Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: kinderen (page 1 of 41)

zodat het leek alsof

De eerste vragen betreffen de nazaten die zo liefderijk en vaak
worden opgevangen, wat zijn ze toch leuk en

wat zal ik genieten nu ze in de buurt zijn, wat maakt het mij
jong en hoe goed staat het me. Als tweede

wordt bijna niet meer naar de staat van poëzie gevraagd, niet
meer naar de vanzelfsprekendheid van

het schrijven maar voetstoots wordt aangenomen dat het over
hen gaat nu, veel vaker althans. Een beetje

zoals ik de levens invul van de ouders die ik tegenkom in de
speeltuin en zeker weet welke pappa straks

vergeefs probeert een band met zijn zonen op te bouwen, welk
kind de schoolklas gaat terroriseren, welke

moeder promoveert op het moederschap alleen en welke oma
haar vocabulaire verkleint tot murmelende kooswoordjes.

een jengelend kind

Bovenop de schone, gestreken was twee gehaktballen, nog
dampend, in een plastic zakje met een knoop.

Tussen de overhemden een krantenartikel met opgewekte
strekking, ‘hoe er iets moois kan ontstaan in

een wasserette’, de sokken bij elkaar gezocht en verdeeld
over de hoeken, die met de gaten zal hij missen.

Bij de deur een glas water, geen zin in meer, even een lange
omhelzing, even quality time, even sharen.

Later een melding op het schermpje, iets van excuses en
houden van. Bij de ballen kocht hij iets

gezonds. Ik zeg hetzelfde, niet dat hij de eerste was in drie
dagen die iets tegen me zei of die ik

voelde, wel dat ik een dwaze vrouw geworden was die me
opdrong aan de eerste de beste. Niet, zei hij.

wit nog

Wat is je haar lang geworden, zou ze zeggen en even trekken
aan de onderkant, en ze zou staren naar een bijna

fatale combinatie van rood en oranje of een diep uitgesneden
shirt dat achterstevoren nog iets bedekte, ze

zou ook daar aan gaan trekken, ze zou haar ogen dichtknijpen
en even peinzen en dan over de kinderen beginnen,

waren ze alleen thuis en moest ik reeds de terugweg nemen,
hadden ze zelf inmiddels kinderen, was de

tijd zo snel voorbij gegaan, waarom had ik haar niet eerder
gebeld of was ze hardhorend en had ze nooit

opgenomen. Maar lieverd, zou ik zeggen, en andere koosnamen,
je hebt geen bereik, je bent al jaren heel ver

weg van me, je ging zonder te groeten, de kinderen moesten
huilen, weet je nog, maar ze wist van niets.

 

(In 2014 voltooide ik de gedichtenbundel ‘zij draagt alvast het wit‘,
opgedragen aan mijn mamma. Deze bundel is niet gepubliceerd.)

een nieuw optreden van mij

Hij maakt er een opname van, hoe kwetsbaar ik daar sta en met
mijn armen maai, hoe ik gil en me verzet, niet

hoe er tranen lopen onder de headset door of hoe misselijk ik mijn
evenwicht dreig te verliezen. Het is een spel

tenslotte maar de geluiden zijn niet geruststellend, de kleuren en
pijlen niet en ook mijn verblijf, daar

in die virtuele wereld, omringd door de geblokte ruimte waaraan
geen houvast, geen herkenning, geen route zichtbaar,

is allesbehalve een pleziertje. We houden je voor de gek, zegt hij
maar het is mijn kind, mijn allerkleinste kind die

briljant van de ene oever naar de andere springt en mij nu moet
beschermen in plaats van ik hem en ik moet

kijken wat hij doet zoals bij de torens die hij vroeger blok voor blok
hoger maakte en die – tot mijn verbazing – nooit vielen.

de hoed, de rand

 

Alkmaar, 29 mei 2019, een bank vol zon

de hoed, de rand

Zijn auto staat geparkeerd onder mijn werktafel, zijn hele zijn
in mijn hart, de hand vanzelfsprekend uitgestoken,

zijn hoofdje, neusje, mond tegen de mijne als ik op de hurken
hem vasthoud op het toilet, zijn blote rug

voor mijn beschermende hand, mijn woorden een mantra, een
steeds weer herhalende wens. Het weer is zonnig,

zegt hij, nog steeds in de taal van het verlaten land terwijl hij
speelt met vogeltjes die denkbeeldige kruimels

oppikken, wagens die klemraken in gaten onderweg, de bal die
rinkelt bij het overgooien. De blik op

oneindig als hij zorgvuldig eet en altijd de goedkeurende en
innige geluiden, kleine notities in zijn eerste boek

en vooral de wereld vanaf zijn hoogte chaotisch en vies vinden
tot de vogels fluiten in de achtertuin.

thuis willen komen

Hij heeft een hekel aan de vraag maar stelt hem toch, zelfs in het
vertrouwde groepje dat heel zijn leven lang al om hem

hangt, waarin hij opgroeide en uitgroeide tot, en met grapjes en
gekke gezichten ons vermaakte. Hij wil juist niet

die aandacht, zegt hij, maar het is onderdeel van een groeiproces
dat huiswerk beoogt en deze vraag in zich bergt, waar

is hij eigenlijk goed in? Wat vinden wij? De een na de ander wil
het in een mail beantwoorden of mag dat ook op

deze plek? Het piept en schuurt en licht voortdurend op en alleen
dat al is positief, constateert hij. Moet ik het nog

samenvatten? Hij schudt zijn hoofd. Van begin af aan is duidelijk
hoe verliefd ik op hem ben, hoe ik hem koester, hoe

hij mij raakt maar misschien is dat wel verboden, misschien is de
les wel dat het loslaten door de ander noodzakelijk is.

ik ben hem

In de nacht ben ik evenwel de ander. Terwijl ik me zijn neusje
herinner dat in mijn hals zoekt naar de slaap, de

vreemde geluiden buitensluitend, de handjes onder zijn hoofd,
verzin ik me hoe de really big one kwijtraakt in

stad en steeg, waan en wanorde en krijs ik, stil evenwel, om
reactie en thuiskomst en blijven vooral. De

droom is dezelfde, ik moet alle deuren sluiten, de achterdeur
is die van mijn ouders, de tuin erachter een

donker gat, koude nevels stijgen op, ik ben nog maar net op
tijd, een figuur bonkt tegen het glas, ik moet

met mijn lijf duwen om het schuifje naar voren te halen en
dan moet ik nog alle andere deuren doen. Ik

geef instructies aan overige bewoners maar er is niemand, het
huis wordt steeds groter, de kou ook. Zo verlies ik.

boven de weke hals

In de dagen dat hij weg is, ben ik hem. Ik kijk naar mijn wanden
waar ik bloemen trok van houtskool en potlood en hoor

hem roepen ‘daddy, look, it’s a daisy’ en hoop dat hij dan later
tenminste iets van mijn kunsten wil, dat

iets van alles dat ik maakte hem iets doet maken zodat een ander
kan roepen ‘look’, ik stap op zijn kleine voetjes

en verken opnieuw mezelf, zijn grote donkere ogen volgen de
draad onder mijn naald, ‘i want to have it’ zegt hij,

hij zwaait een polsje onder een groen randje met bloemetjes tot
het teveel kriebelt, hij zit op zijn hurken

en duwt met mij de auto’s een tunnel door die we maken van
boeken en doek en als alles instort bouwen we

opnieuw. ‘Don’t worry, granny’, zegt hij maar dat zegt hij ook
tegen de kookwekker, het stelt evenwel meteen gerust.

(er is niet langer een zee tussen ons, wat scheelt als je niet
kunt zwemmen – mijn meisje is met man en zonen weer thuis)

tot honderd zelfs

Alles heeft zijn vaste plek. De boom tikt net tegen het randje
van het raam, het stukje lucht is bijna even groot

als gisteren, de ruimte in mij teruggebracht tot het ene hart,
de wapperarmen, de stoffige knieën, het haar

torende boven de weke hals, buigend veelal, de geluiden tot
nul gereduceerd. O er is een tikkende wasmachine,

een bonkend apparaat dat aftelt tot het einde, een auto met
startproblemen geparkeerd onder de kast, twee

drie filmpjes op het kleine scherm waarin hoge stemmetjes de
holle ruimtes vullen. Terwijl hier gezocht wordt

naar tekenen van verblijf, ontstaat daar een nieuwe orde. Het
stukje lucht is bijna even groot als

de afstand tussen hand en aanraken. Glijdend naar rechts zijn
schaterlach, zwaaiend naar links de mijne.

 

 

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑