Zoals mijn moeder een ring legde in het veld en daarna met haar
scherp oog afdrukte, zo plaatste zij mijn vader in

het struikgewas, een dier op afroep, een vogel net laag overgevlogen.
Haar rangschikken was een kunst apart, zijn lijf

paste nauwelijks, bleef daar gewoon verwonderd staan, een beetje
spottend met de elementen rondom. Zo komen we

elkaar plotseling tegen. Het is nacht. Zijn haar licht op, zijn voeten
wijzen de weg, zijn hand is in de mijne. Hij vraagt

naar geluk en liefde, hoeveel woorden en in welke vorm, of het over
hem gaat, zijn plaats aan tafel, wijst naar de kast waarop

een stapel papieren ligt, gaat lezen en zucht. Hij komt er niet in voor,
klaagt hij. Zoals mijn moeder ordende, zo gooit hij als een

kind de vellen in de lucht en brengt alles in de war, hij drinkt uit de
kraan en gaat door de achterdeur weer weg, vleugels zwart.