De zomers van vroeger, de deken bij de notenboom, de waspalen
als houten kruisen, een schaduw achter de muur,

de uitgeknepen vruchten als sap, de pitjes in het gras spuwend, er
hoeft maar iets te gebeuren, een geur, een woord van

toen en ik lig daar weer, mijn broertje speelt aan mijn voeten, zijn
crossmotor is een fietsje met nummerbord, de geiten

mekkeren en springen op de groentekisten, de kippen scharrelen
tussen de mais, de bomen ruisen, misschien,

zei hij, kom ik ook wel langs, mijn moeder knipt dahlia’s naast
het groenteveld, ze speelt met het blad

van de omhooggeschoten rabarber en houdt het voor mijn gezicht,
ze is bruin en ruikt naar zon terwijl ik langzaam

gespikkeld wordt, iemand vult een waterpistool en schiet vanuit
het andere veld, ik kruip onder de deken, mijn broertje ook.