Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: angst (pagina 1 van 7)

door de opening

Op een gegeven moment is de tijd op. Er verschijnt een in
zijn handen klappende meester op de stoep van

het grijze schoolgebouw en je propt je in de keurige lijn
die zich op het plein vormt en loopt naar

binnen. Zijn handen raken je in het voorbijgaan niet aan.
Gelukkig mag je weer iets leren, hoef je niet

met benen wijd knikkers op te vangen, voorovergebogen
handen in je rug te voelen en op je beurt te

springen, gelukkig hoef je niet nogmaals het slingerend
touw te ontwijken, achter die deur is het altijd

veiliger voor jou. Toch zou je nu de steeg in willen schieten,
achterop de fiets bij de grootste pestkop desnoods,

gaten willen vallen in je knieën om alleen maar te ontkomen
aan die markering in dat stukje tijd.

alleen ik

Opdat niemand verdwijnt, liggen we lijf in lijf. Opdat niemand
valt, liggen we wang tegen wang. Om niet

verloren te zijn, houden we elkaars hand. Soms controleren we
de ogen: staan ze wijd open, dan zijn we bang als

een kind, er schuilt iets in het donker dat ons verslindt, zijn ze
gesloten, dan dromen we ons veilig. Vannacht

was mijn jonge ik, getooid met het paarsblauwe haar uit een
opstandige periode, veranderd in mijn moeder

maar haar kon ik rustig laten liggen. Gisteren was het lijf een
uiteengereten versie van mijn dochter terwijl

haar kinderen zachtjes zwaaiden voor het raam van mijn huis
in het dorp dat ooit langer dan een lint zich

kronkelde onder onze voeten. Blijkbaar hield iemand me even
niet zo goed vast, mijn beide handen los, mijn wang koud.

poses en posities

De vragen die hij heeft en het gebrek aan medestanders stuurt hij
mee met zijn laatste beelden waarbij het onduidelijk is

of ik moet inkleuren, bijstellen, het tempo vertragen of gewoon
plaatsnemen in het publiek, op het puntje van mijn stoel.

Beide zaken liggen in een onbeantwoord verleden, een kind moet
een ouder hebben dat hem bij de hand neemt en

geruststelt, met een vinger wijzend naar de lucht om ons heen en
daarboven en desnoods verzint dat er altijd over

en voor hem gewaakt wordt, niet dat hij dat geloven zou. Zoveel
is duidelijk: er was nooit een voorbeeld, nooit

die hand, niet die troostende uitkomst op een probleem en waar
zouden we allemaal blijven, tenslotte, uiteindelijk,

zoals een kind weet dat het nooit past, daarboven en met ons allen
en een tijger nooit toelaat ernaast te liggen en te slapen.

een grapje

Zoals het niet hoort te zomeren in oktober, de warmte niet
past bij het vroeg donker worden, het genieten

niet echt is maar een bevreemd aanpassen, zo zijn uitslagen
van een onderzoek, conclusies van een

derde niet mijn realiteit en toch om mee te leven. Terwijl de
een het over de onmetelijke lengte van een

seizoen heeft, maakt de ander zich terecht zorgen over de oorzaak,
een afwijking in de lucht, een scheur

in de aardkorst, onze schuld. Zo is het bij het lijf ook, iets is niet
naar behoren, veronachtzaamd, even groot als

het risico morgen bij de witte strepen op de weg even niet te
tellen maar zingend en springend

de coureur van links te missen die door het rode licht stuivend
zijn irritatie over het bovenstaande uitleeft.

een oneigenlijke taak

Soms zit er in de ochtend nog een klein stukje zwart van
de nacht dat trekt en scheurt aan het licht en

liever niet zichtbaar alsnog een droom wil verstoren. Het
jankt en klaagt, misselijk van de moeite om.

Soms ook laat het onverwacht los alsof het zuchtend van
opluchting vergeet waar het aan bezig was,

vaak ook graaft het zich dieper en kerft een teken in de
huid, slaat op het hart, schopt tegen weke

delen. Doen alsof het rood is of misschien een teer soort
groen, zich vergist in soort of noodzaak,

niet bij jou past en tegelijkertijd maar al te bekend is, je
omdraaiend, is haast onmogelijk. Erover

schrijven zou kunnen helpen maar dan moet je wachten
tot de dag bijna voorbij opnieuw schemerig wordt.

in overweging

We doen vandaag wat hij onmogelijk kon doen: gewoon
een beetje met z’n allen in een zaaltje zitten en

kletsen, handen schudden, zoenen misschien, informatie
uitwisselen, voorgeschiedenis en belang en

hem. We gaan onze huizen uit, trekken jasjes recht en zoeken
hakhoogtes die een beetje indruk maken, zorgen

voor frisse adem en een toekomstmotief die er, dat weet je
toch, zou hij schouderophalend zeggen, helemaal

niet is, het is zo moeilijk niet, het is gewoon verzonnen en
dan bestaat het, gaan jullie ook drinken? Na

afloop zou ik hem gebeld hebben en verteld hebben wie er
het meeste, hoe Y. niet op haar foto lijkt, ach

ja, zou hij lachen dan, wie wel, en dat we het over hem gehad
hebben, fantastische man, wie, zou hij zeggen.

(Meander heeft vandaag haar eerste medewerkersbijeenkomst,
een eerste offline gebeuren)

eerste woorden

In de droom zei ik dat je me toch alles kon vertellen, ik
rende naar het toilet en braakte alles uit wat me

dwarszat, ik kom met de Jaquar, zei hij en parkeerde een
roze Cadillac in een bos waaraan ik nauwelijks

ontkwam, bomen bemoeiden zich met het leven, bogen
ver over me heen, rennend verschuilde ik

me in een smal huis waar alleen maar jassen hingen, een
vreemde op een smalle bank, ik had een kind

en waar was het, er was iets vreselijk mis en hij zei me
niets. Later was de ruimte gevuld met

jongens van zijn leeftijd, allemaal naakt en dampend warm,
ik verlegen keek uit het raam of iemand me dan

nog niet ontdekt had, de bomen hadden zich versmald tot
keurig rechte lijnen in een tekening.

trage opvattingen

Het zijn de moeders die hun zonen claimen en uitroepen
dat hij nooit in staat zou zijn tot, hij heeft

wat problemen misschien maar ze zijn voorbij, er ligt
niets onder zijn kussen, zijn voedsel was vol

vitaminen en ze heeft altijd haar best gedaan, niemand
kent hem beter dan zij. Terwijl de zonen

allang voortvluchtig zijn, dekt zij de tafel nog en trekt
het laken recht, ze praat tegen hem, alleen

zij begrijpt hem en hoewel ze weet, ergens ver in haar
lijf, dat hij nooit wat terugzegt omdat hij

nooit echt thuis is, hangt ze zijn winterjas alvast klaar
en verwisselt de foto’s in het lijstje, hij

is immers zoveel groter gegroeid. Bij het stofzuigen houdt
ze steeds even halt voor zijn glimlach en lacht terug.

vele letters onzichtbaar in alle pogingen elkaar te begrijpen

Om wakker te worden en nooit meer het geluid te horen
van haar kleine kletsende voeten op

de gang, het ongeduldig springen tegen de deur, zingend
vragen welke dag het is en wanneer ze nu

mag, vandaag toch, ja, om nooit meer te kunnen slapen
omdat die ochtend nooit meer komt, elke

dag het verdriet, het gekmakend wurgend gemis aan elk
geluid om haar heen. Een blauw regenjasje

aan de kapstok, ze wilde zonder jas, het was warm nog,
het zonnetje uit de tekening voor pappa,

als altijd een stukje brood vergeten op het bordje, een
appel met een hap eruit, ben ik niet

de allerliefste, jij de mooiste mamma. Om nooit meer wakker
te worden omdat je nooit meer slaapt.

pijnlijk ernstige bedoelingen

De oude dichter zwaait met het mes terwijl hij uitroept
weer te zullen gaan schrijven, hij dreigt met

scherpe woorden alvorens hij zijn hand richting de taart
beweegt en mij met precieze beweging

de kleinste punt snijdt, in die paar minuten overweeg ik
hoe te vluchten, ga ik rechts of links, onder

hem door of over de tafel, neem ik de lelies mee die de
geur van dood begeleiden, het restant

misschien van dat gebak, wat een voordeel dat ik de woning
ken, vergeet ik niet mijn tas en zal ik nu echt

niet meer terugkomen en gooit hij het werktuig in de afwas,
balanceert met schoteltjes en slagroom en

termen als ‘vers’, ‘ego’ en ‘krakend helder’ waarbij we
tegelijkertijd proeven en bevestigend knikken.

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑