Een behuild kindergezichtje doet me in de nacht opschrikken,
houdt me wakker, bezwaart me zodanig dat.

Mijn oudste die nog heel klein zo verdrietig is terwijl er niemand
zo vrolijk is als zij, ze in dit land is, niet onderweg

naar elders, een herinnering die zich vermengt met haar groter
wordende kinderen die minder vaak in mijn armen

springen nu hun leven zo druk is en de behoefte verandert, het
zijn de gamemasters (hun ooms) die de voorkeur

genieten, alle vriendjes van school, misschien zondag, zegt S. (9)
maar ook de zondag gaat voorbij. En zo hoort het ook

en toch. Dat bij elkaar houden van een gezin, dat voeden van alle
monden, dat voortdurend in gesprek zijn en aanraken,

is het belangrijkste van alles, en hoewel de slaap terugkomt en we
in de ochtend er nog zijn, vragen we ons af wie er huilde.