Niets is geruststellender dan in zilte regen huiswaarts te lopen,
je jas doorweekt, in je hoofd nog die ene regel,

die ene dichter, de warmte van een huiskamer vol muisstille
luisteraars, wat gescharrel achter het gordijn, het

glas omgekeerd op de theedoek, de rijmloze vriend bijna in
slaap boven de boeken, wachthoudend

achter de voordeur die immer openstaat, het zou zomaar kunnen
zijn, begint hij, dat, een afspraak die vervliegt, of

dat aarzelend en heel vroeg in de ochtend bedelen om meer, jijzelf
met je vingers tussen de bladzijden, uitgelegd

en zonder toelichting, nog altijd het ruisen van de regen en de stappen
voorwaarts, een buurman die groet, volgende keer,

zei hij, moet je een paraplu meebrengen maar ik die altijd onbeschut
op storm reken en wegvliegen hoog in de lucht.