Zijn afwezigheid schuift steeds meer op naar het midden. Een zin op
tafel, in de nacht opgeschreven, die doorloopt

in het hout, boven op een andere, waarin een kind een eigen plekje mag
zoeken in een al rijdende bus. Het hoofd blijkbaar

te vol soms maar bij het wakker worden doen we eindeloos over wat
er nu met die woorden moet gebeuren. We komen

verder met die kinderen maar die afwezigheid zakt van hoofd naar buik,
we zien een bed voor ons met niemand erin, de kuil

in het midden zichtbaar, maar we zien ook een duwtje tegen en horen
een bons en rekken onze benen alle kanten op,

er zit zelfs opluchting in die constatering. We moeten vannacht maar
even onder het bed kijken. Kinderen doen vaak alsof,

zingen een liedje van ‘nog lang niet, nog lang niet’ en tekenen met stift
op hun hoofden gruwelijke wonden, maar hij?