Soms vallen alle mannen samen als de mouwen van natte truien
die je terugvouwt terwijl ze druppen aan het

wasrek, pas als ze droog zijn terug te leggen in de kast, een wankele
stapel, klemgezet tussen op kleur gesorteerde

artikelen en de linker kastdeur. Eigen gebreid veelal, zonder patroon,
een hoofdschuddende moeder die waarschuwde

-vergeefs- voor uitzakken, met kattenharen nog en de lucht van mijn
parfum, draden aan de achterkant met een

strikje erin in plaats van het verplichte afhechten, als grapje een knoop
op een plaats die niet open kon, een opening

voor het hoofd waarvan de oren blijven steken. Uniek, zeiden ze, stuk
voor stuk. Schuilplaats voor

jonge katjes, stof, zakjes lavendel, een Kerstcadeautje uit een vorig
jaar, snoep dat alleen voor mij bestemd was en niet voor jou.