Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: angst (page 1 of 9)

niet teveel maar op de juiste momenten

Bij het vertrek hing ze haar oorbellen in de lamp boven tafel.
Ze bungelden nog wat na. Het was hetzelfde

als in de vroege morgen, opschrijven wat naar boven kwam,
om daarna veilig de deur uit te kunnen. Er

was een teken dat achterbleef, een bewijs dat soms moeizaam
geleverd werd, een foto van haarzelf op

een nat bankje buiten, voeten die ze voor zich uitstak, soms
alleen een glimmende neus van een schoen.

Ze rekte zich voor het juiste effect. Bij terugkomst trof ze die
volgorde aan: zachtjes wiegden daar

de attributen, zowel voet als sieraad terwijl de woorden vast in
hun omgeving stonden. Ze wist niet wat het

eerst gelezen werd: dat ze grote voeten had, een aparte smaak
of dwangmatige handelingen en iets teveel gevoel.

schaduwen op de vloer

Onder het kleed lagen de beesten verscholen. Daar lagen zij die
ik in mijn dromen gemist had, de kleinsten, de

duizendpotigen, de meest krioelende massa die zich in plooien van
stof en onder de poot van mijn kat stilhielden omdat

zij niet konden schreeuwen of blaffen of fluiten. Ze renden naar me
toe zodra de wachter van mijn toren zijn greep

verslapte, hun nieuwe schuilplaats de kieren in mijn muren, het plasje
eten onder de koelkast, de holle ruimte in het hout

van mijn boomhut, daar waar muisjes al woonden en schatten werden
bewaard, mijn zilveren haren, een scherf aardewerk,

een snipper papier, de blauwe kluwen garen. De kat sliep. Tegen de
kasten klommen ongenodigde bewoners, scholen

opnieuw maar nu hoger terwijl zwarte vogels vanuit de bomen door
de ramen gluurden en hun honger krasten, angstaanjagend schel.

alsof het een roddel betrof

Op een gegeven moment moet ik naar voren komen, in welke
gedaante dan ook. De zon drijft me naar buiten,

de afspraak ook, maar mijn hoofd rolt binnen nog van de ene
hoek naar de andere en mijn lijf laat haar

vochtplekken achter op de muren, de stoelen waarop ik zat en
verschoof, de deuren piepen nog van mijn uitstel.

Avond is het als ik langs de huizen ga. De mensen staan in de
rij voor een kus en een drankje, ik sluit me

aan, spreek een paar woorden, zit op een omgekeerde tafel en
ga in gesprek maar al die tijd mis ik mijn

veiligheid, mijn thuis, mijzelf. Daar ben ik me bewust van al
die vormen. Aller charmants kleed ik me op

mijn verschijnen maar bloot zweef ik langs, iemand knipoogt,
een ander roept me na, een derde brengt me mijn hoofd.

vingers in haar oren

Al voordat het begint, is ze terug in de keuken van het eerste
huis, leunt tegen de koele tegels, vingers in haar

oren. Ruim voor de eerste lichtflits, telt ze haar zegeningen want
dat moet, als ze dat doet, kan er niet iets ergers

gebeuren. Ze zegt haar mantra, kijkt soms stiekem tussen haar
oogleden door, wacht af. In alles hetzelfde

kleine meisje van toen. Lang voor de zinderende warmte, ergens
tussen het eerste wolkje in de lucht, soms

ook in elke regenbui, verwacht ze het onheil van boven want het
heeft altijd met iets van haar te maken. Vroeger

zeker, nu twijfelt ze soms. Nu probeert ze alles bij elkaar te houden,
bezittingen, liefde, zichzelf, muren, kunst, de

woorden, ze komt altijd armen te kort. In die keuken daar had ze
nog niet zoveel, dat scheelt. Ze wil weer terug.

op de tast

Omdat er altijd een keuze is, vond ze dat alles dat daarna kwam
haar eigen schuld was. En alles dat ervoor zat

ook. Ze had geleerd niet te treuzelen en dus kende ze soms niet
alle mogelijkheden voordat ze besloot en had

ze eenmaal besloten, dan wist ze later echt niet meer waarom.
Het was kortom een puinhoop in haar en

vaak dacht ze alleen maar daaraan of hoe ze dat in een keer kon
veranderen en voorgoed. Ze klom op

de toren van Z. maar had hoogtevrees en ze lag op de rails van
D. maar dat was bijzonder ongemakkelijk.

Toen kwam iemand die haar zou helpen en hartjes tekende op
haar ramen, daar koos ze echt niet voor, ze

was geen deler. Ze deed haar vingers in haar oren en liet het huis
ontploffen, alles dat daarna kwam was haar eigen schuld.

de staat van poëzie

Het was alsof iemand in haar nek hijgde en bijna toe zou slaan,
ze zou ongetwijfeld verslonden worden en dan

uitgespuugd in het water belanden, ze liep midden op de brug,
in de bocht kwam een rondvaartboot heel

langzaam tevoorschijn, kinderen in een rubberen bootje met
peddels die sloegen op de bijna witte golfjes,

een hond die schudde met zijn vacht, pratende en etende mensen
aan de waterkant, uitgestrekt en vrolijk terwijl zij,

ze durfde even opzij te kijken en zag niets en dus was er niets,
toch versnelde ze haar pas, hield haar tas alsof

ze daarmee elke vijand zou kunnen neerslaan en merkte toen
dat het piepende, zuchtende, steunende geklaag

vanaf de straat kwam waar de auto’s in een file stonden met
opengedraaide ramen en de zon blikkerend op het dak.

op een hoek

Het voelt als extra tijd, een geslaagde ontsnappingspoging. Eerst
als een luchtbel waarin toeval en noodlot elkaar

afwisselden zoals de vrouw in zwarte kleding en de man in witte
jas, later als een terecht verblijf in een verstevigd

huis maar onwennig nog vanwege de recente verbouwing, de
geur van specie, verf die vroeger het voorjaar

voorstelde, het compliment voor de herwonnen ruimte. Drukte
voorheen het dak het hoofd langzaam in elkaar, nu

raken we het plafond niet meer; waren eerst alle ramen gesloten,
nu waait zachtjes het leven binnen en met haar

alle mogelijkheden. Extra ook is het besef waarmee dat alles tot
stand komt, langzaam maar nadrukkelijk

liggen we op onze knieën zoals we als klein kind elke avond en
aan de bedrand deden en vouwen we de handen.

haar vaste plek

Het niet willen weten is een fase die verlengd zou moeten zijn
tot een ieder sterk genoeg is, bij elkaar zit,

handen houdt, elkaar aankijkt terwijl je weet dat sterk zijn geen
kwestie van tijd is en een waarheid, welke dan ook,

geen uitstel vraagt. Het is meer een momentopname waarbij de
zon in de kamer schijnt, een ieder overtuigd

van zijn eigen plek of rol, alvorens alles uit elkaar valt, want dat
gebeurt, natuurlijk. Bovendien willen we

alles weten. De hoed, de rand, de mate van pijn, de hoeveelheid
dagen, het waarom, de afmeting van

ellende, alleen zijn, de kortstondigheid van vreugde, terugkomst,
hoe lang hij blijft, de schaduw van de objecten,

een reden, de afkoopsom, of we nog terug kunnen naar toen en of
we werkelijk gelukkig zijn en liever niet willen weten.

doelgericht

Alsof het de rode verf is die ik in mijn krullen spoelde, de massa
optilde en zo behoedzaam liggen ging en toch de volgende

ochtend verwachtte de lakens rood te vinden, zo drapeer ik het
lijf rond zijn laatste ingreep, de deken daar

bovenop, en denk aan schaduwen maar dan in kleur en leeglopen
maar dan op een verkeerde manier en de

witte was roze. Ik denk aan de vrouwen die mij hielpen en die
vroegen of ze in mijn verhalen zouden voorkomen

een volgende dag, hun handen sterk en warm, een moederschoot
tegen mijn uitstekend been, als altijd een

zoon daar aan het voeteneind, te jong en te knap om serieus te
worden genomen, en hoe ik hen toeschreef

de hoofdstukken over te slaan om meteen in de dichtste bomenrij
terecht te komen en het blikkerend zonlicht op de afrit.

duizelingwekkend hoog

De wacht aangezegd krijgen is overal hetzelfde, de man die
aarzelend meer ruimte verlangt, zijn eigen vrouw, bed

of huis, de schoolleiding die meent dat er een verstoring in
de orde is, ongewenst, de baas die diepere

buigingen wil en alles voortaan op tijd en nu hij, witgejast,
die lijf en leven wil afmeten aan de uitslagen van

een laatste onderzoek. We voelen ons lichtelijk afgewezen,
er was immers niets aan de hand, en toch:

ook deze neemt stelling op de hoogste toren en blaast mijn
aftocht. We willen tromgeroffel maar het blijft

angstaanjagend stil, we horen kinderstemmetjes en vogels
die nog zachter schreeuwen dan daarvoor, een

man haalt de krullen van zijn vrouw uit haar hals en blaast
ze over haar schouder, iets om te onthouden.

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑