Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: relaties (page 1 of 2)

grote voeten

Een vrouw voert een uur een gesprek met haar hond, hij staat
waarschijnlijk in het verkeerde perkje of rukt

een vuilniszak open en speelt met de inhoud, misschien plast
hij weer tegen buurman’ s auto en heeft ze geen

zin in de verdediging, het ligt trouwens niet aan hem maar aan
haarzelf, hij werd gewoon groter dan gedacht

en zij steeds kleiner. Zo gaat het met meer zaken: kinderen eten
veel meer dan zij gewend was, het trapportaal

is veel viezer in een straaltje zonlicht, tegen hem liegen wordt
elke keer moeilijker en lachen daarbij doe

je nu eenmaal niet. Op het werk roddelt de nieuwe kracht en het
is beslist over haar en niet één ochtend

start haar brommer normaal, ze maakt zelfs niet genoeg vaart om
dat paaltje te raken dat zo hinderlijk op het voetpad staat.

mijn veiligheid

Zij denkt dat ze een bijdrage levert aan de bevrijding van de vrouw,
de gelijkheid der seksen, mondig taalgebruik en

vooruitgang in het algemeen, door lichaamsdelen te benoemen die
in willekeurige volgorde gestreeld, geslagen en

gebruikt worden. De lezer denkt dat hij bevrijd is en past toe in de
praktijk. Waar zij nog probeert haar zin te laten

kronkelen, kirrend van genot, is hij hardhandig de score aan het
bijhouden en streept de kandidaten af.

Van groeiproces is geen sprake, van mededeelzaamheid ook niet,
modern is het allang niet meer en zeker niet

vrijmakend. Haar ontluisterende gewoontes zijn ook niet van haarzelf,
ze denkt slechts aan commercieel gewin en zeker

is zij niet degene die met plezier de leiding neemt in het spel noch
houdt van de uiterste grenzen in taal.

op papier was alles duidelijker

In de stationshal neemt hij wat afstand, zij kletst met een andere
man die haar zojuist op haar kop heeft gegeven omdat

ze, grapje, zegt ze, vlak achter hem door de poortjes ging. Ze lacht
te hard, hij geneert zich. Op het perron

leunt ze even zwaar tegen hem aan, nee, hij hoeft geen koffie, en
brood heeft ze ingepakt in haar rugzakje. In

het museum zie ik ze weer, zij praat te luid en wijst en hij staat te
ver om het schilderij goed te bekijken. Zij vindt

het enig zo met hem, hij is vrij nu dus het kan, dit deden ze vroeger
ook, zo gezellig met z’n twee en hij denkt aan

de rust op kantoor en hoe hij alleen maar tijdens het eten hoefde
te knikken, niet vergeten haar kookkunst te prijzen,

en dan de volgende ochtend weer kon dromen van reizen met de
kantinejuffrouw die in geen geval paars droeg.

een geheime voorraad

Een man in de stiltecoupé vraagt hoe of dat nou voelt en een
onzichtbare maar duidelijk aanwezige vrouw

antwoordt nauwgezet, bovendien is iedereen met die vraag bezig,
lijkt het, het gonst en krioelt van ongewenste

intimiteit en het uitzicht, een hangende regen boven industrie en
verlaten beesten, wordt erdoor beperkt. Met ogen

dicht kom ik niet verder. In dit kleine vertrek voel ik me de jongste,
een indringer ook, er is een enkel meisje dat

met minirok bruine dijen toont terwijl ze kauwend op de maat van
muziek uit haar koptelefoon over haar mobiel scrolt, de

overigen zijn samen op pad, delen het proviand na de eerste bocht,
het routeplan op schoot, een in beweging en

uiterlijk, het regenpak puilt uit de tas, de voorzichtigheid is dezelfde
als van de buren, een echt antwoord is het niet.

een andere kant

Soms geloof ik dat het niets uitmaakt wat ik voorlees zoals het niet
uitmaakt hoe jong ik ben en of mijn shirtje opkruipt en

de tekeningen op mijn lijf laat zien, de heer T. heeft er twee, of mijn
bril rechtstaat en of ik wel mascara op mijn wimpers

heb. Zo moet ik elke keer weer het wafeltje van de heer B. met een
grapje afslaan, straks verslik ik me nog, en

herhaalt hij zich in het doel van de traktatie, in zijn dressoir moet een
geheime voorraad liggen. Soms is het de eetgroep

van veertig jaar geleden, even hongerig en door elkaar pratend tot
de pan op tafel komt, soms is het mijn familie, mijn

pappa zwaait met de autosleutel, we gaan straks een ritje maken, het
kleed spreidt zich gemakkelijk uit in het weiland,

soms ook zijn het mijn vrienden, zich omhoog hijsend in deze boomhut
en vragend naar de betekenis van de kunst aan mijn wanden.

dit keer geen eigen verzinsel

Ze had zich wel eens over het graf gegooid van de man die zij
het meest miste, ze zei het terwijl ze in haar gebakje

prikte en op zoek leek naar nog een verborgen kers of hoe het
allemaal tegelijk in haar mond zou passen, en

beweerde geen voorkeur te hebben voor deze smaak. Ik dacht
aan kruisjes slaan en misschien op één knie

bekennen hoe vaak ik hem vergeten was, de regen van de steen
afvegen en de bloemen recht en kijken dan

welk graf vers was en welke teksten anderen droegen en het
gehuil horen misschien tijdens de plechtigheid.

Ze had nog een hapje genomen en schoof toen het schoteltje
opzij. Ik neigde tot het fatsoeneren van het

hoopje zoet maar ze legde haar hand over de mijne en noemde
de zeven stadia van rouw of waren het er negen?

een scherp gevoel van tijd

Mijn deelneming naar een adres dat ik nooit mocht gebruiken,
waarvan de voordeur slechts een keer geopend werd

om mijn cadeautjes naar buiten te gooien, te schelden en het
bonzend geluid te reproduceren dat bij ongewenste

inmenging hoorde. Als ik mijn best doe komt het telefoonnummer
vanzelf naar boven, mensen onthouden de gekste

dingen, het sproetje rechts op de grootste borst of hoe haar eten
allemaal op een lepel werd geschoven en ze toch

nog morste. Ik noem op de enveloppe een hele familie en vouw
dit keer geen eigen verzinsel, geen vliegtuigje, er is

geen gedenkteken dan de standaard kaart, licht glimmend en met
een grashalm in een verlaten duin en mijn naam

is volledig, het handschrift zelfs bijzonder net. Nog steeds denk
ik vooral aan haar en woont hij elders blijkbaar.

boven de rest van de wereld

Op een dag zat hij aan tafel en wees naar de kast er tegenover,
de deur piepte en ik liet de inhoud zien. Een van

de schriftjes nam ik uit de volgorde en hij las voor, jaartal niet
noemend, wel de onrust die ik ervoer. Zijn

grote hand lag op mijn woorden zoals die op mijn arm lag of
op mijn rug, licht duwend, en zijn mond bewoog

even traag als bij het afscheid nemen. Dan bladerde hij verder
en nam nog een zin en pakte ik uit de volgende rij

een ander exemplaar. Hij at nooit aan die tafel en nam nooit
plaats tussen anderen en ook zei hij nooit

of iets goed was of af, de stem bleef van eenzelfde diepte. Het
leek alsof hij samenvatte wat een leven lang

onzegbaar bleef. Dan stond hij op en leek groter dan anders,
bewoog die hand en die mond en liet de deur open.

keurig afgesloten

Ze hoorde mijn stem een keer, ergens op de achtergrond, en had
gezegd hoe jong ik klonk, de lijn zonder ruis blijkbaar,

en hij had gezegd ‘ja jong’, niet sexy, uitdagend, manipulatief
of altijd in zijn hoofd en ik had gedacht aan dat

‘jong zijn’ dat bijna ongemerkt voorbij ging. Nu staat er alleen
een berichtje op dat kleine scherm dat zichzelf zwart

omlijst, ze is overleden, heeft hij getypt, gisteren. De woorden
veel te groot voor dit kleine medium, ik zie geen

vogels vallen van een denkbeeldige lijn, mijn kleinzonen grijnzen
zodra ik niets doe, de wereld is onbestaanbaar

en tegelijkertijd de beste verblijfplaats. Ik denk niet aan hem, ik
denk aan haar en hoe vaak ze weggedrukt is,

verruild en verplaatst, gerustgesteld en besproken en hoe ik nooit
haar heb horen schreeuwen dat ik altijd jong bleef.

je moet je focussen

Dat moment, dat bijna te lang durend moment, voordat hij bij je
komt, het lijf dampend en hier en daar nog nat, slordig

bovenop je gaat liggen en adembenemend heet is en precies past
en dan net daarvoor: weten dat hij er is, zich wast

in de ruimte achter de deur, zich nauwelijks de tijd gunt zich af
te drogen, het raam vergeet te openen zodat

de stoom alvast je kant opkomt, nooit zingt maar proest en hoest
en hoe hoog de temperatuur is van het water, weten

dat hij er is en zich op je zal voegen maar niet zeker weten of het
gebeurt, dat ogenblik in de ruimte, de gang

leeg nog, vol van een verwachting die gniffelend in de lakens
schuilt, stil moet zijn voor de kinderen en tegelijk

zo uitnodigend mogelijk en altijd herhalend hoe gelijk onze lengtes
zijn, ons verlangen alvorens zij zich oplost in de nacht.

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑