Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: kinderen (page 1 of 40)

thuis willen komen

Hij heeft een hekel aan de vraag maar stelt hem toch, zelfs in het
vertrouwde groepje dat heel zijn leven lang al om hem

hangt, waarin hij opgroeide en uitgroeide tot, en met grapjes en
gekke gezichten ons vermaakte. Hij wil juist niet

die aandacht, zegt hij, maar het is onderdeel van een groeiproces
dat huiswerk beoogt en deze vraag in zich bergt, waar

is hij eigenlijk goed in? Wat vinden wij? De een na de ander wil
het in een mail beantwoorden of mag dat ook op

deze plek? Het piept en schuurt en licht voortdurend op en alleen
dat al is positief, constateert hij. Moet ik het nog

samenvatten? Hij schudt zijn hoofd. Van begin af aan is duidelijk
hoe verliefd ik op hem ben, hoe ik hem koester, hoe

hij mij raakt maar misschien is dat wel verboden, misschien is de
les wel dat het loslaten door de ander noodzakelijk is.

ik ben hem

In de nacht ben ik evenwel de ander. Terwijl ik me zijn neusje
herinner dat in mijn hals zoekt naar de slaap, de

vreemde geluiden buitensluitend, de handjes onder zijn hoofd,
verzin ik me hoe de really big one kwijtraakt in

stad en steeg, waan en wanorde en krijs ik, stil evenwel, om
reactie en thuiskomst en blijven vooral. De

droom is dezelfde, ik moet alle deuren sluiten, de achterdeur
is die van mijn ouders, de tuin erachter een

donker gat, koude nevels stijgen op, ik ben nog maar net op
tijd, een figuur bonkt tegen het glas, ik moet

met mijn lijf duwen om het schuifje naar voren te halen en
dan moet ik nog alle andere deuren doen. Ik

geef instructies aan overige bewoners maar er is niemand, het
huis wordt steeds groter, de kou ook. Zo verlies ik.

boven de weke hals

In de dagen dat hij weg is, ben ik hem. Ik kijk naar mijn wanden
waar ik bloemen trok van houtskool en potlood en hoor

hem roepen ‘daddy, look, it’s a daisy’ en hoop dat hij dan later
tenminste iets van mijn kunsten wil, dat

iets van alles dat ik maakte hem iets doet maken zodat een ander
kan roepen ‘look’, ik stap op zijn kleine voetjes

en verken opnieuw mezelf, zijn grote donkere ogen volgen de
draad onder mijn naald, ‘i want to have it’ zegt hij,

hij zwaait een polsje onder een groen randje met bloemetjes tot
het teveel kriebelt, hij zit op zijn hurken

en duwt met mij de auto’s een tunnel door die we maken van
boeken en doek en als alles instort bouwen we

opnieuw. ‘Don’t worry, granny’, zegt hij maar dat zegt hij ook
tegen de kookwekker, het stelt evenwel meteen gerust.

(er is niet langer een zee tussen ons, wat scheelt als je niet
kunt zwemmen – mijn meisje is met man en zonen weer thuis)

tot honderd zelfs

Alles heeft zijn vaste plek. De boom tikt net tegen het randje
van het raam, het stukje lucht is bijna even groot

als gisteren, de ruimte in mij teruggebracht tot het ene hart,
de wapperarmen, de stoffige knieën, het haar

torende boven de weke hals, buigend veelal, de geluiden tot
nul gereduceerd. O er is een tikkende wasmachine,

een bonkend apparaat dat aftelt tot het einde, een auto met
startproblemen geparkeerd onder de kast, twee

drie filmpjes op het kleine scherm waarin hoge stemmetjes de
holle ruimtes vullen. Terwijl hier gezocht wordt

naar tekenen van verblijf, ontstaat daar een nieuwe orde. Het
stukje lucht is bijna even groot als

de afstand tussen hand en aanraken. Glijdend naar rechts zijn
schaterlach, zwaaiend naar links de mijne.

 

 

niet langer

We hadden monsters in bed, lijken onder de spijlen, stof waarin
sporen van gesleep met doorboorde harten, resten

van organen, bloederige overblijfsels, we bleven nachten wakker
van gefluit en geschreeuw, ranzige partijen met

smerige bijbedoelingen, we boden onderdak aan twijfelachtige
figuren, slapeloze zwervers of harteloze liefjes

of die ene dwalende grote figuur die onderweg zijn handen vouwde
en door de knieën ging en heel soms

droomden we over thuiskomen in het land achter de heuvels of
elders waar maar ruimte was en eten bovendien,

nooit eerder kregen we hier gezelschap van kleine kletsende voetjes,
mollige beentjes en piepkleine handjes die

met gemak in de onze passen of langewimperogen die sluiten tegen
onze wangen en warm ons vertrouwen.

onze enige attractie

 

 

 

 

 

 

  

(ondertussen in de boomhut)

 

onze enige attractie

De boomhut maakt zich klaar voor slingeraapjes, bananenschil
en oergeluiden, test haar stevigheid en veerkracht,

schudt de bladeren rondom nog eens extra op, waarschuwt de
vogels en verbergt haar voorraden. Jij schrijft

bijna dagelijks, zei laatst iemand, over je kinderen maar dat is
helemaal niet zo, dacht ik toen, vergetend dat

liefde en zorg en dat vreselijke loslaten altijd in de regels hangt
zoals nu die schommelende hut en immer de

zorg en aandacht haar – soms tijdelijke – bewoners betreft. Ik
lachte wat. Terwijl mijn kleinzoon vertelt hoe zijn

mamma ook in dat kleine speelgoedautootje was gaan zitten, it
was really, really funny, zie ik onszelf opstapelen

binnen deze muren en ons lanceren naar een volgende wereld,
als we hard genoeg schudden krijgen we immers snelheid.

de vlekken oplosbaar

Niet de zee te hoeven noemen meer. Geen grapjes over gebieden
die buiten bereik liggen omdat we niet kunnen zwemmen.

Geen reisjes onder al dat water door, niet opnoemen hoe het Fries
van onze moeder eigenlijk het buitenlands is van

de taal van mijn ene kind, niet de ernst van de kleinzoon waarmee
hij vertaalt, niet wuiven naar de lucht omdat zij

daar vliegt en helemaal niet denken aan hoe zij uit beeld verdwijnt,
nooit meer de haperende telefoonlijn of het vervormen

van haar stem, alles net een seconde later dan zij het uitspreekt. Nooit
meer voorzichtig vragen of er nog meer water

bij komt, bij de wijn dan graag, of huilend van gemis uit het raampje
kijken van de overvolle slangen die vies en krijsend

uit hun holen kronkelen. Voortaan knuffels op mijn schoot en zonen
hijsen op mijn heupen zoals ik dat vroeger deed.

 

 

alsof het echt maar heel even duurt

In de herhaling zit het ongemak, het verdriet ook. Terwijl hij
net als toen hij een kind was, de zelfgemaakte pizza’s

belegt met geduld en fantasie en vooral heel veel, vormt zich
de aanklacht die dezelfde is die ik mijn vader

oplegde. Wat moet je met een vriend als je een vader nodig hebt?
Een teveel aan liefde vergroot de schade eerst, dan

beperkt zij die. Goedmoedig slaat hij op mijn schouder zoals
hij zijn eten deelt maar ik word steeds kleiner

en niet alleen door zijn torenhoge lengte die hij overigens van
dezelfde man heeft. Gelukkig erft ook

nonchalance en afwezigheid over, een verkeren in de wolken
hierboven bij voorkeur of een honger die altijd

voorlopig weer gestild wordt. Bovendien vergeet hij alles zodra
hij het gedeeld heeft, alleen ik doe dat niet.

en dan dat van die liefde

Amsterdam ligt even in Amerika, dan roept mijn kleinzoon
giechelend vanuit zijn moeders armen nee en

Nederland, onze hoofdstad wordt de zijne en de hele avond
is er alleen dat geweldige nieuws, alle gezinsleden

bellen elkaar en buitelen over elkaar heen en verzinnen lange
tafels waaraan we eten en feesten,

kleffe logeerpartijen, eindeloze voorleesbeurten, aanraken
vooral, het ruiken en voelen van diegenen waar

we het meest van houden. Nieuws gepresenteerd door een
vrolijk kind wordt zoveel groter dan welk

bericht daarvoor. In zijn handje een favoriete auto die door
de lucht zoeft en alvast op mijn schoot belandt,

dansend de haren van zijn moeder die jaren hiervoor uit de
straat galoppeerden, haar rug draait zich eindelijk.

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑