Alsof ik op reis moet om de heimwee te vergeten, mijn hoofd moet
leggen in een andere schoot, met groen moet

schrijven en in blokletters, alsof ik de deur gewoon dicht moet laten,
de schoenen staan onder in de kast, ja, die met

hoge hak, en dan met lichte zwaai en zonder je hand te houden, een
liedje in de mond, alsof ik eerst een ander

moet kussen, ik die nooit ver weg was, jij die niet rijden kan het stuur
in handen geven, een sjaal om mijn nek binden en

die verliezen, alsof ik vlinders vang in een doos en die dan allemaal
tegelijk loslaat terwijl jij, zo eigenwijs, zeg je,

zo hardnekkig, alsof ik nooit aangekomen ben, alsof al mijn woorden
opgegeten zijn door de hond, schurkend langs

en dan slapend voor de kachel, nee dan begin ik liever opnieuw en
klim op je rug, handen om je hals, tot je valt.