De vloer leeg, geen zacht deinen van een opgeblazen zee, blote
benen in de lucht, geen honderd keer kijken naar

en het wegstrijken van haren, knuffels, recht leggen van lijfjes
op de rand, geen beren op de weg, geen

schaduwen die niets meer betekenen dan vroeg opstaan en al plannen
delen en dromen en gedachten, giechels

en het piepen van een deur, geen plofjes horen naast je en het gretig
verschuiven van jezelf, niet opeens zes armen hebben,

zes benen, nieuwe herinneringen maken, zorgvuldig als het toetje
dat een twee drie verdwijnt voordat we zitten,

geen nieuwe figuren zien in de gordijnen, luisteren en niets horen,
nog geen autootje onder de kast, het gemaakte beukenbos

nog om de hoek van de kamer, schoenendozen vol verhalen met een
postbus in hun handschrift, een pijl met ‘hier’ en een hartje.