Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: kinderen (page 1 of 39)

dat je eerst iets moest verzinnen

Er bleef een jongetje staan in een plas vanmorgen, een regenpakje
en laarsjes en een onverzettelijkheid die zijn moeder,

verder op de hoek met een ingepakte kinderwagen, tot razernij
bracht. Ze ging hem niet halen maar schreeuwde

terwijl hij met zijn ene voet cirkeltjes trok boven het water, het
was alsof alle schatten van de zee daar lagen, hij

zag een zeepaardje en een bijzondere schelp, een kwal misschien
en een kwijtgeraakt kettinkje en droomde van reizen en

heel ver weg zijn, verder dan die hoek die zijn moeder inmiddels
verlaten had voor een volgende. Heel aarzelend

verzette hij een been en toen nog een, zij vloekte nu maar bleef
staan en reed de wagen doelloos heen en weer.

Gelukkig was er geen sleurende arm, geen kletsende hand of ander
machtsvertoon, alleen een verloren toekomstbeeld.

het effect

De kamer van het waterhuis is uitgetrokken tot een balzaal
die naast mijn oude zilveren bed een slaapplaats heeft voor
mijn jongste en zijn vader, een kinderbedje

waar niemand meer in past. Er volgt een verhaal in een verhaal,
een doos in een doos, een huilen in een droefenis waaraan geen
einde lijkt te komen. Terwijl ik droom loopt

iemand over mijn rug. Ik denk aan een inbreker maar weet
tegelijkertijd hoe absurd dit is, ik gil en mijn vorige man komt
kijken en haalt een konijn van mijn rug, daarna

mijn moeder die zich uitgespreid heeft neergevlijd, gaat dan
zelf daar liggen, bovenop de dekens, en drukt mij zachtjes neer.
Ik weet dat ik droom in die droom en ik hoor

mezelf snikken maar de hele nacht verloopt rustig en behalve
die figuren kom ik niemand tegen, ik slaap tot de ochtend en
weet alleen dat ik ze ontmoet heb en gevoeld.

De morgen is donker van regen en wind, de boomhut knarst,
bijna dek ik de tafel met extra bordjes. Dan vertrek ik in een
blauwe jurk en sluit de deuren zachtjes.

onder dat rechter borstzakje  

Vanuit de kant van het lijf gezucht, gekraak en gesteun, geen
voorjaar maar laatste winterdagen of overwegingen van andere
aard, het opzeggen van een huurcontract of

schuilgaan in een andere substantie. Dat allemaal nadat een
kind meldt dat het misselijk is, liggen blijft, ledematen heeft
die pijnlijk en gezwollen zijn en nee, hij

heeft niet gedronken. Ik fiets met soep en schone lakens dwars
door een opgeluchte mensenmassa die ijsjes likkend achter
elkaar aanhuppelt en foto’s maakt van het

krokusje naast de lantaarnpaal, de poes op het hek, zichzelf en
plant een kusje op een gloeiend voorhoofd. Zijn scherm brandt
nog na, de kamer is verder donker, hij draagt

beslist sokken nog en zijn joggingbroek, zijn krullen uitgezakt,
mijn vingers haken in onwillig gedrag en droefheid, zo moe kun
je worden, zegt hij, van al die sociale contacten.

het bestaan van engelen

Niets erger dan de verbinding verliezen zonder dag te zeggen,
zonder te zwaaien en kusgeluiden te maken,

zonder bijna tranen in de ogen, zonder wegfloepen van het
beeld, alles naar het midden gezogen en tot

het laatste lichtpuntje even zichtbaar nog. Vergelijkbaar met
het beginnen zonder te schrijven of weg te gaan

zonder dit te melden, de dag leeg als de datum, geen tastbaar
bewijs van aanwezigheid, geen thuiskomst

ook. Het eerste is per ongeluk, te wijten aan de techniek die
elke afstand moet overbruggen, het tweede is

van minder belang zijn, een ochtend waarop je vergeten raakt,
een nonchalance waarmee je de hoek omvliegt,

niemand immers die je nazwaait, nog iets aanbrengt, achterop
springt, zelfs niet je wiel plagerig tegenhoudt.

vage bijgeluiden

Zoals mijn moeder in mijn dagboek kon lezen, verregaande
conclusies trok uit mijn gevoeligheden, zo

kunnen mijn kinderen, op datum zelfs, mijn staat van zijn
illustreren met de afleveringen van dit blog.

Kon ik een nieuwe schuilplaats vinden voor haar onrust, zij
weten waar ze me zoeken moeten, kon zij

als tegenmaatregel de frutsels op mijn vensterbank een centimeter
verschuiven, deze verklaren simpelweg niets

te begrijpen. Nu komen ze bijna nooit hier langs maar zoals ze
een bepaald muziekstuk in herinnering brengen met

een bepaalde game, doen ze dat bij een woord en een man, kruipen
tussen mij en de ongelukkige bezoeker, trekken

wat narrig aan zijn lijf en sommeren boze geesten tot verlaten.
Zo heb ik vaker aan hen gedacht dan aan menig ander.

de kras die tien bladzijden verder nog voelbaar is

Dat je een van die fragmenten eruit zou kunnen halen, vastzetten,
bevriezen, in langzame en herhaalde beweging zou

kunnen reproduceren, nu na al die jaren nog, en welke dat dan
zou zijn. Voor alle drie dezelfde intentie en goede

bedoeling, kinderen nog, hangend aan je benen, op je afrennend
als ze je zien, op je schoot slapend of met

knellende armen om je hals, kilometers lang. Bij de een op het
stoeltje voor het aanrecht, zijn tekening onder de

kraan zodat de pappa zou denken dat hij gehuild had, bij de ander
bij de honderdste vraag waaraan te denken zodat

ze slapen kon, op elke krakende traptree naar boven kijkend of
haar ogen al dicht waren, bij de laatste

gehurkt voor de wc pot, armen om zijn knieën, het ene grapje
na het andere, tot hij losliet, alles, zoals ik uiteindelijk.

iets over die bomen of hoe hoog we nu zitten vandaag

Soms verplaats je jezelf in zijn geheel, niet eens daadwerkelijk
maar in gedachten zoals dromend bij een muziekje

naar keuze, een man naar je hart, soep naar je smaak. Soms ook
neem je jezelf echt op en zit je pas weer

meters verder neer, te wakker om nog iets te wensen, gespitst op
bijgeluiden en vreemde geuren, kleverige handjes

in je nek, flemende stemmen die om ‘de allerlaatste vragen’, keer,
boek, kus, cadeautje. Als je je klein maakt, waai je zo

met ze de hoek om en misschien kom je in een land dat je niet
eerder kende, juist omdat je je ogen open hield.

Vaak ook doe je alsof, je denkt sneller dan je je verplaatst, er blijft
een been achter, een arm houdt vast, trekt zich

tergend langzaam uit, wist je dat ook kleine kevers moeders hebben
die hun pootjes tellen alvorens te slapen?

geven slechts door wat anderen winnen

Dat je thuis bent en in je stoel zit en denkt ‘was ik maar thuis’,
zegt hij, of ik dat ook wel eens heb? Ik zie

de kamers van weleer, de hoge witte wanden, maar ook mijn
moeder en haar breiwerk, mijn vader in zijn boeken,

een autotijdschrift, zegt hij nu, er lag altijd een nummer op de
tafel, zaten ze eigenlijk naast elkaar? Of hoe er

nu een witte hond zijn poten legt op onze vensterbank en blaft
naar de voorbijgangers, onze kat flirtte vaak,

er werd getikt tegen het glas, kinderen stonden stil. Dat ik alleen
maar thuis ben bij jou, denk ik dan en hij,

dat hij gerust niet alles zegt, maar in zijn handen tussen ons ligt
het onzegbare en ik heb immers zijn handen vast.

Ja, zeg ik. Zijn haar nog nat en achterover gestreken is hij zowel
mij als mijn ouders, jong en oud, daar en hier.

de gunstigste temperatuur

Soms is er een regenboog in de lucht, vertel ik het scherm
waarachter grote ogen mij volgen, omdat de zon

en de regen er tegelijkertijd zijn, mijn kleinzoon glijdt van
zijn stoel en kijkt door het raam, komt terug

en klimt weer in mijn beeld. Voorlopig zijn er alleen kleuren
in het voorleesboek waaronder beesten uit

de stal in een groen weiland staan, hij schatert als ik andere
namen noem, neeee oma, roept hij. Er is

een ‘wordt vervolgd’, de koe doet alsof hij een olifant is, het
gras is nat, achtereenvolgens wit en weer later

bruin. In de lucht sterren, een maan en dikke vlokken sneeuw,
hij weet waar ik woon maar eerst moet

de koe in de stal, de boer voert haar hooi, dan wijst hij naar
Nederland en zegt geen bye maar doeg.

voordat iemand anders het doet

Er waren altijd andere redenen tot opstaan: pannenkoeken bakkend
om half vijf in de ochtend, tollend van slaap omdat

een kind ploegendienst draaide, fietsen in de steeg terwijl het nog
zwart was buiten en tassen onder de snelbinder met

briefjes en driedubbel gelaagde boterhammen en zoenen nat en
veel opdat alle kinderen op tijd kwamen, drie

lijven tillend op een fiets zodat ik voordat ik werken ging het plein
kon verkennen en het humeur van de leerkracht,

zo vroeg ergens zijn dat er altijd koffie was als de anderen binnen
kwamen, nodig zijn kortom of de gedachte dat ik dat

was, terwijl nu de nacht helder en bijna wit het spiegelende oppervlak
toont van besneeuwde wegen en lege natte velden,

wakker dus verzinnen wij vakanties, logeerpartijen, afwezige derden,
lekke banden; alleen de pannenkoeken blijven.

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑