Jarenlang zat ze vooraan in de zaal, in de beste stoel, de laagste,
iedere keer smaller, bleker en toen ze wegbleef,

kreeg ze kaarten van deze stad met groeten erop en beterschap en
tot gauw en ziens en zomaar kwam ze niet terug

zonder afscheid te nemen, zonder protest, zonder uitleg, de stoel
versleept tot in het rommelhok, tot nu. Wat vogels

op een kaart en een vers en een datum van maanden terug. Wat
deden we die dag, het was koud vermoedelijk en wit

en we sloegen de armen warm tegen ons lijf. Ze zei me toen dat
het te leren was, oud worden, zoals autorijden maar

de ene keer naast haar en onderweg was ik niet overtuigd, de motor
sloeg af, we stonden in een file, er klonk luid getoeter

en iemand gaf een bons op het dak en vloekte. Ze keek naar het weiland
langszij en beweerde hazen te zien, kijk daar, zei ze.