Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: angst (page 1 of 9)

vingers in haar oren

Al voordat het begint, is ze terug in de keuken van het eerste
huis, leunt tegen de koele tegels, vingers in haar

oren. Ruim voor de eerste lichtflits, telt ze haar zegeningen want
dat moet, als ze dat doet, kan er niet iets ergers

gebeuren. Ze zegt haar mantra, kijkt soms stiekem tussen haar
oogleden door, wacht af. In alles hetzelfde

kleine meisje van toen. Lang voor de zinderende warmte, ergens
tussen het eerste wolkje in de lucht, soms

ook in elke regenbui, verwacht ze het onheil van boven want het
heeft altijd met iets van haar te maken. Vroeger

zeker, nu twijfelt ze soms. Nu probeert ze alles bij elkaar te houden,
bezittingen, liefde, zichzelf, muren, kunst, de

woorden, ze komt altijd armen te kort. In die keuken daar had ze
nog niet zoveel, dat scheelt. Ze wil weer terug.

op de tast

Omdat er altijd een keuze is, vond ze dat alles dat daarna kwam
haar eigen schuld was. En alles dat ervoor zat

ook. Ze had geleerd niet te treuzelen en dus kende ze soms niet
alle mogelijkheden voordat ze besloot en had

ze eenmaal besloten, dan wist ze later echt niet meer waarom.
Het was kortom een puinhoop in haar en

vaak dacht ze alleen maar daaraan of hoe ze dat in een keer kon
veranderen en voorgoed. Ze klom op

de toren van Z. maar had hoogtevrees en ze lag op de rails van
D. maar dat was bijzonder ongemakkelijk.

Toen kwam iemand die haar zou helpen en hartjes tekende op
haar ramen, daar koos ze echt niet voor, ze

was geen deler. Ze deed haar vingers in haar oren en liet het huis
ontploffen, alles dat daarna kwam was haar eigen schuld.

de staat van poëzie

Het was alsof iemand in haar nek hijgde en bijna toe zou slaan,
ze zou ongetwijfeld verslonden worden en dan

uitgespuugd in het water belanden, ze liep midden op de brug,
in de bocht kwam een rondvaartboot heel

langzaam tevoorschijn, kinderen in een rubberen bootje met
peddels die sloegen op de bijna witte golfjes,

een hond die schudde met zijn vacht, pratende en etende mensen
aan de waterkant, uitgestrekt en vrolijk terwijl zij,

ze durfde even opzij te kijken en zag niets en dus was er niets,
toch versnelde ze haar pas, hield haar tas alsof

ze daarmee elke vijand zou kunnen neerslaan en merkte toen
dat het piepende, zuchtende, steunende geklaag

vanaf de straat kwam waar de auto’s in een file stonden met
opengedraaide ramen en de zon blikkerend op het dak.

op een hoek

Het voelt als extra tijd, een geslaagde ontsnappingspoging. Eerst
als een luchtbel waarin toeval en noodlot elkaar

afwisselden zoals de vrouw in zwarte kleding en de man in witte
jas, later als een terecht verblijf in een verstevigd

huis maar onwennig nog vanwege de recente verbouwing, de
geur van specie, verf die vroeger het voorjaar

voorstelde, het compliment voor de herwonnen ruimte. Drukte
voorheen het dak het hoofd langzaam in elkaar, nu

raken we het plafond niet meer; waren eerst alle ramen gesloten,
nu waait zachtjes het leven binnen en met haar

alle mogelijkheden. Extra ook is het besef waarmee dat alles tot
stand komt, langzaam maar nadrukkelijk

liggen we op onze knieën zoals we als klein kind elke avond en
aan de bedrand deden en vouwen we de handen.

haar vaste plek

Het niet willen weten is een fase die verlengd zou moeten zijn
tot een ieder sterk genoeg is, bij elkaar zit,

handen houdt, elkaar aankijkt terwijl je weet dat sterk zijn geen
kwestie van tijd is en een waarheid, welke dan ook,

geen uitstel vraagt. Het is meer een momentopname waarbij de
zon in de kamer schijnt, een ieder overtuigd

van zijn eigen plek of rol, alvorens alles uit elkaar valt, want dat
gebeurt, natuurlijk. Bovendien willen we

alles weten. De hoed, de rand, de mate van pijn, de hoeveelheid
dagen, het waarom, de afmeting van

ellende, alleen zijn, de kortstondigheid van vreugde, terugkomst,
hoe lang hij blijft, de schaduw van de objecten,

een reden, de afkoopsom, of we nog terug kunnen naar toen en of
we werkelijk gelukkig zijn en liever niet willen weten.

doelgericht

Alsof het de rode verf is die ik in mijn krullen spoelde, de massa
optilde en zo behoedzaam liggen ging en toch de volgende

ochtend verwachtte de lakens rood te vinden, zo drapeer ik het
lijf rond zijn laatste ingreep, de deken daar

bovenop, en denk aan schaduwen maar dan in kleur en leeglopen
maar dan op een verkeerde manier en de

witte was roze. Ik denk aan de vrouwen die mij hielpen en die
vroegen of ze in mijn verhalen zouden voorkomen

een volgende dag, hun handen sterk en warm, een moederschoot
tegen mijn uitstekend been, als altijd een

zoon daar aan het voeteneind, te jong en te knap om serieus te
worden genomen, en hoe ik hen toeschreef

de hoofdstukken over te slaan om meteen in de dichtste bomenrij
terecht te komen en het blikkerend zonlicht op de afrit.

duizelingwekkend hoog

De wacht aangezegd krijgen is overal hetzelfde, de man die
aarzelend meer ruimte verlangt, zijn eigen vrouw, bed

of huis, de schoolleiding die meent dat er een verstoring in
de orde is, ongewenst, de baas die diepere

buigingen wil en alles voortaan op tijd en nu hij, witgejast,
die lijf en leven wil afmeten aan de uitslagen van

een laatste onderzoek. We voelen ons lichtelijk afgewezen,
er was immers niets aan de hand, en toch:

ook deze neemt stelling op de hoogste toren en blaast mijn
aftocht. We willen tromgeroffel maar het blijft

angstaanjagend stil, we horen kinderstemmetjes en vogels
die nog zachter schreeuwen dan daarvoor, een

man haalt de krullen van zijn vrouw uit haar hals en blaast
ze over haar schouder, iets om te onthouden.

noodzakelijk

De angst is zo groot als het pad lang is, over het hek, langs de
velden, dwars door de bomenrij. Als er honden

los zijn, wacht men. Er fluiten mensen. Bij het oversteken de
handen in de zakken, de kilte van de gebouwen,

eenmaal binnen strepen over de gangen, wie die niet volgt is
af, iedereen komt ergens. Ook daar bang voor

te zijn. Kleuren van de stoelen bedrieglijk vriendelijk, meisjes
met zangstemmen, mannen met gezag, optelsommen

van cijfers die duizelingwekkend hoog worden, altijd iemand
in slaap, achtergebleven en alleen. Dezelfde

weg terug. Het pad leeg, bij het passeren van de hekken de paarden
zien staan, treurig veraf, een huppeltje bij

de hoeken van het weiland, tussen de vingers een overgebleven
restje vrees, stappen tellend tot de bestemming.

de achterdeur

Overgebleven is een herinnering: steun zoekend tussen de
duizenden op het plein is er geen hand nodig maar de balans
tussen het ene lijf en het andere, zacht

zwiepend van links naar rechts en voor en achter, niet kunnen
zien wat er vooraan gebeurt maar een golfje voelen dat daar
begint en dan langzaam naar achteren schuift,

een knikje van een hoofd, een knieval voor een ander, keurig
opgevangen in het leger van mensen dat ongeordend toch in
het gelid staat en afwacht tot de bazuinen klinken.

Een ijle stem gaat een gil vooraf, iets op rijm weerkaatst een
in haast geroepen verdriet, als plotselinge regenval de handen
boven het hoofd, wiegend bijna en voor even

een geheel, dan weer uit elkaar vallend in de straten rondom,
geef ons twee minuten en we zijn weer weg, niet geroken geur
van bloemen, niet geroken lucht van dood maar

onrust en haast en thuis willen komen en de deur open vinden
en naar binnen rennen en onder de tafel willen schuilen en
niet meer voelen dan dat ene gedeelde moment.

 

Amsterdam, 4 mei 2012

ik ben hem

In de nacht ben ik evenwel de ander. Terwijl ik me zijn neusje
herinner dat in mijn hals zoekt naar de slaap, de

vreemde geluiden buitensluitend, de handjes onder zijn hoofd,
verzin ik me hoe de really big one kwijtraakt in

stad en steeg, waan en wanorde en krijs ik, stil evenwel, om
reactie en thuiskomst en blijven vooral. De

droom is dezelfde, ik moet alle deuren sluiten, de achterdeur
is die van mijn ouders, de tuin erachter een

donker gat, koude nevels stijgen op, ik ben nog maar net op
tijd, een figuur bonkt tegen het glas, ik moet

met mijn lijf duwen om het schuifje naar voren te halen en
dan moet ik nog alle andere deuren doen. Ik

geef instructies aan overige bewoners maar er is niemand, het
huis wordt steeds groter, de kou ook. Zo verlies ik.

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑