Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: familie (page 1 of 7)

kinderen nog

Meidje, zegt de een en dat klinkt alsof hij me kent, me vagelijk
troost met iets maar tegelijkertijd als jong en

onervaren weg zet, zo kijkt hij ook naar me: het is heerlijk al
mijn eten maar ik ben een idioot dat ik het hem

voorschotel. Dat terwijl ik niets laat zien verder, ik zorg dat de
gekleurde lijnen over mijn vel niet uit mijn mouwen

kieren, dat mijn borsten niet voorover tuimelen in zijn soep,
dat mijn woorden niet aan de muur hangen en

zeker dat mijn beweringen eigenlijk vragen zijn die hij moet
bevestigen, toch? Ik zou nooit jochie kunnen zeggen.

De ander prik ik in zijn zij, we knipogen, ik sla een bladzijde
open en zomaar vloeit iets blauws en roods uit

mijn shirt, wat is het eigenlijk voor soep, vraagt hij en of hij meer
mag en of ik nog iets gewonnen heb laatst?

niets had te maken met de vorm waarin

In plaats van een prijsje, zegt hij, kun je dit je familie aanbieden.
Hij doelt op een nieuwe compilatie van beelden,

niet op die van feiten. Ik denk aan een vertoning in de werkkamer
waar concentratie en discipline nog hangt maar

de handen voor de ogen zullen worden geslagen of de blik naar
de lege bomen buiten, er is niemand die tussen

de oogharen wil staren naar diegene die ze niet kennen, een volle
en bijna ordinaire verwante die over taboes

spreekt en met wapperende handen de eenzaamheid bestrijdt. Er
zal gevraagd worden om nog een kopje koffie, er

is koek, men geeft elkaar iets anders door, een zekere verlegenheid
en onwil, een misplaatste grap, een vergelijking met

een hemelend gezinslid en iets over die bomen of hoe hoog we nu
zitten vandaag, kijk maar naar die tuimelende vogel.

alleen maar honden

Was het eerst de verwachting, het op je tenen sluipen naar de
kelder waar het eerste gerecht op de trap klaar stond,

de geuren van het huis, het aanslepen van de takken uit de
besneeuwde tuin, het voorzichtig omhooghalen

van het zilveren trompetje uit de van vakjes voorziene doos,
de bolkaarsen in hun houder die morgen dan

voor het eerst mochten branden, en even later het zeker weten,
dat mijn zusje met de mandarijnenschillen het vuur

zou doen spetteren, gillen zou bij de herkenbare en toch zo
creatief gevulde kip, mijn moeder de hele tijd rode

wangen zou houden, je weer per ongeluk leverworst zou zingen
in plaats van de benodigde vredesvorst, is er nu

de nabeschouwing, het ene flakkerende sterretje, de stem die
opnieuw meezingt met het oudste refrein.

alleen op hoogtijdagen

Een van die herinneringen is het opeen gepropt in de Volvo
over een beijzelde weg naar de stad rijden, nacht,

sterren aan de hemel, achter ons een pesterig vriendje dat
probeerde in te halen maar niet deed, mijn

vader nonchalant maar rustig, mijn moeder met gilletjes en
op haar zondags gekleed terwijl wij een lange

broek aan mochten omdat het vroor en de Grote Kerk zou
tochten, zij had haar bontjasje net over haar

billen hangen en haar pumps schraapten over de graven, en
dan de mensen in het heilig ruim waartussen

hinderlijk vaak net die ene klasgenoot op wie ik het hele jaar
in stilte verliefd was, de kaarsen walmden en

dropen en als altijd bezorgde de samenzang niet getoonde
tranen en ergernis, het wachten was op het Amen.

het prachtig rood

Mijn zusje zei bij het lezen van mijn vorige bundel dat het
meegevallen was, de inhoud was niet zo

hinderlijk persoonlijk als zij gedacht had, en het enige dat
haar opgevallen was, bleek de kleur ‘paars’,

dat was het woord dat ze het vaakst geteld had. Het was een
aanwijzing dat ik paars moest gaan dragen, zei ze.

Op mijn toetsenbord is de ‘e’ het meest uitgesleten. Ze zou
het in verband brengen met het groot ego van

de kunstenaar en hoefde niet meer op mijn stoep dat verwijt
te schreeuwen, zelf zocht ik naarstig naar nog

meer woorden met een ‘e’ en deed wat vuilniszakken vol
zwarte kleding weg. Heel fris, zei mijn

lievelingsbroertje, de enige die mijn nieuwe bundel in de kast
had geschoven, toen ik in het lila tegenover hem zat.

kleine snoertjes feestverlichting

Met mijn zusje had ik een optreden vannacht, als je tenminste
het rollen over straat in een jutezak een performance kan
noemen waarbij zij niet geheel vrijwillig of

bewust meedeed aan de act. Ze droeg daarbij geheel overbodig
het prachtig streepkostuum dat ik in de uitverkoop had weggezet
maar nooit had besteld en was behoorlijk

gekrompen. De straat was vol met mensen die raar deden, er
waren gekleurde pionnen die muziek maakten, stippen die sprongen,
er waren glijbanen en tunnels en van gewoon

verkeer was geen sprake, zodat ze echt aan geen enkel gevaar bloot
stond. En ze giechelde en dat is al heel wat gezien het feit dat ze
niets met kunst heeft en niet tegen het groot

vertoon van ego kan, ik bedoel dat alles best goed ging. Er kwam
een moment van stilte waarop ik de zak zelf opende en ons naar
buiten liet waarna we meteen boodschappen

deden in de grootste supermarkt waarin meer vrouwen dat pak
droegen. Ze had geen last van jaloezie, betaalde voor mij en was
van gelijke lengte en opeens een stuk jonger.

kiekeboe

Nederland ligt maar een wijzend jongenshandje weg, net
onder het thuisland van de stinky mouse, de

gesprekken via Skype is televisie on demand, mijn tekeningen
die hij eerst zachtjes van mijn lijf af wil vegen

zijn stickers die hij later vanaf het raam trekt en op zijn armen
plakt en alles is een cadeautje dat hij deelt

met de slapende, fronsende broer die zich laat wiegen in de
voorbijkomende familieleden, ach het is –

zo zou de grootvader zeggen op de terugreis – typisch iets
voor jou dit zo te benoemen. Hij puft kleine

wolkjes stoom boven de toxic air uit terwijl we elkaar volgen,
een onverzettelijkheid die vanzelfsprekend is.

Echt iets voor jou, denk ik maar ik zeg het niet. We verdwalen
namelijk niet en rechtdoor is vooral vooruit.

die gouden toekomst

Verlegen zal hij zich verstoppen tussen deurpost en kapstok,
tussen speelgoed en boekjes, dierfiguren op het venster,

achter zijn broertje, zijn moeder, de wagen in de gang, zijn
handjes, ik zal vanuit het zwarte scherm

stappen en opeens kiekeboe roepen en pas op de grond, naast
de zojuist aangelegde spoorlijn, aanraakbaar zijn en

echt. Dan zal hij mijn naam noemen en combinaties maken
met banaan, baby en het mannelijk gezelschap dat

eveneens over de grond kruipt en stoomgeluiden maakt, de
trein vertrekt, er zijn heuvels waarover en tunnels

waaronder door en bij zekere aankomst wordt er gekust, lippen
tuitend, en gegiecheld, zeven plastic kippen

naast de overgang, broodkruimels op de wissel. Daarna lezen
we, verslaan monsters en meten onze neuzen.

(de komende dagen zijn wij overzee)

zeventien oude kinderen

Hoe lang duurt het alvorens je beseft dat je echt bij hen
hoort, dat het verhaal dat je vroeger verzon, de

reden tot bestaan, een kinderlijke fantasie was die iets
zei over creativiteit en verzet en meer een

wens was dan de waarheid en wat is dan die waarheid
eigenlijk en waarom herinner je je niet iets

meer dan een tekst bij een foto, een lange regel van je
vaders hand, die over bescherming

sprak en er altijd zijn, die je niet geloofde, misschien
is dat het juist: onderdeel te zijn van een

groot geheim dat je moeder bezwerend uitsprak en
deelde terwijl wij beloofden niets te

verklappen en dat vooral niet aan elkaar deden: anders
zijn was een voorwaarde tot behoud.

in de kast

Pratend over ze zie ik hoe ze aan tafel schuiven alsof ze
niet al jaren geleden verdwenen. Zij heeft

rode wangen en een koud neusje, hij schuilt diep in zijn
kraag, verbaasd alsof we hem bevrijd hebben

zonder dat hij riep of klaagde over de omstandigheden.
Ze praten mee, proeven iets, gaan daarna weer,

we zien hen op de rug na en al zouden we willen, niets
haalt hen voorgoed terug, het lukt zelfs niet

te vragen om meer, vaker, langer. Het gesprek duurt een
jaar, op een afgesproken tijd komen we erin

terug, tot zo lang zijn het flarden die als mist boven het
weiland hangen. Hij drijft de beesten in de stal,

zij hangt ondanks alles de was buiten, wij durven bijna
niet van het erf af, er drijft een vlieg in de melk.

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑