Schaduwen op het plafond zoals de verhalen in je hoofd, met
elkaar spelend, over elkaar heen vallend, de

een nog grilliger dan de ander, soms wegvallend achter een kast,
opgelucht, dan weer toeslaand vanuit een

andere hoek. Het waait buiten, er zijn geen gordijnen, de deuren
van de kamers zijn weggehaald zoals daarboven,

dat hoofd dat opneemt en toelaat. Als je je mond opendoet, komt
er een wolkje uit met letters, dat weet iedereen

dus houd je je lippen op elkaar en wacht op de momenten, het
antwoord op een vraag, de juiste gelegenheid,

de vriend die eindelijk gaat zitten aan tafel, iemand die over je
haar strijkt, een knipoog, een vinger langs

je halslijn en dan pauzeert. Op adem komen voordat het licht is,
hij weer weg, buiten de wind gaat liggen tenslotte.