Om hem te begroeten, te zien, vast te houden, te ruiken, moesten we
onder de zee door, uren in een trein, in de overvolle

metro, trappen op en af en dan op onze tenen, en we huilden natuurlijk,
waarom, vraagt hij nu, omdat we zo blij waren,

zeg ik en hij grijnst. Mijn jubileum, zegt hij. En had je cadeautjes mee,
vraagt hij, en natuurlijk, zeg ik. Bij mij ook he,

zegt de ander, bij jou ook, zeg ik. Door het treinraampje starend dacht
ik aan een voorbije liefde en de nieuwe die zou

komen, alles dat ons kon overkomen eigenlijk en keek naar mijn zonen
die zo ongelooflijk groot waren vergeleken met

deze nieuweling en wat onwennig hun armen hielden en hun hoofd schuin
en dan hun zusje dat tussen hen in zat, moe en trots

en blij en hoe ik daar zou blijven, en op de terugweg keken we opnieuw
uit het raam en dachten aan alles dat ons kon overkomen.

L. (8) vandaag, S. (10) morgen.