Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: angst (page 1 of 8)

doelgericht

Alsof het de rode verf is die ik in mijn krullen spoelde, de massa
optilde en zo behoedzaam liggen ging en toch de volgende

ochtend verwachtte de lakens rood te vinden, zo drapeer ik het
lijf rond zijn laatste ingreep, de deken daar

bovenop, en denk aan schaduwen maar dan in kleur en leeglopen
maar dan op een verkeerde manier en de

witte was roze. Ik denk aan de vrouwen die mij hielpen en die
vroegen of ze in mijn verhalen zouden voorkomen

een volgende dag, hun handen sterk en warm, een moederschoot
tegen mijn uitstekend been, als altijd een

zoon daar aan het voeteneind, te jong en te knap om serieus te
worden genomen, en hoe ik hen toeschreef

de hoofdstukken over te slaan om meteen in de dichtste bomenrij
terecht te komen en het blikkerend zonlicht op de afrit.

duizelingwekkend hoog

De wacht aangezegd krijgen is overal hetzelfde, de man die
aarzelend meer ruimte verlangt, zijn eigen vrouw, bed

of huis, de schoolleiding die meent dat er een verstoring in
de orde is, ongewenst, de baas die diepere

buigingen wil en alles voortaan op tijd en nu hij, witgejast,
die lijf en leven wil afmeten aan de uitslagen van

een laatste onderzoek. We voelen ons lichtelijk afgewezen,
er was immers niets aan de hand, en toch:

ook deze neemt stelling op de hoogste toren en blaast mijn
aftocht. We willen tromgeroffel maar het blijft

angstaanjagend stil, we horen kinderstemmetjes en vogels
die nog zachter schreeuwen dan daarvoor, een

man haalt de krullen van zijn vrouw uit haar hals en blaast
ze over haar schouder, iets om te onthouden.

noodzakelijk

De angst is zo groot als het pad lang is, over het hek, langs de
velden, dwars door de bomenrij. Als er honden

los zijn, wacht men. Er fluiten mensen. Bij het oversteken de
handen in de zakken, de kilte van de gebouwen,

eenmaal binnen strepen over de gangen, wie die niet volgt is
af, iedereen komt ergens. Ook daar bang voor

te zijn. Kleuren van de stoelen bedrieglijk vriendelijk, meisjes
met zangstemmen, mannen met gezag, optelsommen

van cijfers die duizelingwekkend hoog worden, altijd iemand
in slaap, achtergebleven en alleen. Dezelfde

weg terug. Het pad leeg, bij het passeren van de hekken de paarden
zien staan, treurig veraf, een huppeltje bij

de hoeken van het weiland, tussen de vingers een overgebleven
restje vrees, stappen tellend tot de bestemming.

de achterdeur

Overgebleven is een herinnering: steun zoekend tussen de
duizenden op het plein is er geen hand nodig maar de balans
tussen het ene lijf en het andere, zacht

zwiepend van links naar rechts en voor en achter, niet kunnen
zien wat er vooraan gebeurt maar een golfje voelen dat daar
begint en dan langzaam naar achteren schuift,

een knikje van een hoofd, een knieval voor een ander, keurig
opgevangen in het leger van mensen dat ongeordend toch in
het gelid staat en afwacht tot de bazuinen klinken.

Een ijle stem gaat een gil vooraf, iets op rijm weerkaatst een
in haast geroepen verdriet, als plotselinge regenval de handen
boven het hoofd, wiegend bijna en voor even

een geheel, dan weer uit elkaar vallend in de straten rondom,
geef ons twee minuten en we zijn weer weg, niet geroken geur
van bloemen, niet geroken lucht van dood maar

onrust en haast en thuis willen komen en de deur open vinden
en naar binnen rennen en onder de tafel willen schuilen en
niet meer voelen dan dat ene gedeelde moment.

 

Amsterdam, 4 mei 2012

ik ben hem

In de nacht ben ik evenwel de ander. Terwijl ik me zijn neusje
herinner dat in mijn hals zoekt naar de slaap, de

vreemde geluiden buitensluitend, de handjes onder zijn hoofd,
verzin ik me hoe de really big one kwijtraakt in

stad en steeg, waan en wanorde en krijs ik, stil evenwel, om
reactie en thuiskomst en blijven vooral. De

droom is dezelfde, ik moet alle deuren sluiten, de achterdeur
is die van mijn ouders, de tuin erachter een

donker gat, koude nevels stijgen op, ik ben nog maar net op
tijd, een figuur bonkt tegen het glas, ik moet

met mijn lijf duwen om het schuifje naar voren te halen en
dan moet ik nog alle andere deuren doen. Ik

geef instructies aan overige bewoners maar er is niemand, het
huis wordt steeds groter, de kou ook. Zo verlies ik.

vaak was het een combinatie

Je zit aan het ontbijt en twijfelt aan nog een eitje of iets met roze
vlokjes erin, het is warm en dampt, er past dat

broodje bij dat verloren nog in een mandje ligt, je kunt ook gerust
nog wat van dat versgeperste sap inschenken dat

even later tussen het bloed van de tafel drupt en op de grond zich
vermengt tot een ongewenste verfkleur waarmee

overigens niets te kleuren valt. Je zou geen honger meer hebben
en sowieso geen moeite willen doen al die

metalen scherfjes uit het gerecht te plukken of de vingerkootjes
willen tellen die zomaar rechtop in

de traktaties staan, het was een enorm kabaal net nadat je je keuze
had gemaakt, je ging voor de

havervlokken en de geitenmelk, dat was per slot van rekening een
stuk gezonder, je dacht dat je nog heel wat tijd had.

alle clichés

Als ze gaat liggen, ze begint altijd op haar buik, haar koude
handen op haar bovenbenen die licht ruw aanvoelen

en zelfs wat grijs alsof ze niet melkwit zijn en zij ze kan zien,
en dan naar boven grijpen, een hand precies tussen

haar benen waar ze haar beschermen en warmhouden en de
ander net daarboven waar alles zachter en

voller aanvoelt, en zo vertrouwd met haarzelf in slaap valt,
vergeet ze voor een moment dat de plek naast

haar en op haar leeg is hoewel ze nog iets mompelt, droomt,
tot de gil die ze eerder op de dag al voelde komen

alles doorsnijdt, haar adem beneemt, haar handen kwijtmaakt
en alles dat ze zo zorgzaam behoedde en ze weet

dat het haar eigen stem is die bloed proeft uit de nacht en pas
in de ochtend weer rustig is en slikt.

dat razende figuurtje

Linker borstzakje, zei hij, van mijn jas voor als er, en ik knikte,
zijn jas op een hoopje op de vloer en hij nog

rechtop, niets te zien dan een bleke huid alsof zijn gezicht onder
al dat haar helemaal geen zon zag, de zonnebril

doelloos in de opening van zijn shirt, de gedroomde hoed, zwart
met brede rand en paarse band, bovenop de

wirwar van krullen, zwart. Als iemand zijn vertrek aankondigt,
houd je die beweging in de gaten maar alles dat hij

deed was de ogen tot spleetjes dichtknijpen en het gedicht zingen
met, hoe kan het anders, een zwarte gitaar om

zijn hals. Een andere dichter zei dat we het die middag luchthartig
zouden houden maar eigenlijk stond ik

al die tijd met dat nog kloppende hart van de zanger dat zomaar
onder dat rechter borstzakje zou ophouden met slaan.

hard rennend van de ene hoek naar de andere

Of hij het nu vertelt of niet, of het praatje stimulerend is of
dodelijk saai, of er een waarheid is of niet,

het zal niet anders zijn dan andere willekeurigheden, niets
zal echt het gedrag bepalen dan gewoonte,

discipline, aard en afkomst, omstandigheden die er al waren.
Voor of na die tijd blijf ik hetzelfde, het is

mijn manier natuurlijk om een belangrijke afspraak tot een
hanteerbare proportie te brengen. Graag

zeg ik op het laatste moment af, er zijn genoeg smoezen, om
dan een enorm gevoel van vrijheid te krijgen,

ik ben opeens eeuwig jong en reuze zelfstandig, dat soort
ruimte is mij het liefst. Degene die op mij wacht,

zijn agenda doorhaalt, mijn naam schrapt en al bladerend
pas maanden verder weer noteert, zucht.

en natuurlijk ongevraagd

Op de hoeken van mijn bed blijven ze staan, worden steeds
duidelijker terwijl ze zich vasthouden aan de

spijlen, draaien erom heen, hoofd- en voeteneind een spiraal
van hun handelen, kop en staart zie ik bewegen.

Ze fluisteren als nimfen, dansen als elven, zingen als verleidsters
vanuit de bodem van de zee, trollen zijn het

vervolgens, reuzen dan met een blikkerende drietand. Ik geloof
niet dat ik ze uitgenodigd had. Zo rond het

middernachtelijk uur drinken we thee, ze willen ook een lepel
honing, straks gaan ze bedelen om brood. Terwijl

ik wakker ben, kijken ze me aan, bekenden van me, terugkerende
bezoekers. Soms is dat genoeg, zoete thee, andere

nachten drinken ze mijn bloed, boeren luidkeels en spugen me
onder alvorens ze uit elkaar vliegen en oplossen.

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑