Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: angst (page 1 of 7)

hard rennend van de ene hoek naar de andere

Of hij het nu vertelt of niet, of het praatje stimulerend is of
dodelijk saai, of er een waarheid is of niet,

het zal niet anders zijn dan andere willekeurigheden, niets
zal echt het gedrag bepalen dan gewoonte,

discipline, aard en afkomst, omstandigheden die er al waren.
Voor of na die tijd blijf ik hetzelfde, het is

mijn manier natuurlijk om een belangrijke afspraak tot een
hanteerbare proportie te brengen. Graag

zeg ik op het laatste moment af, er zijn genoeg smoezen, om
dan een enorm gevoel van vrijheid te krijgen,

ik ben opeens eeuwig jong en reuze zelfstandig, dat soort
ruimte is mij het liefst. Degene die op mij wacht,

zijn agenda doorhaalt, mijn naam schrapt en al bladerend
pas maanden verder weer noteert, zucht.

en natuurlijk ongevraagd

Op de hoeken van mijn bed blijven ze staan, worden steeds
duidelijker terwijl ze zich vasthouden aan de

spijlen, draaien erom heen, hoofd- en voeteneind een spiraal
van hun handelen, kop en staart zie ik bewegen.

Ze fluisteren als nimfen, dansen als elven, zingen als verleidsters
vanuit de bodem van de zee, trollen zijn het

vervolgens, reuzen dan met een blikkerende drietand. Ik geloof
niet dat ik ze uitgenodigd had. Zo rond het

middernachtelijk uur drinken we thee, ze willen ook een lepel
honing, straks gaan ze bedelen om brood. Terwijl

ik wakker ben, kijken ze me aan, bekenden van me, terugkerende
bezoekers. Soms is dat genoeg, zoete thee, andere

nachten drinken ze mijn bloed, boeren luidkeels en spugen me
onder alvorens ze uit elkaar vliegen en oplossen.

het snoer lichtjes

Omdat het Kerst is, gaat hij met haar mee naar het zaaltje waar
ze met haar vriendinnen vaak wegdroomt boven

de beelden uit andere verhalen, heel verstandig alleen maar
tussen half drie en vijf, en stelt zich, net zoals zij,

tien minuten voor aanvang in de rij en schuifelt dan voor de
beste plaats langzaam naar boven om ook, nog

voor de aftiteling begint, in het donker zelfs, af te dalen en de
beste plek aan de bar te bemachtigen want het drankje

na afloop is gratis. Het enige wat hij fout doet, is een kort
gesprekje aanknopen met de vrouw naast hem die

heus niet bij haar vriendinnen hoort, ze is zelfs wat ordinair
en er kruipt een tattoo onder haar hals vandaan en

hij lacht om haar, dat kost hem zijn toetje en nog wel een heel
bijzondere want het is Kerst tenslotte, slagroom!

door de opening

Op een gegeven moment is de tijd op. Er verschijnt een in
zijn handen klappende meester op de stoep van

het grijze schoolgebouw en je propt je in de keurige lijn
die zich op het plein vormt en loopt naar

binnen. Zijn handen raken je in het voorbijgaan niet aan.
Gelukkig mag je weer iets leren, hoef je niet

met benen wijd knikkers op te vangen, voorovergebogen
handen in je rug te voelen en op je beurt te

springen, gelukkig hoef je niet nogmaals het slingerend
touw te ontwijken, achter die deur is het altijd

veiliger voor jou. Toch zou je nu de steeg in willen schieten,
achterop de fiets bij de grootste pestkop desnoods,

gaten willen vallen in je knieën om alleen maar te ontkomen
aan die markering in dat stukje tijd.

alleen ik

Opdat niemand verdwijnt, liggen we lijf in lijf. Opdat niemand
valt, liggen we wang tegen wang. Om niet

verloren te zijn, houden we elkaars hand. Soms controleren we
de ogen: staan ze wijd open, dan zijn we bang als

een kind, er schuilt iets in het donker dat ons verslindt, zijn ze
gesloten, dan dromen we ons veilig. Vannacht

was mijn jonge ik, getooid met het paarsblauwe haar uit een
opstandige periode, veranderd in mijn moeder

maar haar kon ik rustig laten liggen. Gisteren was het lijf een
uiteengereten versie van mijn dochter terwijl

haar kinderen zachtjes zwaaiden voor het raam van mijn huis
in het dorp dat ooit langer dan een lint zich

kronkelde onder onze voeten. Blijkbaar hield iemand me even
niet zo goed vast, mijn beide handen los, mijn wang koud.

poses en posities

De vragen die hij heeft en het gebrek aan medestanders stuurt hij
mee met zijn laatste beelden waarbij het onduidelijk is

of ik moet inkleuren, bijstellen, het tempo vertragen of gewoon
plaatsnemen in het publiek, op het puntje van mijn stoel.

Beide zaken liggen in een onbeantwoord verleden, een kind moet
een ouder hebben dat hem bij de hand neemt en

geruststelt, met een vinger wijzend naar de lucht om ons heen en
daarboven en desnoods verzint dat er altijd over

en voor hem gewaakt wordt, niet dat hij dat geloven zou. Zoveel
is duidelijk: er was nooit een voorbeeld, nooit

die hand, niet die troostende uitkomst op een probleem en waar
zouden we allemaal blijven, tenslotte, uiteindelijk,

zoals een kind weet dat het nooit past, daarboven en met ons allen
en een tijger nooit toelaat ernaast te liggen en te slapen.

een grapje

Zoals het niet hoort te zomeren in oktober, de warmte niet
past bij het vroeg donker worden, het genieten

niet echt is maar een bevreemd aanpassen, zo zijn uitslagen
van een onderzoek, conclusies van een

derde niet mijn realiteit en toch om mee te leven. Terwijl de
een het over de onmetelijke lengte van een

seizoen heeft, maakt de ander zich terecht zorgen over de oorzaak,
een afwijking in de lucht, een scheur

in de aardkorst, onze schuld. Zo is het bij het lijf ook, iets is niet
naar behoren, veronachtzaamd, even groot als

het risico morgen bij de witte strepen op de weg even niet te
tellen maar zingend en springend

de coureur van links te missen die door het rode licht stuivend
zijn irritatie over het bovenstaande uitleeft.

een oneigenlijke taak

Soms zit er in de ochtend nog een klein stukje zwart van
de nacht dat trekt en scheurt aan het licht en

liever niet zichtbaar alsnog een droom wil verstoren. Het
jankt en klaagt, misselijk van de moeite om.

Soms ook laat het onverwacht los alsof het zuchtend van
opluchting vergeet waar het aan bezig was,

vaak ook graaft het zich dieper en kerft een teken in de
huid, slaat op het hart, schopt tegen weke

delen. Doen alsof het rood is of misschien een teer soort
groen, zich vergist in soort of noodzaak,

niet bij jou past en tegelijkertijd maar al te bekend is, je
omdraaiend, is haast onmogelijk. Erover

schrijven zou kunnen helpen maar dan moet je wachten
tot de dag bijna voorbij opnieuw schemerig wordt.

in overweging

We doen vandaag wat hij onmogelijk kon doen: gewoon
een beetje met z’n allen in een zaaltje zitten en

kletsen, handen schudden, zoenen misschien, informatie
uitwisselen, voorgeschiedenis en belang en

hem. We gaan onze huizen uit, trekken jasjes recht en zoeken
hakhoogtes die een beetje indruk maken, zorgen

voor frisse adem en een toekomstmotief die er, dat weet je
toch, zou hij schouderophalend zeggen, helemaal

niet is, het is zo moeilijk niet, het is gewoon verzonnen en
dan bestaat het, gaan jullie ook drinken? Na

afloop zou ik hem gebeld hebben en verteld hebben wie er
het meeste, hoe Y. niet op haar foto lijkt, ach

ja, zou hij lachen dan, wie wel, en dat we het over hem gehad
hebben, fantastische man, wie, zou hij zeggen.

(Meander heeft vandaag haar eerste medewerkersbijeenkomst,
een eerste offline gebeuren)

eerste woorden

In de droom zei ik dat je me toch alles kon vertellen, ik
rende naar het toilet en braakte alles uit wat me

dwarszat, ik kom met de Jaquar, zei hij en parkeerde een
roze Cadillac in een bos waaraan ik nauwelijks

ontkwam, bomen bemoeiden zich met het leven, bogen
ver over me heen, rennend verschuilde ik

me in een smal huis waar alleen maar jassen hingen, een
vreemde op een smalle bank, ik had een kind

en waar was het, er was iets vreselijk mis en hij zei me
niets. Later was de ruimte gevuld met

jongens van zijn leeftijd, allemaal naakt en dampend warm,
ik verlegen keek uit het raam of iemand me dan

nog niet ontdekt had, de bomen hadden zich versmald tot
keurig rechte lijnen in een tekening.

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑