Het schrijven over niets is het schrijven over alles geworden, een
beetje zoals hij alles filmde wat maar bewoog of

alles waar hij bij kon komen, iedere kwispelende hond die naar
hem toekwam, iedere vrouw die lachte,

iedereen uit het wijdverspreide publiek, op het podium of daarnaast,
zoals elk woord nu hier terechtkomt, alsof er ergens

anders geen plek meer is, nergens meer ruimte dan in deze vaste vorm,
niet over tafel lallend of in zijn nek fluisterend,

op hem klimmend en bijtend, niet in een versje waarvan de toon nooit
de juiste hoogte kreeg en zeker niet onderweg,

als broodkruimels op het pad, hand in hand, voorzichtig daar bij de
bocht, het warme welkom alleen op dit kille scherm

waarvan de toetsen uitgesleten raken en het lichtje knippert en vieze
vegen in het zonlicht dansen als gretige mensen rondom hem.