Dat wat blijft liggen, stof en lange zilveren haren, voetafdrukken,
haastig geschuifel uit de nacht, is als een vachtje

bovenop zijn lijf, glinsterend nog en parelend van zweet, dauw
op een weiland uit de verte, weg te strelen,

vingers nat, of met tuitlippen weg te blazen of gewoon simpel te
vervangen door dat eigen lichaam, zich

uitstrekkend boven hem en dan langzaam naar beneden zakkend,
deel op deel en dan omrollend alsof we tekenen

en een kopie maken door de zachte was met zachte druk het patroon
te laten opnemen, in de hoeken witblijvend, in

het midden iets te veel kleur, en dan heel stil blijven liggen tot we
niet meer afgeven maar zelf het origineel worden,

o trek met jouw handen dan nieuwe lijnen en kom kijken naar het
resultaat, voeg nog iets toe, geef me rode lippen, glanzend.