Op het bovenste dek van een boot hangt een groep mensen half
dronken over de reling, onder mijn trui een fles,

ingeklemd tussen mijn borsten zoals het lijf vastgehouden wordt
door de groep, het water spat op, ik ken niemand.

Voortdurend zijn er mensen om me heen terwijl er niet gepraat
wordt, waar de reis naar toe gaat weet ik niet.

Het is beter dan de flard droom waarin een witte auto inrijdt op
een groepje fietsers, ik herhaal het gebedje

en zeg hardop Nee, althans dat hoor ik, maar misschien ben ik wel
iemand anders, half dronken en nog op het water,

sowieso te laat om wie dan ook te komen helpen. Ook is er dat
eeuwige gevoel van te laat komen en bloot zijn

terwijl ik op zijn minst nu die fles draag en een trui. Doorweekt
nu en koud en zomaar weer nergens, ver van huis.