Boven het gele grasveld melden we ons aan alsof we straks
verplicht rondjes moeten lopen met

afzakkende kousen en een te strak broekje en met een fluitje
op de achtergrond, altijd hopend op een

beloning bij de eindstreep, natte haren bij nummer zestien en
onze hand op zijn schouder, terwijl we natuurlijk

de wedstrijden mijden en landschap doorkruisen in een trein
met airco en lang zoveel mensen niet als

altijd en dan onze weg vinden in het grote kantoorgebouw in
de hoofdstad waar we niet onszelf lezen maar

mevrouw Z. die zich ook altijd aangemeld heeft iedere ochtend.
Zijn wij in onze puberteit aanbeland, zij

is al over het einde en moppert over vakantiebestemmingen die
ze nooit heeft uit mogen kiezen, eigenlijk zoals wij nu.