De man in de trein naast me zegt in zijn telefoon nee schat, ik zit
in Parijs, en dat hij niet weet wanneer hij terug is,

misschien de week erop, we zijn bij het saaie Uitgeest, het is een
mooie man die mij tegen de stoelleuning drukt

en waarvoor ik mijn adem inhoud, dag schat, zegt hij. Daarna is
hij onderweg naar Venetië, dit is Charlotta, en als

ze goed luistert, hoort ze opgewonden voetbalfans in een volle
coupé inclusief oranje petjes, die termen gebruiken

die niet internationaal zijn maar gewoon van Hollands klootzak
naar boerenlul gaan. Het is alleen vol in deze trein,

de straat is stil, het plein verlaten, de vlaggetjes wapperen treurig
tegen menige gevel en nergens is gejuich hoorbaar.

Het weiland is vol geschoren schapen, de trein staat even verontrustend
lang stil en altijd op dezelfde plek, excuses voor het ongemak.