De rijmloze vriend zegt dat hij zich realiseert dat straks alles weg is.
Hij kijkt naar zijn handen en spreidt ze op tafel,

zijn voeten, dat ene been dat niet meer wil en dan vervolgens naar
buiten alsof hij daar al ligt, van zijn fiets

gevallen zoals we voorspellen, omgekomen in het verkeer want waar
anders aan. Als je al zo oud bent, al tot hier

gekomen bent, bedoelt hij, wat kan er dan nog gebeuren. Ik zou een
helmpje kopen, zeg ik. Er zitten nu weken

tussen zijn bezoekjes die iedere keer weer chronologisch met elkaar
verbonden moeten worden alsof een moeder

zijn hoofd inzwachtelt en nog een kusje op het verband doet en het
is lastig luisteren zo. Hij vraagt niet naar

mijn obstakels, per slot van rekening ben ik nog nergens dan veilig
in mijn werkkamer en heb ik koekjes dit keer, lekkere.