschien omdat ik een hertje fotografeerde
dat onder een snoer lichtjes stond in een warme

ruimte, niet levend natuurlijk, en mijn kleinste kind met zijn
vingertje over het scherm gleed terwijl hij met

zijn knuffels in een kring zat en Bingo speelde, had olifant
een wesp op het bordje, ja, dan kreeg hij een

blaadje op de wesp en zo de cirkel rond tot hij weer bij zichzelf
uitkwam, misschien omdat ik de zachte handen hield

van mevrouw K. die van dezelfde kleur waren maar ijskoud
en niet meer bewogen dan daar in die schoot.

in de lucht was niets te zien

Dat je je kind zo kan bewaren, zoals je jezelf soms houdt in
het midden van de nacht, armen om je heen

geslagen, de ene hand houdt vast aan de andere, komt terug
bij de welving van, houdt plooien, vel, herinnering,

warmte, begin, einde. Dat je voor altijd daar wilt zijn, wilt
blijven ook, zonder de illusie of zekerheid, dat

het woord het laatste is, de kleur verdwenen misschien maar
de tekening in tact. Dat het voelbaar is hoe

daar in het hart gekerfd is, het gebed hetzelfde en herhalend,
contouren van een eerder leven, een volgend

bestaan. Dat het daarom gaat, oneindigheid in liefde en totale
overgave, een betekenis die nergens groter

is dan daar, in dat wonder, die bewaarzucht, die kostbaarheid,
die rimpeling in het oppervlak van huid en ziel.

Alkmaar, 13 december, tattoo Saskia Messchendorp

alleen ik

Opdat niemand verdwijnt, liggen we lijf in lijf. Opdat niemand
valt, liggen we wang tegen wang. Om niet

verloren te zijn, houden we elkaars hand. Soms controleren we
de ogen: staan ze wijd open, dan zijn we bang als

een kind, er schuilt iets in het donker dat ons verslindt, zijn ze
gesloten, dan dromen we ons veilig. Vannacht

was mijn jonge ik, getooid met het paarsblauwe haar uit een
opstandige periode, veranderd in mijn moeder

maar haar kon ik rustig laten liggen. Gisteren was het lijf een
uiteengereten versie van mijn dochter terwijl

haar kinderen zachtjes zwaaiden voor het raam van mijn huis
in het dorp dat ooit langer dan een lint zich

kronkelde onder onze voeten. Blijkbaar hield iemand me even
niet zo goed vast, mijn beide handen los, mijn wang koud.

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑