Ze redden van een half leeglopend luchtbed is een avontuur waar
geen pretpark tegenop kan, balanceren met hun lijfjes

tot ze hard de grond raken en alleen maar omdat de gebruiksaanwijzing
mist, die van hoe dit echt moet, hoe keurig opgevouwen

iets weer in de tas past die dan weer onder het grote bed ligt, zoals
ze filmen terwijl ze aan het speeltuintje op de hoek

in de touwen hangen en dan tegelijk ze terstond en terplekke redden
van welke noodlottige val dan ook, een liedje zingen

terwijl we een wandeling maken die eigenlijk te lang duurt en heel
saai is en dan doen alsof op elke bank die we tegenkomen

een traktatie ligt en voorlezen, en dan nog eens en dan het liefst bij
hen liggen tot iemand ssttt fluistert tegen mij en dan

wegzakken in die lucht vol leven en dat hart van goud en dan nooit
meer willen opstaan. ‘Mmmm’ zegt S. (9) ’dat is een goeie.’

(dit schrijven terwijl we op me wachten, iedere knie een)