Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: de wereld (page 1 of 2)

een ongezonde gewoonte

In de paar minuten dat het langer duurt voordat het scherm haar
dagelijkse stand aanneemt, de iconen oplichten, het

licht gesnor me doet herinneren aan de kat, breekt een milde angst
uit dat het nooit meer gebeurt: nooit

zal ik nog doen wat ik elke dag doe, de start van een dwangmatige
handeling. Een apparaat aarzelt waar ik al

klaar zit, handen geheven en de adelaarsblik reeds geworpen terwijl
het lijf altijd nog wat hangt tegen de slaap aan,

verlangt naar de dromen en het warme onderkomen of een ochtend
als bij een logeerpartij, iemand die koffie voor me maakt,

nog een aai geeft, even op me ligt, praat over zijn moeder of een
politieke verwikkeling in A. Zes tellen later

en deze zinnen zijn reeds gemaakt, ergens tussen die streling en
dat bezoek van de wereld en de eerste koffie.

alsof het een roddel betrof

Op een gegeven moment moet ik naar voren komen, in welke
gedaante dan ook. De zon drijft me naar buiten,

de afspraak ook, maar mijn hoofd rolt binnen nog van de ene
hoek naar de andere en mijn lijf laat haar

vochtplekken achter op de muren, de stoelen waarop ik zat en
verschoof, de deuren piepen nog van mijn uitstel.

Avond is het als ik langs de huizen ga. De mensen staan in de
rij voor een kus en een drankje, ik sluit me

aan, spreek een paar woorden, zit op een omgekeerde tafel en
ga in gesprek maar al die tijd mis ik mijn

veiligheid, mijn thuis, mijzelf. Daar ben ik me bewust van al
die vormen. Aller charmants kleed ik me op

mijn verschijnen maar bloot zweef ik langs, iemand knipoogt,
een ander roept me na, een derde brengt me mijn hoofd.

het kind met grote ogen

Langzaam dringt het tot ons door, de herhaling van kinderen
en ouders en het geheim dat we denken te

delen met het leven, fluisterend zoals mijn moeder dat vroeger
deed alsof het een roddel betrof over de buren, ze

was iets luider bij een vergrijp door mijn vader, en steunend
vanwege de zwaarte en onbegrip van al dat moois.

Een wonder bleef het en alle reden tot dankbaarheid, al moesten
haar dochters er soms wat bij verzinnen, had ze

ooit goed gekeken naar de buurkinderen en de geluiden niet
gehoord? Geschiedvervalsing zoals plaatjes in

een boek over het prille ontstaan, de afwezigheid van haar Heer
maar wel heel grote beesten die op aarde stampten, nee,

ze had haar vermoedens maar die zaten niet in die mysterieuze
afspraak die tussen ons in de ruimte hing.

ze lacht te hard

Achter me gaat de deur dicht, zelfs op slot. In de kale ruimte hangen
de gordijnen roerloos in de schemer, slechts het

schilderij en een houten bank met drie koptelefoons verwelkomen me.
Vervolgens ben ik terug in de kerk van mijn jeugd,

in de concentratie van de schoolbank, het verlaten gymlokaal, met
mijn vader op de begraafplaats, onder de struiken

van de ouderlijke tuin. Ik zit met mijn handen in mijn schoot of heb
ze op mijn knieën gelegd en leun voorover. Alle details

neem ik waar. Het schilderij ruikt zelfs. Ik hoor het ruisen van mijn
bloed. Ik zie hoe de kunstenaar werkt, laag voor

laag, ik zie de druppels van het ene blok bovenop de andere, ik zie
de haren van de kwast, zijn beslagen bril. Zodra

de deur weer open gaat, de wereld nieuw, is de mens nietszeggend
in zijn murmelende wachtrij, kauwend op elkaar.

niet dit zijn

Zij die altijd zo verstandig was, dacht op een dag te kunnen vliegen,
een kind op het dak van het schuurtje in de achtertuin,

en het liefst over de geiten heen die rond de boomstam stonden en
de auto van haar vader op het pad en dan langs

de kerktoren met de haan die nooit kraaide. Ze was bloot en heel
licht met armen die zwaaiden en benen die

zich als een kampioen zwemmer openden en sloten en haar haar
volgde haar als een lint, ze had alvast gewonnen, het

halve dorp stond haar na te kijken, iedereen wilde hetzelfde maar
alleen zij paste op die schuur en in die tuin.

Ze was ook helemaal niet bang om te springen hoewel ze misschien
een volgende keer de toren zelf zou moeten nemen maar

als ze haar ogen dicht hield was afstand relatief en val versus tijd
een opgave uit haar wiskundeboek die ze feilloos maakte.

een geheime voorraad

Een man in de stiltecoupé vraagt hoe of dat nou voelt en een
onzichtbare maar duidelijk aanwezige vrouw

antwoordt nauwgezet, bovendien is iedereen met die vraag bezig,
lijkt het, het gonst en krioelt van ongewenste

intimiteit en het uitzicht, een hangende regen boven industrie en
verlaten beesten, wordt erdoor beperkt. Met ogen

dicht kom ik niet verder. In dit kleine vertrek voel ik me de jongste,
een indringer ook, er is een enkel meisje dat

met minirok bruine dijen toont terwijl ze kauwend op de maat van
muziek uit haar koptelefoon over haar mobiel scrolt, de

overigen zijn samen op pad, delen het proviand na de eerste bocht,
het routeplan op schoot, een in beweging en

uiterlijk, het regenpak puilt uit de tas, de voorzichtigheid is dezelfde
als van de buren, een echt antwoord is het niet.

de volgorde willekeur

De stad die al weken onrustig is, gonst en protesteert, een vrouw
die schreeuwt tegen een winkelier dat het godgeklaagd is, deze
winstderving, dit nodeloos verspillen van

gemeenschapsgelden, dit geen keuze hebben, dit feestje voor een
afscheidnemende burgemeester, laat hem toch gewoon oprotten,
mijn stad, voert hekken en zand aan, plaatst

nieuwe borden, waarschuwt, stuurt folders en vrijwilligers, wappert
met nieuwe vlaggen waarop dezelfde fiets als die nu op een sokkel
verheven bij het station uitnodigend de weg wijst,

stadsomroepers die tot ver kunnen schreeuwen, kermisvolk, markt-
koopman, Europees! 2019!, scherpt haar lieflijke straatjes aan, zet
zichzelf in haar bochten scherp en sluit rond

mijn huis het parcours aan op de buitenwegen, kinderhoofdjes, lege
weilanden en aarzelend overstekend wild zodat we vanaf morgen
alleen nog het zoevend geluid zullen vernemen van

een overmoedig peloton, dat in felle kleuren en begeleid door agenten
die parmantig hun conditie testen, de bewoner een claustrofobisch
genoegen zullen geven en een scherp gevoel van tijd.

de ruimte om ons heen

We zouden beter moeten weten, zegt iemand op straat. De zin
stijgt naar boven als een ballon zonder touwtje, de rest

van het gesprek staat misschien op een briefje in het roze ding,
buiten bereik van iedereen. Wat, denk ik,

en wie zijn we? Een fietser buigt zich over een kind voorop,
een man scheldt op een langzame hond, de

achterbuurvrouw rookt haar honderdste sigaret, er is een auto
die niet wil starten. In het trappenhuis de lucht van

gebraden vlees. Vliegtuigen lijken lager dan ooit te hangen en
blikkeren tussen roerloze bomen, tuinen zijn

op slot, terrasstoelen opgestapeld, er hangt een jurkje aan een
hek. Er wordt langdurig gebeld, ergens doet iemand

open. Beter dus dan we nu doen en met z’n allen en gisteren
eigenlijk al, liever nog vandaag.

een ketting in de knoop

Nu kinderen vrij zijn, niet meer in optocht voorbij dit raam trekken,
redacteuren hun bootje uit de haven sturen en met

één hand de onderrug van hun vrouw kriebelen, verslaggevers de
hoeveelheid lucht beschrijven in een plastic krokodil,

spelend aan hun voeten, interviewers alleen het gehalte Sangria
meten of het effect van de zon, horen schrijvers

losgelaten te worden, in ieder geval in keuze van onderwerp en tijd.
Geen deadlines dan een vaag gebaar naar een

voorbije zomer, een straks, een veilig thuiskomen, een temperatuur
onder nul. Er zijn er die natuurlijk doen alsof:

geen ijsjes in de aanbieding, geen fleurig zonnehoedje, geen loom
langstrekken, geen luieren. We krijgen de ligstoelen

niet in elkaar, hunkeren naar stamppotten, negeren het zweet en
voelen ons, als altijd, misplaatst in ogenblik en ruimte.

het lichte heimwee

De stemmen zo hoorbaar door de open deur, het feestje in het
donker en tegen de buien aan, de kinderen

slapend, de gesprekken ernstiger, de maaltijd reeds sissend ten
onder gegaan. Mijn activiteiten al lang gestaakt.

Kleur op kleur bracht ik aan, voorover gebogen het laatste licht
vangend, nieuwe vormen in een vertrouwd

gebaar zoals ik bladzijden las tegen het laatste licht, nieuwe
verhalen vond die ik de mijne maakte zodat ik voor

even een ander was. Bijna ging ik op visite bij de buren en liet
mijn eigen geluid naar boven stijgen zodat het

door de deurspleet tegen me aan zou tikken, slapeloos geraakt
en van alles moe, licht hijgend en met bijna

die regen, die zachte regen, op me. Gebedeld had ik om het
restje in de pan of een gilletje in de zin.

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑