Een restje van de nacht glipt mee naar binnen en nestelt zich ergens
onder de schouders, tussen de borsten, drukt op

het bot, blijft daar hangen en trekt zich niets aan van het koude water
of de zachte trui die vervolgens daar neer ploft,

start een gesprek met de afwezigen en laat zich pas wegsturen als
ze hieronder uitgeschreven is,

randen wit krijgt en een aarzelende nevel, een open rode deur in de
straat, een te herkennen huis, een stem die

sust, handen die precies passen en op dezelfde plek strelen en naar
beneden duwen totdat het ergens oplost, zo

halverwege, en dan verwonderd, zie het lege vel, helemaal niets blijkt
te zijn geweest dan een hond achter de boom,

een wel heel vroege passant, en tussen de eerste koffie en zucht frisse
lucht eindelijk licht wordt en verdwijnt.